Comazuipen loopt uit de hand

‘Vooral de jongere meisjes vallen snel om’

Het aantal jonge ‘comazuipers’ is het laatste decennium exponentieel toegenomen. Ouders zouden hun kinderen domweg moeten verbieden te drinken tot hun achttiende. En de overheid moet ophouden de drankindustrie te ontzien.

Medium sillhouette 1209564 960 720

Die vrijdagavond 10 februari had het Wassenaarse Adelbert College ‘pech’, zoals de schoolleiding het later zou noemen. Op een schoolfeest voor de onderbouw zakte een dertienjarig meisje op de dansvloer in elkaar, ze had veel te veel gedronken. Laat nou net minister Schippers van Volksgezondheid op de te hulp gesnelde Haagse ambulance zitten, bij wijze van werkbezoek. De aanwezigheid van de minister maakte dat een en ander breed in de pers werd uitgemeten.

Diezelfde schoolleiding sprak van ‘een incident’, maar dat was het juist niet. ‘Het is helaas maar al te vaak de realiteit’, zegt Mireille de Visser, kinderpsychologe bij de alcoholpoli van het Reinier de Graaf Ziekenhuis in Delft, samen met kinderarts Nico van der Lely van dezelfde poli auteur van het boek Alcohol en onze kinderen. Voor de goede orde: schoolfeesten op het Adelbert zijn sinds 2009 alcoholvrij maar leerlingen, zoals dit dertienjarige meisje, ondergraven die politiek door thuis stevig ‘in te drinken’. Waar scholen zich weer tegen wapenen met alcoholcontroles aan de poort, vaak zelfs met blaastesten. Dat systeem is uiteraard niet waterdicht als alleen steekproefsgewijs wordt gecontroleerd – zoals die avond op het Adelbert. De motoriek van kinderen verraadt ook niet altijd dat ze dronken zijn. Anders dan volwassenen gaan ze niet zwalken maar blijven keurig in een rechte lijn lopen; vaak merk je pas hoe ver heen ze zijn als ze plotseling ‘omvallen’. Trouwens, zelf voelen ze ook niet dat ze aan hun taks zitten.

Evenmin kun je het nog een ‘incident’ noemen dat dit een meisje van dertien overkomt. Met de Duitse en de Deense jongeren van twaalf tot achttien delen de Nederlandse de twijfelachtige eer het meest per keer te drinken. Op de Oostenrijkse jongeren na drinken de Nederlandse ook het vaakst, zo blijkt uit onderzoek uit 2007; een kwart van de Nederlandse vijftien- en zestienjarigen had in de maand voorafgaand aan de meting bij meer dan tien gelegenheden alcohol gedronken. Het aantal kinderen tussen de twaalf en achttien jaar dat met een alcoholvergiftiging in het ziekenhuis belandt is het afgelopen decennium exponentieel gestegen: begin van deze eeuw was het er één per twee jaar, in 2005 waren het er acht, in 2007 driehonderd, en in 2010 bijna zevenhonderd. Ze liggen ook steeds langer in coma, inmiddels drie uur. Gemiddeld is de comazuipende puber 15,6 jaar, en twaalf- tot en met veertienjarigen vormen maar liefst twintig procent van de hele groep. De helft zijn meisjes: die hebben sinds een paar jaar een ‘inhaalslag’ gemaakt.

Er is één lichtpuntje: de groep twaalf- tot en met veertienjarige drinkers is in het laatste decennium afgenomen met ongeveer twintig procent. De Amsterdamse ggd-medewerker gezondheidsbevordering Wilco Schilthuis is geneigd dat toe te schrijven aan ‘het resultaat van de brede maatschappelijke discussie over dit onderwerp. Er is een cultuuromslag gaande, steeds meer ouders zeggen: geen alcohol tot je zestiende. Nu staan we voor de uitdaging de groep vijftien- tot achttienjarigen aan te pakken, waarvan de helft te veel blijft drinken.’

Het is inmiddels wel duidelijk dat dat niet gaat lukken met louter voorlichting op scholen, en campagnes à la ‘geen zestien, geen druppel’. Er zijn ook wel gemeenten die een betrekkelijk actief anti-alcoholbeleid voeren, zoals West-Friesland, waar de kroegen nu om middernacht moeten sluiten; of vakantie-eiland Vlieland, waar men stopt met de ‘happy hours’; Nijkerk, waar alle scholen inmiddels alcoholvrij zijn, of Barneveld, dat alcoholreclames langs het sportveld verbiedt. In de provincie Zeeland krijgen alle ouders van pubers gratis het boek Alcohol en onze kinderen. Stuk voor stuk prima initiatieven, maar het is lang niet genoeg. Het heeft ook weinig zin en het is praktisch onhaalbaar de comazuipende kinderen voor hun opname in het ziekenhuis te laten betalen, zoals vorige week werd geopperd. Die kinderen zijn ook maar het topje van de ijsberg, het probleem is veel groter en kan alleen worden opgelost als drie partijen de handen ineenslaan: de samenleving, ouders en de politiek. Alledrie laten nu steken liggen, wat ten koste gaat van kinderen.

Veel ouders lijken nog niet goed te beseffen hoe schadelijk alcohol juist voor kinderen kan zijn, vooral voor hun hersenen, die nog volop in ontwikkeling zijn. Ze weten niet dat regelmatig drinkende pubers er tien tot vijftien procent in IQ op achteruit kunnen gaan en een vier keer zo grote kans lopen op latere leeftijd aan alcohol verslaafd te raken. Dat veel drinken ook de neurochemie van pubers kan verstoren, met depressies, woedeaanvallen en persoonlijkheidsproblematiek tot gevolg. Of dat teenage bingedrinking (vijf of meer glazen per keer) de ontwikkeling van de prefrontale cortex verstoort, het deel van de hersenen waaraan volwassenen het vermogen danken zich aan te passen aan de omgeving en weloverwogen beslissingen te nemen. Het zegt ook wel iets dat de gemiddelde leeftijd van de korsakovpatiënt de afgelopen twintig jaar is gedaald van zestig naar veertig.

Jongeren drinken te veel, op te jonge leeftijd, omdat hun ouders het niet verbieden. Maar onze samenleving draagt ook schuld: alcohol is in onze cultuur even alomtegenwoordig als gewoon geworden. Overal moet alcohol bij, van het kleinste feestje tot het grootste sportevenement (‘Heineken House’). Verder is het voor jongeren – en hier is de politiek verantwoordelijk voor - geen enkel probleem om aan drank te komen, want die wordt verkocht in iedere supermarkt, waar een rijk aanbod aan zoete breezer-achtige drankjes de schappen vult, speciaal bedoeld voor jonge meisjes. Officieel moet je weliswaar zestien zijn om drank te kunnen kopen, maar bij welke kassa wordt de leeftijd gecontroleerd? En anders is er altijd wel een behulpzame vriend die wél zestien is. Met een Albert Heijn op praktisch iedere straathoek verwondert het dan ook niet dat één op de vijf pubers onder schooltijd drinkt. Drankreclame op tv mag sinds twee jaar niet meer vóór negen uur ’s avonds, maar het aanbod direct na negenen is meteen na die maatregel verdriedubbeld en de industrie heeft haar weg ook gevonden naar de sociale media. Zo sloot Heineken onlangs een contract met Facebook.

Ondertussen werkt de jeugdcultuur ook niet echt lekker mee. Jongeren vinden het leuk om elkaar out te zien gaan. Wie op een feestje zichzelf onderkotst en door z’n benen zakt, hoeft niet op medelijden van zijn leeftijdgenoten te rekenen: het feest gaat gewoon door, zelfs als de ambulance de comazuiper komt ophalen. Een hoogopgeleide moeder van twee zoons zegt: ‘Ze zitten er gewoon op te wachten. Mijn oudste vertelde laatst: “Nou, dan loop je een beetje rond in zo’n huis, en dan zie je sommigen al half op hun stoel hangen of voor zich uit zitten staren.”’ Kijk, dan gaat het de goede kant op. Op zo’n moment ingrijpen is spelbederf. De moeder: ‘Mijn zoon zegt lachend: als je groot genoeg bent om te drinken, moet je ook voor jezelf kunnen zorgen. Maar als het echt misgaat helpt-ie wel. Hij heeft al een paar keer de wacht gehouden bij een meisje dat out was gegaan. Vooral de jongere meisjes, zegt hij, vallen snel om.’

En het gebeurt doorgaans buiten het zicht van ouders, want hun zestienjarige kind wil niet dat ze toezicht houden bij een feestje, terwijl ze er wel voor mogen zorgen dat er genoeg kratten bier voorradig zijn. De flessen sterke drank nemen de kinderen zelf mee. ‘In Nederland is de emancipatie van het kind erg doorgeschoten’, zegt sociologe Greetje Timmerman, hoogleraar jeugd als sociaal verschijnsel aan de Rijksuniversiteit Groningen. ‘We leggen sterk de nadruk op zelfstandigheid, zo vroeg mogelijk dingen zelf leren doen en regelen. Maar vaak is het een excuus om niet in te hoeven grijpen. Dat is nog een groot taboe, ingrijpen in de leefwereld van de jongere. Hooguit maak je ruzie over hoe laat ze thuis moeten zijn. Er wordt te veel aan het kind zelf overgelaten.’

Hoe gewoon en geaccepteerd drank in onze samenleving is wordt mooi geïllustreerd op een donderdagmiddag op de alcoholpoli in Delft, waar kinderarts Nico van der Lely de zestienjarige Simon voorlicht over de risico’s van alcoholmisbruik. Simon, een vmbo-leerling uit het Westland, werd een maand eerder door ambulancepersoneel voor een bekend Haags etablissement van de stoep opgeraapt met een promillage van 2,3 in zijn bloed. Zijn ouders zitten erbij, en voelen op zeker moment de behoefte te verklaren dat ze niet goed begrijpen waar hun zoon het vandaan heeft. ‘Thuis drinken we niet, alleen een wijntje bij het eten.’ Het is een typerend en veelzeggend zinnetje. Een wijntje bij het eten zien veel ouders niet als drinken. Het verbaast dan niet meer dat 75 procent van de kinderen thuis het eerste glas krijgt aangeboden en van de ouders ‘leert drinken’.

Voorlichting, bijvoorbeeld op scholen, is een belangrijk middel gebleken om alcoholmisbruik door jongeren tegen te gaan, maar werkt alleen als óók de ouders daarbij actief betrokken worden. Hoe lastig dat nog is, blijkt op een maandagavond op het Amsterdamse Barleus Gymnasium, waar theatergezelschap PlayBack in de aula speciaal voor enkele tientallen ouders de interactieve voorstelling Onder invloed speelt: vijf korte, pakkende en herkenbare scènes over conflicten tussen ouders en kinderen omtrent drank of drugs. In een van de scènes komt een vader zijn veertienjarige dochter van een feestje ophalen. Als de dochter in de auto stapt, ruikt vader onmiddellijk dat ze heeft gedronken. Wat nu te doen? Hoe het gesprek aan te gaan? Iemand in de zaal?

‘Nou’, begint een vader, ‘ik zou…’

‘Kom maar hier’, nodigt een van de actrices de man onmiddellijk uit, ‘ga maar op de stoel van de vader zitten.’

De Barleus-vader wil de kinderachtigste niet zijn. ‘Ha’, zegt hij als zijn dochter naast hem ‘in de auto’ komt zitten, ‘hoe was het feest?’

‘Leuk hoor.’

‘Was iedereen d’r?’

Rare vraag, zie je dochter denken. ‘Ja…’, zegt ze, ‘tenminste, dat denk ik wel.’

‘En heb je nog lekker gedanst?’

‘Jahaaa. Rij nou maar.’

‘Enne, heb je je aan onze afspraak gehouden, ging dat goed?’

Geïrriteerd: ‘Jahaa.’

‘Ja, ik bedoel…’

‘Hallo! Ik zit nog niet in de auto en je begint al weer over afspraken!’

Daar heeft de vader niet zo snel een antwoord op, en het publiek begint te lachen.

In de discussie die nu losbarst blijken de ouders het moeilijk te vinden én de relatie met hun kinderen goed te houden én te voorkomen dat ze brokken gaan maken. Verbazingwekkend weinig ouders blijken iets tegen drank voor kinderen te hebben, mits met mate, en liever niet voor hun zestiende. Een moeder: ‘Ik denk dat als ze zestien worden en een feestje geven, dat ze het leuk vinden met alcohol erbij, zoals wij dat ook leuk vinden.’ Een vader voegt eraan toe: ‘Mijn ervaring is dat drank op die leeftijd gewoon wordt meegenomen, dus het zal sowieso op feesten aanwezig zijn.’

De onwetendheid, de schroom én de machteloosheid die hieruit spreken, kent psychologe Mireille de Visser goed uit de praktijk van de alcoholpoli. Ze vindt dan ook dat ouders strenger moeten zijn en geeft het voorbeeld van een vijftienjarig meisje uit haar eigen praktijk: ‘De moeder had haar meegenomen naar een feest. Mama, mag ik ook een biertje? Nee, dat mocht niet van moeder. Een half uur later ziet moeder haar dochter toch met een biertje. Ja, zei die moeder, dan pak je dat ook niet uit haar handen. Ik zei tegen haar: als je dat nou goed had willen aanpakken, dan had je dat glas wél gepakt, de drank weggegooid, ben je nou helemaal gek geworden, dit is niet de afspraak, en was je meteen naar huis gegaan. Dat is duidelijkheid, dan stel je een grens.’

De Visser is van mening dat ouders de leeftijd waarop ze hun kinderen toestaan te drinken op moeten trekken naar achttien. Uit onderzoek van de laatste jaren blijkt dat ouders hun eigen macht en invloed onderschatten: kinderen vinden hun vader en moeder bijvoorbeeld niet zo streng als die zichzelf vinden. Daarnaast hebben duidelijke regels en grenzen, zoals drank verbieden, wel degelijk effect, blijkt ook uit onderzoek, mits ouders de regel stellen voordat het kind begint te drinken, en ook consequent handhaven. De Visser: ‘Het is toch gewoon je ouderlijke plicht ervoor te zorgen dat je kind zich goed ontwikkelt? En kan dat als je een zestienjarige toestaat zich in het weekend lam te zuipen en het ritme van dag en nacht te verwisselen? Ouders denken vaak: ik moet het wel toestaan want anders isoleer ik mijn kind. Dan vraag ik: wil je je kind nou leren dat het belangrijk is om wie het ís, of omdat het stoer meedrinkt en het goede kledingmerk draagt?’

Met lede ogen ziet De Visser aan dat kinderen worden gepamperd tot ver in de volwassenheid: ‘Ouders doen veel met ze en brengen ze overal naartoe. Veel kinderen wonen in het spreekwoordelijke hotel, ze krijgen heel veel en hoeven er nauwelijks iets voor terug te doen. Als ik pubers vraag: wat zijn je taken in huis, dan zeggen ze negen van de tien keer: die heb ik niet echt. Of: ik dek wel eens de tafel. Dat slaat natuurlijk nergens op. Dan bereid je kinderen niet voor op de volwassenheid.’

Dat doe je evenmin, vindt De Visser, door ze een veel te grote vrijheid te geven: ‘Pubers kunnen die vrijheid vaak nog niet aan, want ze hebben een puberbrein en dat gaat voor de ogenblikkelijke beloning. Ik vind het onverantwoord dat vijftienjarigen midden in de nacht nog op straat lopen en slapen bij mensen met wie de ouders nooit hebben kennisgemaakt. Kinderen hebben natuurlijk allemaal een mobiel, die krijgen ze ook belachelijk vroeg, en ouders denken dan: mijn kinderen zijn veilig, want bereikbaar. Maar als je ergens staat te hangen, en je staat daar te drinken en misschien te blowen, dan ga je echt niet opnemen als je moeder belt. Die mobiele navelstreng creëert een schijnveiligheid.’

Niet alleen moeten ouders meer doen, dat geldt zeker ook voor de politiek. Volgens kinderarts Nico van der Lely van de alcoholpoli in Delft weet men in Den Haag van de hoed en de rand: ‘Ze kennen mijn verhaal, iedereen is langs geweest.’ Je vraagt je af waarom de overheid hier dan zo nadrukkelijk in gebreke blijft en nog altijd toestaat dat zestienjarige pubers zich laten vollopen in een bar om vervolgens van straat te moeten worden opgeraapt, zoals Simon, of een dozijn breezers kunnen inslaan bij AH om thuis in te drinken voor een alcoholvrij schoolfeest. In de nieuwe Drank- en Horecawet, die al maandenlang op goedkeuring van de Eerste Kamer wacht, blijft die minimumleeftijd van zestien ongewijzigd: voor het optrekken van die leeftijd naar achttien is geen Kamermeerderheid. Zo vindt de PvdA, die hierin een spilfunctie vervult, dat de wet eerst maar eens gehandhaafd moet worden: het is nog te gemakkelijk voor vijftienjarigen om drank te kopen. Al is dat waar, het blijft een merkwaardig argument, aangezien het voor vijftienjarigen toch moeilijker zou worden aan drank te komen als de minimumleeftijd achttien werd. Bovendien, zegt Mireille de Visser, ‘zou de overheid ouders daarmee echt een steun in de rug geven, én een schop onder hun kont’.

Voor Wim van Dalen, directeur van het Nederlands Instituut voor Alcoholbeleid (stap), heeft ook de politiek zo’n ‘schop onder z’n kont’ nodig. Die moet de drankindustrie veel harder aanpakken: ‘Direct beïnvloedbaar door de overheid zijn zaken als de grote beschikbaarheid van drank, het ruime kind-aantrekkelijke aanbod in supermarkten, de lage prijzen en de alomtegenwoordige reclame en sponsoring.’ Volgens Van Dalen wordt de bal te gemakkelijk doorgespeeld naar de ouders: ‘Als kinderen eenmaal drinken hebben ouders niet veel invloed meer, dat is bekend uit talloze onderzoeken. Dus moet je je richten op de drankindustrie en de supermarkten, maar men blijft die maar ontzien. Minister Schippers hamert nu op het weerbaarder maken van kinderen tegen de invloed van alcoholreclames. Ze zegt niet te geloven in een reclameverbod, terwijl onderzoek juist uitwijst dat een dergelijk verbod effectief is, net als bij tabak. Daarmee plaatst het kabinet economische belangen boven volksgezondheid.’

De naam Simon is gefingeerd