Voor wie schrijf ik?

Voor wie maak je eigenlijk kunst?

Gek genoeg ben ik - als het om de kunst van het schrijven gaat - altijd opgevoed met de gedachte om een stijl na te streven die voor iedereen begrijpelijk is. Ik ben gaan houden van een anonieme stijl; zinnen en woordkeus moeten dicht tegen je eigen persoonlijkheid zitten; verandert je persoonlijkheid, dan behoort je stijl mee te veranderen. Nooit mag een zin er ‘gecompliceerd’ uitzien. Daar kwam het gedachtegoed van de jaren zestig en zeventig bij: er was te veel snobisme in de kunst, de kunst was niet voor jan en alleman maar voor een bepaalde elite - dat kon je doorbreken door over gewone zaken en gewone mensen te schrijven in een gewone stijl. Stijl als democratiserend middel.
Maar nu is alles mislukt. (Ik zeg dit zonder zielig gevonden te willen worden.)
Hoe begrijpelijk ik ook schrijf, ik ben, juist voor de mensen voor wie ik zou willen schrijven, vaak onbegrijpelijk. Ze begrijpen de woorden en de zinnen wel, maar ze vinden er niets aan. Niet schokkend en niet fel genoeg. Ze begrijpen eigenlijk niet hoe ik denk en voel. Anderen begrijpen mij, zij niet.
Mijn persoonlijkheid is niets meer. Ik geloof ook niet meer in 'persoonlijkheid’. Wat is dat in godsnaam? Dat ik netjes kan spreken? Dat ik me netjes kleed? Dat ik niet lieg? Dat ik altijd aardig en voorkomend ben? Mijn persoonlijkheid mag zo bij het vuilnis gezet worden en ik vermoed dat ik hem daar ook vandaan heb. Persoonlijkheid is niets.
Dan de gedachte dat je door eenvoudig te schrijven meer mensen zou kunnen laten genieten van kunst.
Weet u wie tegenwoordig boeken lezen? Vrouwen uit de gegoede middenstand. Literatuur is een vrouwenzaak geworden. Niet dat ik dat erg vind, integendeel. Maar voor wie schrijf ik?
Nu ben ik ook al iets ouder. Ik ga al zo'n vijfentwintig jaar in schrijfland mee. Ik herken dingen: modes bijvoorbeeld, die tegenwoordig hypes heten. Wie en wat heb ik allemaal niet voorbij zien schuiven. Komrij, wat keken we naar hem op, en dan die jongen van Cirkel in het gras, ik ben zijn naam kwijt, Oekel of zoiets (is later meen ik bij de Baghwan gaan zitten of een andere sekte), en dan had je nog die jongen die over de kunstscene schreef, en dan natuurlijk Palmen en zo. Weet u og dat de Zuid-Amerikanen in waren? En de Chinezen? En de Italianen (al gauw tien jaar terug). Frankrijk is weer uit, maar, let op, Frankrijk komt terug. (Met Houellebecq en zijn 'elementaire deeltjes’.)Mode.
Tegenwoordig zijn vooral dikke boeken in de mode. Al veertien dagen hoor ik het woord 'panoramische roman’.
Voskuil, Rosenboom - panoramisch!
Een dun boekje deugt alleen als je kunt zeggen dat het poëtisch is. Ook al zo'n woord waar ik van walg. Poëtisch! Wat wordt daar nou weer mee bedoeld? Ik wil helemaal niet poëtisch zijn, maar ook niet panoramisch; ik wil gewoon mooie dingen schrijven. Laatst zei iemand dat ik van die poëtische korte columns schrijf. Natuurlijk knikte ik, want ik ben een lafaard. Maar het liefst had ik gezegd: 'Weet je wel, trut, dat ik met genoegen kleine katjes verdrink, kleine kinderen met een scheermes zou willen ombrengen en lelijke vrouwen haat? Ik ben niet poëtisch!’
Voor wie schrijf ik eigenlijk?
Ergens wil je dat de boeken die je schrijft worden gedrukt en uitgegeven. Waarom? Omdat je vindt dat je iets te vertellen hebt wat waardevol is voor andere mensen.
Maar kijk eens naar je lezers, voor zover je die hebt. Die kopen jouw boek en dat kloteboek van Mammalulu Wang.
Dat kan eigenlijk niet. Wie mij leest moet Wang weigeren - en omgekeerd.Voor wie maak je nou eigenlijk kunst?