Gijs IJlander

Voorbeeldige kneuterigheid

De nieuwste roman van Gijs IJlander gaat over een dorpsdrama. Weer betreedt hij het schemergebied tussen weten en fantaseren.

Gijs IJlander, De aanstoot. Uitg. L.J. Veen, 207 blz., ƒ34,90

De mooiste vrouwenborsten zijn de borsten die de meeste melk geven, vond Picasso. In Nederland kon hij zijn lol op met de plompe «melkmeisjes» die hij in de zomer van 1905 vanuit zijn tijdelijke onderkomen in Schoorldam aan zich voorbij zag trekken. Minstens eentje wist hij te bewegen voor hem te poseren. Naakt, met slechts een wit gesteven kapje op het hoofd. Het resultaat, een portret getiteld La belle Hollandaise, siert de omslag van de nieuwe roman van Gijs IJlander, De aanstoot. Zonder dat er enige directe verwijzing is naar het curieuze, historische feit dat aan het begin van de vorige eeuw een wereldberoemd schilder neerstreek in een onooglijk dorpje in West-Friesland, is de ontstaansgeschiedenis van «La belle Hollandaise» het onderwerp van IJlanders roman. In Picasso’s biografie is zijn zomer in Holland niet meer dan een voetnoot. In De aanstoot speelt de historische werkelijkheid geen expliciete rol. Maar het feit dat het schilderij echt bestaat, geeft de roman een toegevoegde waarde. Het universele thema van de verstorende komst van de buitenstaander in een besloten gemeenschap, heeft dankzij dit gegeven een zowel onontkoombare als speelse invulling gekregen. Het doet er niet toe of het zo was als IJlander het beschrijft, maar het h ád zo kunnen zijn. Paulo heet de schilder in De aanstoot die tijdelijk het huis van de dokter in het Noord-Hollandse dorpje Koedijk betrekt. De dochter van de smid, Neel, die naar de dwingende dorpse maatstaven niet helemaal goed bij haar hoofd is, wordt zijn hulp in de huishouding. Met handen en voeten weet de schilder haar al gauw duidelijk te maken dat hij haar wil schilderen, en liever niet in haar zondagse blauwe jurk. «Niel», zoals de schilder haar noemt, gaat overstag. «Ze voelde zijn blikken over haar lichaam gaan, als een penseel over een schilderij, de verwarring gleed van haar af: een kledingstuk dat aan haar voeten bleef liggen. Waar had zij zich in hemelsnaam druk om gemaakt? Hij vond haar mooi zoals ze was.» Maar wat ruist daar in het struikgewas? De nieuwsgierige postbode, bron van vele roddels, neemt alles van een afstandje waar en brengt onder andere de vader van Neel op de hoogte. Deze schrikt er niet voor terug om eigenhandig enkele van Paulo’s panelen op de knie ën in tweeën te breken. Gelukkig was Neel zo voorziend geweest om het echt aanstootgevende portret in veiligheid te brengen. Dit schilderij duikt weer op in de handen van het personage dat in feite de hoofdrol speelt in de roman, schipper Wijnand. Neel is dan al hoogzwanger, van de schilder of van de postbode, misschien zelfs van de brugwachter. En de postbode is dood. Vermoord. Door wie? Waarom? De schipper gaat op onderzoek uit. Ziehier het dorpsdrama in een notendop, dat door IJlander voorbeeldig wordt uitgewerkt. In een rustige, zorgvuldige stijl wekt de schrijver de kleine zielen van weleer tot leven. In de beheersing toont IJlander zich de geoefende schrijver die met De aanstoot alweer zijn zevende boek schreef. De breipennen, de tabakspot, de waterpomp en de daalders, ze dragen stuk voor stuk bij aan de kneuterige aankleding van de smidse, het buurtkruideniertje en Het Jagertje. De keerzijde van die voorbeeldige kneuterigheid leidt echter tot een zekere vorm van sjabloonverhaal. Op ongeveer de helft van de roman verwachtte ik dat Swiebertje op zou duiken, achterna gezeten door Bromsnor. Eenmaal postgevat, was de gedachte aan die twee niet meer uit mijn hoofd krijgen. De ouwemannensores van de schipper, «bevangen door hunkering» daar onder in de roef van zijn schip, zijn op zeker moment wel afdoende onder woorden gebracht. Iets meer scherpte of dorps surrealisme á la Alex van Warmerdam had De aanstoot net kunnen uittillen boven«gewoon» een kundig werk. En dat terwijl het eerste, langste hoofdstuk van de roman, «Een groot huis, een kleine man», waarin wordt beschreven hoe Neel zich laat verleiden door de buitenlandse artiest, wonderlijk mooi is. Getuige ook zijn opmerkelijke roman De lichtval (1993), die is geschreven vanuit het perspectief van een vrouw die zich op de rand van de waanzin bevindt, is IJlander erg goed in het beschrijven van het schemergebied tussen weten en fantaseren. Juist door de ogen van de «onnozele» smidsdochter Neel krijgt het voorspelbaar smoezelige dorpsleven een onverwachte aanblik. «Op weg naar huis had ze de indruk dat het dorp veranderd was, alsof het niet echt bestond maar een droomdorp was geworden, waar ze in een droom doorheen liep. Het was donkerder dan anders, er was niets wat bewoog, geen blad aan een boom, de rietkraag langs het kanaal was roerloos. Windstil was het, elk moment kon het gaan onweren.» Wat mij betreft was Neel wat langer aan zet gebleven.