Voor wie zich ervoor openstelt

ja! je zit op de trein en hij bezit de zin van de dingen

ja! hij kruist wie bezit de zin van andere dingen

ha! je groet wie meer zin bezit voor de dingen

ha! de zin raast door met meer trein en andere dingen

geheime boodschap 1: ik probeer iets uit te leggen

neen! geen treinongeluk bij het groeten naar andere dingen

neen! geen doodgeschrokken koeien van zin van dingen

hé! met het vallen van de zin van vallende dingen

hé! de trein stopt en je krijgt lekkere zin in dingen

geheime boodschap 2: waar geen geheime boodschap wacht

ja! je struint door de grote stad van zin en dingen

ja! je vraagt naar een verlekkerd ding haar zinnen

ha! lantaarnpaallicht over het zinnige van haar dingen

ha! in de zin krijgt vannacht ding haar meerdere zinnen

geheime boodschap 3: zo dadelijk komen we aan kom kom kom


Uit: Xavier Roelens, Stormen, olie-lekken, motetten: Over de twee hoofdbestanddelen van de mens: water & relaties.

Goede poëzie is proef­ondervindelijk omdat ze terreinen exploreert die zich maar moeizaam met taal laten veroveren. Ze is niet uit op herkenning, maar op ontregeling, ze dient subtiel elektroshocks toe om brein en zintuigen te herprogrammeren. Het experiment is per definitie politiek geladen, want het beoogt de vastgeroeste concepten waarmee we de wereld bekijken open te breken. Engagement en ontregeling zijn hard nodig in een tijdsgewricht waarin we het gevaar lopen ongemerkt geconditioneerd te worden door media en commercie en vergeten wie we zelf zijn. Goede poëzie verklaart de oorlog aan clichés en vrijblijvende ironie. Paradoxaal genoeg heeft het proefondervindelijk gedicht inmiddels een eerbiedwaardige traditie van minstens anderhalve eeuw. Bovendien werkt een experiment pas wanneer het wordt uitgevoerd binnen een herkenbare context, want waar alles nieuw is, komt geen communicatie tot stand. De dichter dient zijn experimenteerlust te doseren, anders haakt de lezer af.

Dat Xavier Roelens (1976) zich opwindt over de wereldwijde aantasting van het milieu en daartoe poëzie schrijft die soms nauwelijks als zodanig te herkennen valt, is prijzenswaardig. Maar is hij ook effectief? De typografisch hoogst gevarieerde bundel bevat lyrische passages, een moeizaam erotische e-mailcorrespondentie, enkele gedichten in het West-Vlaams over het verdwijnen van strenge winters, een montage van nieuwsberichten over een vliegramp en een schier eindeloos voortwoekerende prozatekst die is opgebouwd uit zinnen over natuurverschijnselen. De achterflap meldt dat de dichter door deze bundel te schrijven vegetariër werd. En de aantekeningen bieden niet alleen informatie over de omslachtige wijze waarop de teksten werden geconstrueerd, maar ook een uitvoerige lijst met secundaire literatuur. Charles Darwin, Jonathan Safran Foer, Guido Gezelle, Peter Sloterdijk en David Foster Wallace blijken Roelens geïnspireerd te hebben. Deze dichter wil de lezer bekeren. Zou dat gaan lukken?

De eerste van de drie afdelingen waaruit het boek is opgebouwd opent met een opsomming van ‘wat de zee opwerpt’:

een bloempot, een breezer, een gloeilamp, een tetrabrik

met frambozensmaak, een plastic zak, een fles ketchup,

een ijzersponsje, brandhout in cellofaan, een schroefdop

een jerrycan, bekers, een vuilniszak om alles te bewaren

en voor ’s middags wier op een bedje van tamponhoesjes

Daar word je niet vrolijk van. Het zet de toon voor een bundel die zwelgt in woede en weerzin om al het goede en mooie dat kapotgaat. De centrale prozatekst lijkt een lukraak samengestelde verzameling fragmenten die zowel de rijkdom van de natuur als de door mensen veroorzaakte aantasting daarvan laten zien. Dit is een willekeurige passage: ‘Hij [een hond] droomt ervan eekhoorns te verjagen, pas gepote plantjes uit te graven, menstruerende vrouwen te besnuffelen in het land waar men eerst riolen en slachthuizen zuiverde en daarna water voorzag, heet, met een snufje saffraan en honing elke ochtend, één ochtend bloeit een krokus en dicht dan weer, wrak vee zakt ineen, wie gunt het rust en water, wie past zich zo goed aan de omstandigheden aan als de bio-industriekip, die in negenendertig dagen meer spieren en vet ontwikkelt dan botstelsel om die te torsen’. Enzovoort.

Werkt het? Met zo’n overkill aan schijnbaar disparaat materiaal en de pertinente onwil de lezer tegemoet te komen zal Roelens geen groot publiek aanspreken. Eigenlijk is dit onleesbare en onuitstaanbaar pretentieuze poëzie. Maar wie zich ervoor openstelt en de onuitputtelijke stroom woorden en beelden over zich heen laat komen, zal merken dat wat aanvankelijk ontoegankelijk leek, muzikaal en meeslepend is en een trance-achtige bewustzijnstoestand genereert. Het lange prozagedicht roept zelfs het verlangen op dat er nooit een einde aan mag komen.

Maar word ik er ook vegetariër van? Het tegendeel is het geval. In de eerste plaats laat de dichter zien dat wreedheid ingebakken zit in de natuur, en dus niet een exclusief menselijke aangelegenheid is: ‘terwijl ondertussen een rups, verlamd maar bij bewustzijn, de wespenlarve in zich voelt uitkomen die zich eerst met vet en spijsvertering, pas aan het eind met hart en zenuwstelsel voedt’. In de tweede plaats schetst Roelens een overrompelend beeld van de veelzijdige overvloed aan verschijnselen die deze wereld heeft voortgebracht, hetgeen mij met hebzucht en gulzigheid vervult. Schoonheid schuilt niet alleen in de zang van de walvis, de kleuren van vlinders en de woekering van het regenwoud, maar ook in de purperen toga waarvoor menige murex heeft moeten bloeden en in het lam op de toonbank van de islamitische slager. De lyricus zit de activist in de weg.

Roelens lijkt dat zelf in te zien waar hij een apocalyptisch sonnet versjteert door sommige lettergrepen nog niet in te vullen maar wel alvast het ritme aan te geven:

in regenwouden stikken de mangroves

de permafrostgebiedtedum aan ’t smelten

in bergen trekken gletsjers zich tedum

het amazonewoud tedum herstelvermogen

Dat is flauw en ondergraaft de geloofwaardigheid van Roelens’ project.

In de ondoorgrondelijke ‘motetten’ van de laatste afdeling suggereert hij dat de uitwassen van het kapitalisme zijn voortgekomen uit een al te menselijk verlangen. Misschien laat de boze dichter hier zijns ondanks toch enige deernis toe: ‘men kon water in land veranderen toen/ verlangen de kant van bemachtigen koos,/ de kant van gemis’. We leven in een tragische wereld, waarin verval een bron van schoonheid is: ‘Der kringelt nog wa ruok, mo emel en eirde/ kusn elkoars vergrisd’ anzigte nie mji’. Het einde moge in zicht zijn, maar de poëzie maakt er muziek bij.


Xavier Roelens, Stormen, olie-lekken, motetten: Over de twee hoofdbestanddelen van de mens: water & relaties. Contact, 80 blz., € 19,95