De Armeense genocide (2) - De liquidaties

‘Voor ze ons van kant maken, zullen wij hen afmaken’

Het is dit jaar een eeuw geleden dat het Ottomaanse Rijk zich inliet met het ‘deporteren’ van de ‘bacteriën’ in het ‘organisme van het vaderland’, oftewel met het uitroeien van de Armeense ingezetenen. Dat verliep redelijk systematisch.

Medium armenie2

De arts Mehmed Resid was een van de meest efficiënte vervolgers van de Ottomaanse Armeniërs. 120.000 Armeniërs had hij ‘weggestuurd’ uit de provincie Diyarbakir. Dat meldde hij trots, als tussenstand, aan zijn baas, Talaat Pasja, de minister van Binnenlandse Zaken en net als hij lid van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang, dat de macht in handen had in de laatste jaren van het Ottomaanse Rijk. Resid verstuurde het telegram op 28 september 1915, zes maanden na zijn aantreden als vali, gouverneur, van de provincie Diyarbakir. ‘Wegsturen’ en ‘deporteren’ zijn Turkse eufemismen voor het verbannen en uitroeien van de Armeense bevolking.

Dokter Resid was aanhanger van sociaal-darwinistische ideeën. Hij zag in collectief straffen een goed middel tot maatschappelijke manipulatie. ‘We zullen hen liquideren voordat ze ons kunnen elimineren’, zei hij in de tijd van de vervolgingen in een gesprek met een hoge functionaris in Istanbul. ‘Of zij ons, of wij hen.’ Hij sprak over Armeniërs als ‘bacteriën’ in het ‘organisme van het vaderland’. Wie beter dan dokter Resid kon die microben wegnemen? Het was zijn plicht. Hij deed het om het Turkse – dat voor hem hetzelfde was als het islamitische – element van het vaderland te beschermen, zei hij tegen zijn gespreksgenoot.

Het verslag van dit gesprek werd in 1953 in Turkije gepubliceerd toen het land volop in ontkenning was van de Armeense genocide. Resid sprak openhartig over wat er in hem omging. ‘Hé, dokter Resid!’ had hij bij zichzelf gezegd. ‘Er zijn twee mogelijkheden: of de Armeniërs zullen de Turken liquideren óf de Turken zullen hen liquideren! Gedwongen door de noodzaak te kiezen heb ik niet lang geaarzeld. Mijn Turksheid won het van mijn identiteit als arts. “Voor ze ons van kant maken, zullen wij hen afmaken”, zei ik bij mijzelf. (…) Maar ik heb deze daad niet verricht om me op de borst te kunnen kloppen of mezelf te verrijken. Ik zag dat het vaderland bijna ten onder ging en daarom wist ik van geen wijken, ervan overtuigd dat ik voor het welzijn van de natie werkte. Als de geschiedenis me hiervoor rekenschap vraagt – kan me niets schelen. De geschiedenis (…) mag schrijven wat ze wil, het doet me niets. De Armeense bandieten waren een hoop microben bij elkaar die het lichaam van het vaderland hadden aangetast. Was het niet de taak van de arts de bacteriën te doden?’

Het geloof dat de Armeniërs met hulp van de Russen op het punt stonden in de oostelijke provincies van Anatolië een onafhankelijke staat te vestigen, had zich als een weerhaak vastgezet in de boezem van de Jong Turken. Een Armeense staat in Oost-Anatolië zou annexatie door Rusland betekenen en het definitieve einde van het Turkse Rijk.

Mehmed Resid werd in 1874 geboren in de Russische Kaukasus. Hij groeide op in Istanbul en studeerde daar aan de Militaire Medische Academie. Zijn familie behoorde tot de Tsjerkessen, ook wel Circassiërs genoemd, moslims die verdreven waren door de Russen. Haat tegen de tsaren en tegen de christenen, die het Ottomaanse Rijk op bijna alle fronten versloegen, kreeg Mehmed Resid met de paplepel ingegoten. Hij was nog maar een jongen van zeventien toen hij met vier andere studenten van de academie in het geheim een groepje oprichtte dat het ‘lieve vaderland’ ging redden van ‘de ondergang’. Het clubje nam de naam Comité voor Eenheid en Vooruitgang aan, Ittihat ve Terakki Cemiyeti, kortweg Unionisten genoemd of Jong Turken, die in plaats van het Rijk te redden het ten slotte ten val brachten. Later werden jonge mannen als Ismaïl Enver, Ahmet Talaat, Ahmet Cemal, Bahaettin Sakir en Mehmed Nazım lid, mannen die als de hoogst verantwoordelijken worden beschouwd voor de Armeense genocide.

Sultan Abdülhamid verbande dokter Resid wegens zijn ondergrondse activiteiten naar Libië, dat nog in handen was van de Ottomanen. Tien jaar later, na de geslaagde revolutie van de Jong Turken, kon Resid terugkeren naar Istanbul. Hij gaf zijn beroep als medicus op en begon een carrière als bestuursambtenaar. Resid voerde zijn werk gedisciplineerd als een Pruisische ambtenaar uit. Dankzij de herinneringen die hij na de oorlog op papier zette, weten we een beetje van zijn drijfveren, maar over de echte vernietigingsdaden lezen we niet.

Als districtshoofd in het westen van Anatolië verdreef hij de daar al eeuwen voor de komst van de Turken wonende Grieks-orthodoxe bevolking. Ze waren volgens Resid niet loyaal aan het Rijk. Het was een voorproefje van de grote bevolkingsruil van 1923, toen de Grieks-orthodoxe bevolking naar Griekenland werd gestuurd en moslims uit Griekenland naar Turkije.

Hervormingen opgelegd door de Europese grootmachten ten bate van de christenen, met name van de Armeniërs, had de haat onder Ottomaanse moslims aangewakkerd. Ook Mehmed Resid werd steeds feller anti-Armeens. Hij maakte een snelle ontwikkeling door van Ottomaans Unionist – saamhorigheid van alle volkeren en godsdiensten in het Ottomaanse Rijk – naar Turkse nationalist: alle volkeren onderhorig aan islamitische Turken. ‘Bloedzuigers’, vond hij de Armeniërs, ‘pluimstrijkers en vleiers’.

Op 25 maart 1915 aanvaardde Resid zijn ambt als vali van de provincie Diyarbakir, net toen het Rijk midden in de zwaarste crisis tot dan toe zat. Istanbul kon elk ogenblik vallen. De speciale treinen om de junta naar Anatolië te brengen stonden al klaar. Britse en Franse schepen bombardeerden de kust van de Dardanellen en zouden een maand later die kust bestormen. Dat werd bij ons bekend als de Slag om Gallipoli. De paranoia over een Armeens-Russische samenzwering werd alleen maar erger door de opmars van de Russen richting Van. Daar was een Armeense opstand uitgebroken en Armeense revolutionairen hielden grote delen van de stad bezet. In de ogen van de Turken was het landverraad: Ottomaanse troepen die aan het front hadden moeten vechten werden in Van opgehouden door opstandelingen.

Toen hij aankwam in Diyarbakir leken alle vooroordelen van dokter Resid over een christelijke samenzwering uit te komen. Na de oorlog schreef hij in zijn Spiegelingen: ‘Grote delen van [de provincies] Van en Bitlis waren door de [Russische] vijand bezet; [Armeense] deserteurs (…) plunderden en roofden. Opstanden van Yazidi’s en Nestorianen op de grens van de provincie vereisten drastische maatregelen. De agressieve en brutale houding van de Armeniërs bracht de eer van de regering ernstig in gevaar.’ Ze pleegden, schreef Resid, ‘hoogverraad’ en ‘joegen een onafhankelijk Armenië na’. Hij geloofde dat de Armeense deserteurs geweldig goed georganiseerd waren en dat wel duizend van hen zich schuil hielden in de stad Diyarbakir. Volgens de vali ‘was er niet één Armeniër in de provincie die niet deelnam aan die nationalistische onderneming’.

Er werd inderdaad op ongekende schaal gedeserteerd, maar dat deden moslimdienstplichtigen ook. Revolutionaire Armeense bewegingen zamelden wapens in en boden op verschillende plaatsen verzet tegen de Ottomaanse autoriteiten. Er waren Armeniërs die de Russen hielpen bij hun bezetting van oostelijk Anatolië. Armeniërs moordden ook moslimdorpen uit. Dat is allemaal waar, maar het gebeurde niet op de grote schaal waarop Turken zeggen dat het plaatsvond. Christenen mochten geen wapens dragen in het Ottomaanse Rijk, maar de hen omringende Turken en Koerden wel, en die maakten daar volop gebruik van.

Voordat Resid aan het uitmoorden van Armeense burgers en boeren begon, waren alle Armeense soldaten in het Ottomaanse leger vanwege hun vermeende deloyaliteit al ontwapend. Ze werden ondergebracht in zogenaamde arbeidersbataljons. Vechten aan het front voor het Ottomaanse vaderland mochten ze niet meer; ze moesten slavenarbeid aan de wegen verrichten en werden als lastdieren gebruikt. Ondervoeding, uitputting, ziektes en blootstelling aan hitte en kou deden hun al snel de das om. De meesten echter werden met geweld om het leven gebracht door hun islamitische kameraden.

160 jonge mannen uit een arbeiders­bataljon werden naar het ‘Ravijn van de Duivel’ gebracht en doodgeknuppeld

Langs de weg van Diyarbakir naar het noordwesten werden op één dag twaalfhonderd dienstplichtigen afgeslacht. Een week later werden 160 jonge mannen uit een arbeidersbataljon naar het dicht bij de stad gelegen ‘Ravijn van de Duivel’ gebracht en daar doodgeknuppeld. Een maand later werden nog eens vijfduizend dienstplichtigen vermoord. Mannen uit weer een ander arbeidersbataljon verzetten zich tegen hun moordenaars en sloegen een gendarme met een steen dood. Ze pakten zijn geweer af en doodden nog eens twee anderen voordat ze werden overmeesterd. Het incident werd gerapporteerd aan Talaat Pasja, die nu opdracht gaf tot versneld afslachten van Armeense dienstplichtigen. Het werk aan de wegen kon wachten; eerst moesten de Armeniërs gedood worden.

Medium armenie3

‘Duizenden dienstplichtigen’, schrijft de Nederlands-Turkse historicus Ugur Üngör in zijn boek The Making of Modern Turkey, ‘werden met messen en dolken gedood om kogels te sparen.’ Een Duitse legerofficier die in die tijd door het gebied kwam, zag een heel arbeidersbataljon van enkele duizenden mannen met afgesneden kelen langs de kant van de weg liggen. Het was een vast patroon, de hele Armeense genocide door: honderden, duizenden lijken van Armeense mannen, vrouwen en kinderen achtergelaten langs de kanten van de wegen, of de rivieren afdrijvend richting Tweestromenland. Als reiziger door Oost-Anatolië kon je in 1915 niet om de massamoord heen.

Tegenwoordig is Diyarbakir de onofficiële hoofdstad van Turks Koerdistan, maar aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog bestond een derde van de stadsbevolking uit Armeniërs, de rest uit Koerden en Souriyani (Syrisch-orthodoxen). Zij waren de kooplui in de bazaar, schoenmakers, edelsmeden, timmerlieden, steenhouwers, smeden, molenaars en zijdewevers. Als gevolg van de vernietigingspolitiek van dokter Resid stortte de economie van Diyarbakir in, een achterstand die de stad pas na 2008 is gaan inhalen.

In een aantal streken van de provincie vormden Armeniërs zelfs een meerderheid. In plaatsen als Lice en Silvan spraken ze geen Armeens maar Koerdisch. Dat verbroederde niet, integendeel, in dit gewest werden ze meer dan elders uitgezogen door nomadische Koerden die hen tijdens de gure winters op het Armeense Plateau kaalvraten als een zwerm sprinkhanen, en zich hun vrouwen en dochters toe-eigenden.

Het patriarchaat in Istanbul had aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog 106.867 Armeense zielen in de provincie Diyarbakir geteld. Minder dan het aantal door Mehmed Resid afgevoerde Armeniërs. Hij zal aan zijn lijst van slachtoffers ook Armeniërs hebben toegevoegd die uit andere provincies gedeporteerd waren en op weg naar de Syrische woestijn – hun uiteindelijke bestemming – door Diyarbakir kwamen en daar onder handen werden genomen door de milities van de vali.

Kort na zijn aantreden gaf dokter Resid twee beruchte misdadigers opdracht elf bataljons van enkele honderden mannen samen te stellen. Deze militieleden waren Koerden, moslimvluchtelingen uit de Balkan en de Kaukasus, en rovers en moordenaars die speciaal voor de vervolging van Armeniërs uit de gevangenissen waren vrijgelaten. Ze stonden onder leiding van de vijftig Tsjerkessen, berucht om hun vechtlust, die dokter Resid naar Diyarbakir had meegenomen. De bataljons vielen onder de ‘Speciale Organisatie’ (SO), Teskilat-ı Mahsusa. Twee artsen, net als Resid opgeleid aan de Militaire Medische Academie van Istanbul, stonden aan het hoofd van de SO: Mehmed Nazım, vluchteling uit Saloniki, en Bahaettin Sakir, geboren in Istanbul.

Dokter Nazım was de bureaucraat van de twee en organiseerde de vernietiging van de Armeniërs vanuit het hoofdkwartier van de SO dat was gevestigd in het partijkantoor van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang in de hoofdstad. Dokter Sakir liet zich als een Heinrich Himmler aan het Oostfront in een speciale auto rondrijden door de Oost-Anatolische provincies. Hij stond met zijn voeten in het bloed van zijn Armeense slachtoffers. In de buurt van Dersim, bijvoorbeeld, was Sakir direct betrokken bij het vermoorden van vooraanstaande Armeniërs uit het noordoosten. Hij beschouwde het als zijn levensopdracht om de Armeense bevolking van het Ottomaanse Rijk uit de weg te ruimen. Net zo min als Mehmed Resid had hij daar twijfels over en ook hij vertrouwde zijn gedachten toe aan het papier. Hij wist wel, schreef hij, dat de anti-Armeense operaties ‘niet in overeenstemming zijn met de geest van nationale en humanistische principes. Of ik erin zal slagen [het gevaar dat zij vormen] uit te schakelen of niet, ik ben er zeker van dat ik te schande gezet zal worden. Ik ben me er tevens van bewust dat er in de verre toekomst mensen leven die mij dankbaar zullen zijn voor mijn offers in dienst van mijn land.’

Er is een telegram van Bahaettin Sakir bekend waarin hij aan een partijsecretaris in de provincie Harput (tegenwoordig Elazıg) ronduit spreekt van ‘liquidatie’ van Armeniërs: ‘Bent u begonnen met de liquidatie van Armeniërs die gedeporteerd zijn (…)? Roeit u de schadelijke individuen met wortel en tak uit van wie u gezegd hebt dat u ze gedeporteerd of verbannen hebt? Of vestigt u hen eenvoudigweg ergens anders? Geef me duidelijke informatie, mijn broeder.’

Gouverneur Resid deed het liquideren in zijn eigen provincie kennelijk zo grondig dat er geen klachten uit het hoofdkwartier van de SO over hem kwamen. Integendeel. Hij nam zijn vernietigingscampagne zo serieus dat hij meteen de andere christenen in zijn provincie meenam. Maar dat was niet helemaal de bedoeling. Talaat Pasja voelde zich verplicht Mehmed Resid, na klachten van de Duitse ambassadeur in Istanbul, een waarschuwing te sturen om niet te ver te gaan in zijn vernietigingsdrang. De minister in een van die telegrammen aan dokter Resid: ‘Het is absoluut onacceptabel dat de disciplinaire maatregelen en gedragslijnen ten aanzien van de Armeniërs worden toegepast op andere christenen, aangezien dit een zeer slechte indruk maakt op de publieke opinie [in Europa] en daarom moeten dit soort incidenten die vooral het leven van alle christenen bedreigen onmiddellijk worden beëindigd.’

Volgens Ugur Üngör is er slechts één conclusie te trekken uit dit telegram, namelijk dat Talaat hiermee zegt: ga door met het vernietigen van Armeniërs. Als de Duitse ambassadeur opnieuw komt klagen over christenen die als ‘lammeren worden afgeslacht’ en verzoekt om Resid te ontslaan, stuurt de pasja een telegram naar Diyarbakir met gelijke strekking: blijf van de niet-Armeense christenen af, maar liquideer de Armeniërs. Onverdroten ging de gouverneur door met het deporteren en vermoorden van christenen, Armeniër of geen Armeniër. Het derde telegram waarin Talaat zegt hem ‘verantwoordelijk te houden voor elke daad en elk incident waarbij bandieten en gewapende bendes zijn betrokken’, legt de vali naast zich neer. Resid weet dat hij niet voor zijn geestdrift gestraft zal worden.

Koerden hadden een belangrijke, zo niet de belangrijkste rol gespeeld bij de massamoorden op Armeniërs in de jaren negentig van de negentiende eeuw en hadden daarmee uitvoering gegeven aan de haatgevoelens tegen christenen van de heersende sultan, Abdülhamid (zie De Groene Amsterdammer van 8 januari 2015). In 1915 waren het de Jong Turken die Koerden de vrije hand gaven om Armeniërs massaal te verkrachten en te doden en hun meisjes en kinderen als slaven in hun huizen op te nemen of te verkopen.

‘Roeit u de schadelijke individuen met wortel en tak uit van wie u gezegd hebt dat u ze gedeporteerd hebt?’

Hoe angstaanjagend ze eruitzagen, wordt beschreven door een inwoner van Diyarbakir die Ömer, hoofdman van de Koerdische Raman-stam, op zijn paard naar het bureau van gouverneur Resid zag rijden. ‘De man was klein van stuk en had een pokdalig gezicht. Op zijn hoofd droeg hij een grote tulband waaraan veelkleurige insignes hingen zodat je kon zien dat hij een Koerdische hoofdman was. Hij had een zwarte tuniek aan (…) en rode schoenen. Hij was bewapend met een geweer, twee revolvers, een zwaard, een kromzwaard, een dolk, en was behangen met een enorme hoeveelheid kogels en patronen.’ Ömer was een beruchte bandiet die de zuidelijke streek van de provincie de twintig jaar ervoor had geterroriseerd. Hij was meermalen bij verstek ter dood veroordeeld. Nu mochten hij, de Raman, en andere Koerdische stammen hun bloeddorst laven aan Armeense burgers en boertjes.

Medium armenie4

Wat Ömer daar in het kantoor van de gouverneur van dokter Resid deed, is na te lezen in een boek dat in 2008 in het Koerdisch in Turkije is gepubliceerd door een neef van het stamhoofd. Het is een opmerkelijk openhartige familiegeschiedenis. ‘Dokter Resid zei tegen Ömer, die vergezeld was van andere leiders van de Raman: “Ik zal jullie konvooi na konvooi van Armeniërs geven. Hoeveel goud, geld, juwelen en andere waardevolle spullen ze ook bij zich hebben, wij zullen het samen delen. Jullie zetten ze op keleks (een soort vlotten van dierenhuiden en -blazenbu) en laten ze de Tigris afdrijven. Als jullie dan op een plek komen waar niemand jullie kan zien of horen, doden jullie hen en gooien de lijken in de Tigris. Snijd hun buik open en vul die met stenen zodat ze niet naar de oppervlakte komen. Alles wat ze aan goederen bij zich hebben is voor jullie. Van het goud, het geld en de juwelen kun je de helft houden, de andere helft breng je naar mij, dat is voor de Rode Halve Maan (een zelfde organisatie als het Rode Kruisbu). Maar niemand mag hier iets van weten. Als dit geheim ooit wordt onthuld dan zal dat de ondergang zijn van zowel jullie als van mij.’

Zeker niet alle Koerden hebben zich schuldig gemaakt aan massamoord, evenmin als alle Ottomaanse bestuurders. Sommige Koerdische stammen en clans boden Armeniërs een schuilplaats of hielpen hen ontkomen. Enkele burgemeesters en districtshoofden weigerden het bevel tot liquidatie van de christenen op te volgen. Zij werden op last van dokter Resid door zijn Tsjerkessen vermoord.

Het vermoorden van Armeense dienstplichtigen was volop aan de gang; duizenden leefden al niet meer. Ondertussen begon dokter Resid de christelijke elite van Diyarbakir op te pakken. Eerst de mannen: juristen, zakenlui, bankiers, architecten, ingenieurs, landeigenaren, bekende en minder bekende inwoners van de stad. Bijeengedreven in de gevangenis werden na afgrijselijke folteringen alle zestienhonderd vooraanstaande mannen afgeslacht. Daarna werden hun families afgevoerd en vervolgens de kleine burgerij en de armen. Dit was het prototype van de vervolgingen in andere steden en stadjes van Oost-Anatolië.

De arrestaties van de notabelen van Diyarbakir vonden plaats in de weken van de Opstand van Van. Van was de enige provincie met een Armeense meerderheid en de stad Van was een van de plaatsen waar de Armeense bevolking in verzet kwam tegen het inleveren van hun wapens, tegen arrestaties, folteringen en vernietigingen. Het was een vreselijke strijd tussen de Armeense inwoners die zich hadden ingegraven en de troepen van de vali van de provincie, Cevdet Pasja, een zwager van Enver Pasja, de minister van Oorlog en lid van het triumviraat van Jong Turken dat in het Rijk de macht had.

Na ruim twee weken zag Cevdet Pasja dat de Armeniërs van Van niet op de knieën waren te krijgen. Hij trok zijn troepen terug. Drie dagen later werd de stad ingenomen door het Russische leger. In Turkije is de Opstand van Van altijd gezien als voorbeeld van het grote verraad dat de Armeniërs pleegden met hulp van de Russen. Er bestaat een hele bibliotheek aan romans en films waarin het heroïsche verzet van Turken – militairen en burgers – tegen de Armeense collaborateurs in Van wordt bezongen.

In Istanbul werd in dezelfde periode, op 24 april, de Armeense culturele en politieke elite gearresteerd. Zij werd afgevoerd naar het oosten. Slechts een enkeling overleefde de deportatie. De rest werd geëxecuteerd of doodgemarteld. 24 april is een beladen datum, voor Armeniërs en voor Turken. De Armeense diaspora herdenkt dan de genocide in Anatolië. In de aanloop naar die datum laten Turkse nationalisten zich elk jaar opnieuw op de kast jagen omdat landen in het Westen dan van Turkije eisen de massamoord op de Armeniërs te erkennen als genocide. Wat Turkije altijd weer weigert te doen. Eerst moeten de Armeniërs erkennen dat zij massamoorden op Turken hebben gepleegd (Koerden worden niet genoemd, want die zijn in de officiële taal ‘Turken’). Geen van de onderzoekers van de Armeense genocide zal ontkennen dat Armeniërs wraak hebben genomen op Anatolische moslims en dat er islamitische dorpen zijn uitgemoord, maar dat was verre van genocide.

De gevangenis van Diyarbakir raakte overvol en gouverneur Resid liet de karavanserai ontruimen om plaats te maken voor gearresteerde Armeniërs. Wat de vooraanstaande Armeniërs onder de folteringen ‘toegaven’ nam Mehmed Resid voor waar aan. Dat blijkt uit zijn naoorlogse Spiegelingen. De patriciërs hadden bekend landverraders te zijn en de imperialistische Russen te hebben geholpen. ‘Bekentenissen’ die verkregen waren terwijl ze met roodgloeiende brandijzers gefolterd werden, hun vinger- en teennagels, wimpers en baarden werden uitgerukt, hun schedels met grote tangen werden bewerkt of hoefijzers onder hun blote voeten werden genageld. Soms spijkerden de bewakers hun slachtoffers met handen en voeten aan stukken hout, als een primitieve imitatie van de kruisiging. De meest favoriete foltering was de millennia oude bastonnade: het slaan op de voetzool met een rietje of zweepje. Eerst is er niet veel pijn te voelen, maar hoe langer het slaan doorgaat, hoe meer de voetzolen gaan opzwellen. Ze gaan barsten en het slachtoffer lijdt helse pijnen en kan niet meer lopen.

Voor de Armeense geestelijkheid werden nog gruwelijker folteringen bedacht. Van een Armeense protestantse predikant werden tanden en kiezen één voor één uit de mond geslagen, zijn slapen werden doorboord met roodgloeiende pinnen, zijn ogen uitgestoken. Meer dood dan levend werd hij door de moslimbuurten gesleurd, ‘begeleid door tamboerijnen en in een sfeer van collectieve joligheid’, schrijft de Frans-Armeense historicus Raymond Kevorkian in zijn monumentale werk The Armenian Genocide: A Complete History. ‘Zijn marteling liep pas ten einde op de binnenhof van de oude moskee waar in aanwezigheid van ambtenaren en religieuze leiders kokende olie, druppel voor druppel, op zijn lichaam werd gegoten en hij eindelijk bezweek.’

In de laatste dagen van mei begon dokter Resid met de grote deportaties. Een eerste groep van 807 notabelen werd verteld dat ze op keleks de Tigris zouden afzakken, naar Mosul, om daar het einde van de oorlog af te wachten. Ze hadden brieven moeten schrijven aan hun gezinnen waarin ze vroegen om geld en goud en huisraad voor hun nieuwe leven in Mesopotamië. Al die kostbaarheden werden hun een uur na vertrek afgenomen door Ömer en zijn mannen. Die hadden een bloedfeest. Daar waar de rivier zich door een nauwe kloof wringt, dwongen ze de Armeniërs aan de kant en sneden hun hals door. Hun lijken werden in de Tigris gegooid en wie in het water nog leefde werd vanaf de steile oevers doodgeschoten door de SO.

Zo ging het week na week, vlotten vol Armeniërs die het Raman-gebied binnendreven en beroofd en vermoord werden.

Bewakers spijkerden hun slachtoffers met handen en voeten aan stukken hout, als een imitatie van de kruisiging

Talaat had voorgesteld als een grote bezem te werk te gaan en met het etnisch zuiveren te beginnen in de noordoostelijke provincie Erzurum, en verder naar het zuiden en het westen te werken totdat er geen Armeniër meer in Anatolië leefde. Tegelijk gaf hij het leger opdracht moslims die de christenen te hulp kwamen voor hun huis op te hangen en in brand te steken.

Nadat de Armeense gemeenschappen van hun leiders waren ontdaan, werden de eenvoudige burgers en ambachtslui, de boertjes, landarbeiders en herders vermoord. Hier is een voorbeeld van hoe dat er in de praktijk aan toe ging: op 1 juli vielen Koerden en SO-milities van Mehmed Resid het christelijke dorp Tell Ermen binnen, in het district Mardin, ten zuiden van Diyarbakir. Ze omsingelden de kerk waar doodsbange dorpsbewoners hun toevlucht hadden gezocht. Mannen, vrouwen – het maakte niet uit – werden onthoofd. Sommige slachtoffers werden gevierendeeld. Anderen werden met bijlen in stukken gehakt. Een meisje dat van onder een berg lichamen te voorschijn kroop, werd de hersentjes ingeslagen toen ze weigerde zich tot de islam te bekeren. Een groep van zeventig meisjes en vrouwen werd, voordat ze aan het zwaard werden geregen, verkracht. Koerdische vrouwen maakten met hun dolken de christenen die nog leefden af. Het is niet veel anders dan wat IS momenteel doet in Syrië en Irak met niet-soennitische slachtoffers: de mannen worden gedood, de vrouwen en kinderen verkracht en/of verkocht of gehouden als huis- of seksslaaf.

Een week na de slachtpartij in Tell Ermen sprak een Duitse majoor een paar mannen van de militie. Zij hadden hem ‘stralend van vreugde verteld over het bloedbad’.

De dag na de massamoord in Tell Ermen werd het nabijgelegen dorp Eqsor onder handen genomen. Daar woonden Souriyani. SO-milities, verschillende Koerdische stammen en Arabieren drongen het dorp binnen en slachtten de gehele bevolking af. Ze gooiden kinderen van de daken of sloegen ze dood met bijlen. Een groot aantal mensen had hun toevlucht gezocht in het huis van het dorpshoofd. Het huis werd in brand gestoken met alle mensen erin. Vervolgens ging de rest van het dorp in brand; de vuurzee was vanuit Mardin te zien. Overlevende vrouwen werden verkracht, tientallen andere vrouwen en meisjes werden door de daders meegenomen.

Zo ging het overal in de provincie Diyarbakir.

Overlevenden, onder wie nauwelijks jonge of sterke mannen, uit dorpen en steden werden op transport gesteld naar Deir ez-Zor (in het huidige Syrië). Lang niet altijd kwamen ze daar aan. Een konvooi alleen bestaande uit zeshonderd vrouwen en kinderen die via de weg naar het zuiden werden gejaagd, kwam bij Mardin door het gebied van de Koerdische Kiki-stam. De Kiki’s namen de mooiste meisjes en vrouwen mee; de rest maakten ze af met bijlen en zwaarden.

Anderen die Deir ez-Zor wel bereikten waren totaal uitgeput en moesten maar zien hoe ze aan onderdak, eten en drinken kwamen. Volgende generaties slaagden erin daar het Armeense leven weer te organiseren. Ze bouwden een kerk en verzamelden de beenderen van Armeniërs uit massagraven. Vorig jaar november verwoestte Jabhat al-Nusra de kerk. Korte tijd later verdreef IS al-Nusra uit Deir ez-Zor. Wat er met de christenen in de woestijnstad is gebeurd, is niet bekend. Waarschijnlijk zijn ze gevlucht naar de delen van het district die in handen zijn van het Syrische regime van Bashar al-Assad. Of ze zijn in handen gevallen van IS.

Het nieuws van de bloedbaden sijpelde door naar Istanbul en van Istanbul naar de hoofdsteden van Europa. Europese regeringen namen het op voor de Armeniërs en de andere vervolgde christenen. In een gezamenlijke verklaring lieten de geallieerden weten dat zij na de oorlog de leden van de Ottomaanse regering persoonlijk verantwoordelijk zouden houden voor ‘de misdaden van Turkije tegen de menselijkheid en de beschaving, en voor de massamoorden’.

Medium armenie1

De Verenigde Staten waren toen nog neutraal in de wereldoorlog en voerden hun eigen demarches uit. Ambassadeur Henry Morgenthau beschreef in zijn na de oorlog gepubliceerde persoonlijke verslag van zijn jaren in Istanbul hoe hij Talaat Pasja aansprak over de Armeense deportaties. Ze hadden de kwestie onderling diepgaand besproken, antwoordde de minister van Binnenlandse Zaken, en ze waren tot een besluit gekomen en daar zouden ze zich aan houden. ‘Toen ik zei dat de wereld hen zou verdoemen, antwoordde hij dat ze wisten hoe ze zichzelf moesten verdedigen.’ Met andere woorden, aldus de Amerikaanse gezant, ‘het kon hem geen donder schelen’.

Ook bondgenoot Duitsland tekende protest aan tegen de vervolgingen van christenen. De Duitse consul in Mosul had lijken en lege keleks op de Tigris gezien. In een rapport aan zijn ambassadeur in Istanbul noemde hij vali Resid ‘een bloedhond’. Ook uit andere bronnen bereikten de Duitse ambassade berichten over de massaslachtingen. De Duitse ambassadeur deed zijn beklag bij Talaat Pasja over Resid die, zo schreef hij, ‘onlangs zevenhonderd christenen uit Mardin naar een plek buiten de stad had gedreven en hen had afgeslacht als lammeren’. De Duitser drong aan op onmiddellijke stopzetting, want als er op deze manier verder werd gemoord zouden alle muzelmannen dat zien als een vrijbrief om alle christenen te vermoorden. Hij eiste het ontslag van dokter Resid.

Talaat Pasja antwoordde ‘dat de Porte (de Ottomaanse regeringbu) de wereldoorlog wil gebruiken om radicaal af te rekenen met de binnenlandse vijanden zonder lastiggevallen te worden door buitenlandse interventies’. De enige actie die Talaat na het onderhoud met de ambassadeur ondernam, was het versturen van de eerder genoemde telegrammen naar zijn ondergeschikte, de vali van Diyarbakir, om hem te manen alleen Armeniërs aan te pakken. Maar de gouverneur ging gewoon door met het uitroeien van alle christenen in zijn provincie.

Naast de vermoorde vrouw lag een kind van een jaar of acht, het gezicht gekliefd met een bijl

Als gevolg van Resids christofobe beleid stierven in Diyarbakir zeventigduizend Souriyani. Zij herdenken hun eigen genocide onder de handen van de Jong Turken.

Een belangrijke getuige van de gruwelen die dokter Resid liet aanrichten was de Arabische nationalist Faiz el-Ghusein. Hij was als tegenstander van de Turken opgepakt door Cemal Pasja, die hij de Beul van Syrië noemde, en in ketens op transport gesteld naar het noorden, tegen de stroom van de Armeense gedeporteerden in. In de gevangenis en later tijdens zijn huisarrest in Diyarbakir nam el-Ghusein goede notie van de afschuwwekkende vervolgingen van christenen. Als jonge man was hij districtsbestuurder geweest in de provincie Harput (nu Elazıg), waar in zijn tijd veel Armeniërs woonden, en hij was dus vertrouwd met dit oude volk. Hij sprak en schreef Turks. Ook was el-Ghusein lid van het Ottomaanse parlement in Istanbul. Tot zijn verbanning werkte hij als advocaat in Damascus. Onderweg naar Diyarbakir kwam hij karavanen tegen van gedeporteerde Armeniërs, karavanen die hoofdzakelijk uit vrouwen en kinderen bestonden. De mannen waren al de hals afgesneden of met een bijl de hersens ingeslagen of onthoofd.

De eerste Armeense gedeporteerden die el-Ghusein tegenkwam, was een groep vrouwen uit Erzurum die er ‘jammerlijk aan toe waren’, schreef hij in zijn boek Martyred Armenia, dat al in 1916, kort na zijn vlucht uit Diyarbakir, in India verscheen. El-Ghusein heeft niets dan minachting voor de gendarmes die de vrouwen begeleidden. Die wilden hun pas zeggen waar ze water konden vinden als ze eerst betaald waren. Onderweg zag el-Ghusein pasgeboren baby’s en peuters die waren achtergelaten door hun moeders. Alle vrouwen hadden te maken met seksueel geweld. De verkrachtingen waren zo grof dat vrouwen eraan bezweken. Veel vrouwen, schrijft el-Ghusein, ‘sloegen liever de hand aan zichzelf dan hun kuisheid op te offeren aan deze razende wolven’.

Verderop zag hij van honger en dorst uitgeputte Armeense vrouwen en kinderen die op blote voeten naar hun eindbestemming in de woestijn moesten lopen, omgeven door gendarmes. Steeds als een van hen achterop raakte, sloeg een gendarme haar met de kolf van zijn geweer tegen de grond, tot ze van angst weer opstond en zich aansloot bij haar lotgenoten. Als er eentje niet meer overeind kon komen, maakte de gendarme met een kogel een einde aan haar leven.

Voorbij Urfa (tegenwoordig Sanlıurfa), bij het zien van een voorover liggende, half ontklede vrouw, haar hemd gescheurd en rood van het bloed, vier kogelwonden in haar borst, kon Faiz el-Ghusein zich niet langer beheersen en moest hij ‘bitter huilen’. Naast haar lag een kind van een jaar of acht, het gezicht gekliefd met een bijl.

Een volgend tragisch geval dat Faiz el-Ghusein tegenkwam: een moeder helemaal uit Erzurum gelopen, lag kreunend van pijn en honger aan de kant van de weg. Overal om haar heen lagen dode vrouwen. Ze kon de Arabische advocaat duidelijk maken dat ze niet alleen door Koerdische mannen, maar ook door Koerdische vrouwen was beroofd. Die trokken haar de vodden van het lijf. Over een dode vrouw die bij haar in de buurt lag vertelde ze dat zij geweigerd had zich over te geven aan de lusten van de Koerden. Waarop die haar zoontje doodden, maar nog had ze niet toegegeven. Uit razernij vermoordden ze daarop ook haar.

Bij de stadsmuren van Diyarbakir moest het konvooi waarin el-Ghusein werd vervoerd zich een weg banen door de grote aantallen lijken op de weg.

Faiz el-Ghusein was nog in Diyarbakir toen de laatste Armeense familie van de stad op transport werd gesteld. Dat was in november 1915. Het betekent dat dokter Resid er in acht maanden tijd in geslaagd was de Armeense en een groot deel van de niet-Armeense christelijke bevolking van de stad Diyarbakir uit te roeien.

Tijdens zijn huisarrest kon de Arabische nationalist spreken met wie hij wilde. Een Turkse legerofficier vertelde hem hoe hij samen met zijn kameraden in de provincie Bitlis Armeniërs had opgesloten in een hooischuur. Ze stapelden bundels stro voor de deuren en staken die in brand. Iedereen in de schuur verbrandde levend. De officier had meer schuren met daarin christenen in brand gestoken dan hij kon tellen. Soms verlangden ze naar variatie en dan schoten ze Armeniërs dood of maakten hen met messen af.

Van een andere informant hoorde el-Ghusein dat Armeniërs levend in putten waren gegooid of in grotten waar ze elkaar verdrukten en stikten onder het gewicht van de anderen. Hij hoorde hoe Koerden de buik van hun slachtoffers opensneden. Precies zoals vali Resid het bevolen had. Ze deden het niet om er keien in te stoppen, maar om te kijken of de Armeniërs sieraden en goud hadden ingeslikt of in hun anus verstopt.

Met afgrijzen beschrijft Faiz el-Ghusein de roof en de levendige handel in vrouwen en meisjes. Zo vertelt hij het verhaal van de ondergouverneur van het district Deir ez-Zor. Deze ambtenaar zag tussen de in lappen gehulde arme sloebers een meisje dat hem aanstond. Toen ze bevend van angst voor hem stond, vroeg hij wat haar bang maakte. Ze was getuige geweest, zo bleek, van de onbeschrijfelijke foltering van haar moeder. Een gendarme die hen had begeleid had van haar moeder geld geëist. Dat had ze niet, zei de moeder. En toen had hij haar gemarteld tot ze haar laatste geldstukken gaf. Hij schold: ‘Jij leugenaar. Jullie Armeniërs liegen alleen maar. Je hebt wel gezien wat er met Armeniërs gebeurt maar je wilt niet luisteren en daarom zal ik je ten voorbeeld stellen en iedereen zal het zien.’ Vervolgens hakte hij haar handen af, één voor één, daarna haar voeten en dat alles voor de ogen van haar dochter. Terwijl haar moeder lag te sterven, vergreep hij zich aan het meisje dat vervolgens werd uitgekozen door de vice-gouverneur.

Honderden, wellicht duizenden Armeense vrouwen en kinderen, en soms ook mannen, bekeerden zich tot de islam in de hoop gespaard te worden. Dokter Resid trok zich daar niets van aan, schrijft el-Ghusein. Voor hem was het: eens een christen altijd een christen en dus niet loyaal aan het vaderland. De hoogste islamitische geestelijken in Diyarbakir spraken hem erop aan. Het was moslims verboden andere moslims te doden, zeiden ze. Resid antwoordde: ‘Die vrouwen zijn serpenten en zullen ons bijten als ze de kans schoon zien. Bemoei je niet met wat de regering hierover heeft gezegd, want politiek kent geen religie en de regering weet wat ze doet.’

Zijn baas, Talaat Pasja, had aanvankelijk alle vali’s opgedragen nieuwe moslims te sparen, maar herriep dat telegram een paar weken later. Het deporteren en vermoorden van Armeniërs ging zonder oponthoud door.

Mehmed Reşid werd kort na de wapenstilstand van oktober 1918 gearresteerd en moest voor het speciale tribunaal voor oorlogsmisdadigers verschijnen. In de gevangenis werkte hij aan zijn Spiegelingen. Hij ontkende dat wat hij in Diyarbakir had gedaan misdaden waren. Na een paar maanden wist hij te ontsnappen. Toen hij opnieuw werd aangehouden pleegde hij zelfmoord. Zo ontliep hij zijn straf voor de massamoord op de christelijke bevolking van de provincie Diyarbakir waarover hij als een bloedvorst had geheerst.


Dit is deel 2 van Betsy Udinks drieluik over de Armeense genocide. Het eerste deel verscheen in De Groene Amsterdammer van 8 januari


Beeld: (1) Gedeporteerde Armeense moeder met haar dode kind in de woestijn nabij Aleppo (Near East Relief / George Grantham Bain Collection (Library of Congress)) (2) Mehmed Resid. (3) Oude Franse kaart van de situatie in april 1915. (4) Armeense burgers worden door gewapende Ottomaanse soldaten naar een gevangenis in mezireh (tegenwoordig Elazıg) gevoerd, april 1915 (AP / HH)