Voor wie zijn al die steden er eigenlijk?

Natuurlijk moet je niet elke speelfilm voor de historische werkelijkheid aanzien, maar wat een feest zou het zijn om in het Victoriaanse Londen rond te lopen van Armando Iannucci’s The Personal History of David Copperfield. Maar dat is dan ook een Dickens-verfilming. Londen is een fleurige wolk van een stad. De personages hebben karakters uit de Jamin – kleurrijk en zoet. Ze zingen, ze lachen, hun kleren zijn bont, ze spreken in volzinnen, barsten van de metaforen.

Dickens is altijd zo’n auteur die je wel en niet serieus moet nemen. Natuurlijk, zijn personages zijn uitvergrotingen en zijn engagement heeft blinde vlekken. Dat is iets dat hem later is verweten: hij hield te veel van mensen. In een beroemd essay betoogde George Orwell – een overtuigd sociaal-democraat – dat de moraal van Dickens telkens was dat als mensen maar liever voor elkaar waren, alles wel goed zou komen, terwijl hun problemen niet lagen aan de moraal van anderen, maar aan het kapitalistische systeem. It’s the economy, stupid.

De jonge gezinnen en de zelfstandige winkels zijn niet opgewassen tegen het grootkapitaal

Maar dan nog blijft hij een chroniqueur van zijn tijd. Wat in zijn romans vooral opvalt is een portret van een maatschappij – en een stad – waarin alles in beweging is. Mensen worden rijk, arm en weer rijk (en weer arm). Ze verhuizen naar Australië, komen weer terug. Fabrieken worden scholen, worden winkels. Het is de dynamiek van Victoriaans Londen, een stad die in een eeuw tijd van grofweg een miljoen naar meer dan zes miljoen inwoners groeide. In Iannucci’s film steelt Hugh Laurie her en der een scène als Mr. Dick, een geleerde meneer die niet kan ophouden met denken aan de onthoofde koning Charles I. Eerst woont hij nog met Copperfields tante in een riant huis op het platteland, daarna straatarm driehoog achter in een pijpenla. Niets lijkt hem te kunnen deren. Wanneer hij een muziekinstrument van een pandjesbaas afpakt en wegrent roept hij vrolijk: ‘Look! I’m a criminal!’

Vergelijk die urbanisatie en bevolkingsgroei eens met die van nu. Om het tot de hoofdstad te beperken: Amsterdam groeide jaarlijks met zo’n tienduizend inwoners per jaar, maar in plaats van dat dat voor een grotere dynamiek zorgde, leek het eerder een gevoel van stilstand op te leveren. De stad werd mooier, netter, maar bovenal explosief duurder (negentienduizend euro de vierkante meter in de Pontsteiger, de woontoren aan het IJ), en geld drukt dood. Het is een door journalisten veel beschreven verschuiving: de jonge gezinnen en de zelfstandige winkels die moeten inpakken omdat ze niet opgewassen zijn tegen het grootkapitaal dat al dan niet komt in de vorm van Nutella-winkels en multinationals die appartementen huren voor hun expats. Zonder een zak geld was het moeilijk iets nieuws te beginnen, en (zie Thomas Piketty) niet voor iedereen is die zak geld weggelegd.

En toen kwam corona en bleven de expats (en internationale studenten) weg en voor het eerst daalde het bevolkingsaantal van Amsterdam, met een paar duizend. Over de hele wereld zijn soortgelijke trends zichtbaar. Steden wier economische infrastructuur werd gedicteerd door de meest vermogende partijen (zowel burgers als grote bedrijven) belanden nu in iets wat je een identiteitscrisis kunt noemen: voor wie zijn die steden er?

Toen Het Parool half augustus op de voorpagina kopte: ‘Amsterdam nu krimpgemeente’ leek daar een bepaalde opluchting in te zitten. Niet omdat er geen aandacht was voor de grote economische klappen die eraan kwamen, maar omdat als geld wijkt iets anders de ruimte kan krijgen. Hopelijk. Want zoals Dickens’ permanent blutte, maar ook permanent optimistische Mr. Micawber als mantra heeft: ‘Something will turn up.’