De wereldhandel na corona

Voorbij de globalisering

De coronacrisis heeft de kwetsbaarheid van de extreem gefragmenteerde wereldwijde productieketens aan het licht gebracht. Multinationals namen zeventig procent van alle internationale handel voor hun rekening. Hun hoogtijdagen lijken nu voorbij.

Frans vrachtschip in de haven van PortMiami, Florida © Joe Raedle/Getty Images

Vis die naar het andere eind van de wereld wordt gevaren om te worden schoongemaakt en dan weer terug om te worden verkocht, bedrijven die hun eigen export weer importeren omdat dat belastingvoordeel oplevert, landen die honderdduizenden tonnen identiek voedsel im- en exporteren: het is de wereld die is ontstaan door de stormachtige groei van internationale handel in de afgelopen dertig jaar. Maar die wereld is aan het afbrokkelen.

Het einde van globalisering is al zo vaak aangekondigd dat het maar moeilijk te geloven is dat het zich nu werkelijk voor onze ogen afspeelt. Toch is dat zo, in ieder geval op het gebied van de handel. De coronacrisis lijkt de bijl te hebben gezet aan een compleet verdienmodel dat bedrijven in alle uithoeken van de aarde liet speuren naar schaalvoordelen en kostenbesparingen. Het VN-agentschap voor handel voorspelt dat de coronacrisis dit jaar alle internationale investeringen met een derde zal verlagen. De Wereldhandelsorganisatie voorspelt dat de internationale handel met een derde afneemt.

‘Deze economische crisis is anders dan de vorige, omdat de internationale bevoorradingsketens zijn geraakt, en omdat die ketens een risico zijn gebleken’, zegt hoogleraar economie Daria Malin van de Universiteit München. ‘Ik verwacht niet dat bedrijven en landen na de coronacrisis terug willen naar de situatie zoals die was. Ik verwacht dat bevoorradingsketens gaan inkrimpen, dat de wereldeconomie geslotener wordt en dat internationale handel gaat afnemen.’ Met andere woorden: een einde van een tijdperk.

Laten we de snelst begrepen metafoor van dit moment nemen. Als we de groei van de wereldhandel voorstellen als een coronacurve, dan zitten we nu net over de top. Zeg maar Nederland zo rond half april, als de groei is afgevlakt en stilgevallen en de logica voorspelt dat de lijn neerwaarts zal gaan. Wat de wereldhandel betreft, begon de snelle groei eind jaren tachtig. De waarde van alle internationale handel bij elkaar bedroeg toen zo’n 35 procent van de wereldeconomie. Daarna begon dat percentage gestaag te groeien, tot boven de zestig procent in 2008.

Door de financiële crisis van dat jaar stokte de groei, maar de waarde van de internationale handel bleef sindsdien rond de zestig procent van de wereldeconomie schommelen. De coronapandemie verzekert dat dat percentage gaat dalen. Maar wat gebeurt er daarna met de wereldhandel? Voor een best guess moeten we kijken naar drie zaken die de groei van de wereldhandel bij uitstek hebben bepaald en die allemaal van groen op oranje zijn gesprongen: bevoorradingsketens, China en vrijhandelsverdragen.

Bij de term ‘internationale handel’ zullen de meeste mensen denken aan afgemaakte producten die in verpakking van het ene naar het andere land worden verscheept om daar te worden verkocht. Maar dat is niet het soort handel dat in de afgelopen dertig jaar zo’n grote vlucht heeft genomen. Dat is het soort handel waar Continental en andere autofabrikanten afgelopen lente voor in een crisisgesprek zaten met de Duitse bondskanselier Angela Merkel.

Continental maakt autobanden, maar ook nog honderden andere onderdelen van auto’s: remsystemen, elektronica, onderstellen, futuristische voorruiten die een beeldscherm kunnen worden, en veel meer. Continental doet dat in eigen fabrieken in 35 landen en heeft daarnaast meer dan tweeduizend leveranciers. Daarvan staan er nu tientallen op de rand van het faillissement, vertelde Continental aan Merkel. En Continental levert zelf weer aan allerlei andere automerken. Als die een bepaald onderdeel niet kunnen krijgen, moeten ze misschien weken wachten tot er een nieuwe leverancier is gevonden, gecertificeerd en ingewerkt. Want de auto-industrie werkt niet met voorraden, niet met alle productie onder één dak of zelfs maar binnen één bedrijf.

Op zoek naar besparingen hebben automakers drie decennia lang tot in steeds verder detail geprobeerd om de productie zo efficiënt mogelijk in te richten: in landen met lage lonen, door toeleveringsbedrijven die één specifiek ding goedkoop konden doen, door onderaannemers die iets precies op tijd konden leveren zodat de automaker geen voorraad hoefde aan te leggen die geld kost om te beheren. ‘Just in time’-aanlevering heet dat. Zodat automerken veel auto konden aanbieden voor weinig geld.

Continental vormt een onderdeel van de wereldwijde bevoorradingsketen van grote automerken. Tal van bedrijfstakken hebben iets soortgelijks. De meeste zijn niet zo complex en uitgebreid als die van automerken, maar allerlei producten die bij ons in de winkel liggen, zijn het resultaat van een productieproces dat in onderdelen geknipt is en verspreid over verschillende landen – soms over duizenden schakels, zoals bij auto’s. Soms betreft dat ‘handel’ binnen één bedrijf.

Doorgaans hebben bedrijven alle delen van het productieproces dat veel arbeid kost naar lagelonenlanden verplaatst. Alle onderdelen van het productieproces die in een bepaald land subsidie kunnen vangen, zijn daar naartoe verplaatst, of de producten zelf worden er in- en weer uitgevoerd om een subsidie te kunnen opstrijken. Als het eindproduct een bepaald stempeltje kan krijgen als het opnieuw wordt verplaatst (‘Made in EU’ bijvoorbeeld) gebeurt dat wederom. En altijd telt transport alleen maar mee als (bescheiden) kostenpost, niet als iets om uit principe laag te houden.

De afgelopen dertig jaar vond de grote toename van wereldwijde handel plaats door de groei van dit soort bevoorradingsketens: in auto’s, maar ook in kleding, elektronica, medicijnen, voedsel en ga zo maar door. Volgens de oeso, de club van rijke landen, was zeventig procent van de wereldhandel vorig jaar onderdeel van zulke bevoorradingsketens. Volgens onderzoek van hoogleraar Dalia Marin namen bevoorradingsketens de afgelopen decennia twee derde van de groei van de wereldhandel voor hun rekening. ‘Zij waren de afgelopen dertig jaar de stille motors van de globalisering’, zegt Dalia Marin.

Textielfabriek in Awassa, Ethiopië, het land met de laagste lonen ter wereld © Tiksa Negeri / Reuters

De term ‘globalisering’ past beter bij het traditionele idee van im- en export zoals je dat leert op de middelbare school. Het web van bevoorradingsketens dat onderdelen en grondstoffen kriskras over de aardbol stuurde voor ze in een eindproduct werden samengebracht, werd door mensen die begrepen hoe het werkte liever ‘hyperglobalisering’ genoemd, een term van de econoom Dani Rodrik.

Die hyperglobalisering was in essentie het samengaan van Europese en Amerikaanse techniek en innovatie met de ontzagwekkende productiekracht van China en later andere landen. ‘The Great Convergence’ noemde econoom Richard Baldwin dat in zijn gelijknamige boek. Dat leek voor buitenstaanders misschien een autonoom proces, maar dat was in werkelijkheid mogelijk door vernieuwingen in communicatie, het steeds verder afbreken van tarieven en andere handelsbelemmeringen tussen landen, en de idioot lage prijzen voor transport.

Het is precies die hyperglobalisering die zo hard geraakt is door de coronacrisis. Want een lange, complexe productieketen waarin alles precies op tijd aankomt is bij uitstek kwetsbaar als fabrieken van de ene op de andere dag sluiten vanwege besmettingen met Covid-19 en landsgrenzen tot nader order dicht gaan. Bedrijven hebben daar geen antwoord op. ‘De zoektocht naar de meest kostenbesparende leveranciers heeft veel bedrijven achtergelaten zonder een plan B’, schreef Beata Javorcik, hoofdeconoom van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (ebrd), in de Financial Times. ‘Ondernemingen worden nu gedwongen om hun mondiale bevoorradingsketens te overdenken. De nadelen van een systeem dat vereist dat alle onderdelen als een perfect uurwerk lopen zijn nu aan het licht gekomen.’

Op belangrijke politieke posten in westerse landen zaten jarenlang altijd profeten van de vrije markt. Nu zitten daar mensen die daar direct tegenin gaan

Het coronavirus heeft de mondiale bevoorradingsketens als risico ontmaskerd, maar het is natuurlijk niet zo dat niemand dat ooit zag. Verschillende economen, zoals Rodrik of de Indiër Arvind Subramanian, waarschuwden daar al jaren voor. Maar landsregeringen en bedrijven geloofden toch in de mantra dat globalisering onomkeerbaar was. Of overtuigden zichzelf ervan dat het zo was, omdat ze concurreerden met bedrijven die ook de optie hadden om de wereld af te speuren naar besparingen, en die zichzelf ook weer overtuigden dat ze niet anders konden dan meedoen in de race to the bottom.

Zulke bedrijven staan nu vaak met de pet in de hand bij overheden in het land waar hun nominale hoofdkantoor staat, met het argument dat ze hard zijn geraakt door een onvoorzienbare ramp. Zoals Continental bij de regering in Berlijn. Maar complexe bevoorradingsketens waren niet alleen altijd al een bedrijfsrisico, er waren ook voor de coronacrisis tekenen te over dat zij hun beste tijd hadden gehad.

Hun schijnbaar onstuitbare groei viel stil na de financiële crisis van 2008-2010 en ook de internationale handel groeide niet meer (als percentage van de wereldeconomie). Daar was een aantal redenen voor. Het voorspellen van koopgedrag via kunstmatige intelligentie leidde tot andere logistiek. De wens van bedrijven om sneller te kunnen inspelen op trends droeg bij aan meer productie in de regio (zoals in Oost-Europa voor de West-Europese markt). En productie met robots werd goedkoper. Al die zaken droegen eraan bij dat lange, wereldwijde productieketens niet meer zo aantrekkelijk werden gevonden als daarvoor.

Ook zorgde een langzaam rijker wordende wereld ervoor dat bedrijfstakken die steeds zochten naar nóg weer goedkopere arbeid tegen grenzen aan begonnen te lopen. Kleding, bijvoorbeeld, heeft sinds een paar jaar Ethiopië als het nieuwe beloofde land. Het maandloon van handwerkers in de Ethiopische kledingindustrie is soms maar 23 euro, een uurloon in West-Europa of de VS. Dat is het laagste in de hele wereld, wat onder meer H&M daarheen trok. Maar het is weinig verrassend dat 23 euro per maand voor de werkers te weinig is om zelfs maar fatsoenlijk voedsel en onderdak van te kunnen betalen. Dat leidt tot arbeidsonrust – net als eerder in Bangladesh. ‘We zijn door onze magische landen heen’, citeerde The Economist vorig jaar een kledingbaas.

En door de coronacrisis blijkt nu dus ook dat een wereldwijde bevoorradingsketen een risico is, zowel voor bedrijven als voor landen. En zeker als die keten afhankelijk is van één land – en dat land is dan bijna altijd China.

Hier komen we bij het tweede sein voor internationale handel dat op oranje is gesprongen. Afhankelijkheid van China was altijd al een onverstandig idee: niet alleen omdat het altijd beter is om risico’s te spreiden, maar ook omdat het al voor 2020 kraakhelder was dat China niet schroomt om bedrijven en landen de arm op de rug te draaien als het dat nodig vindt. Vanwege het prijsvoordeel van productie in China, en de overtuiging dat globalisering nou eenmaal onomkeerbaar was, praatten landen en bedrijven zichzelf aan dat het ditmaal nodig was om al hun geld op één paard in te zetten. Maar dat idee is door de coronapandemie grondig uit de wereld geholpen.

Toen de wereld in maart in paniek op zoek ging naar alles wat nodig was om een pandemie te bestrijden, werd in één ruk duidelijk dat dit uit China moest komen. Voor de pandemie maakte China bijna de helft van alle beschermende kleding voor medische doeleinden. Doordat Europese bedrijven routinematig hun productie naar China overhevelden, importeert de EU nu naar schatting tachtig procent van alle farmaceutische ingrediënten uit het buitenland, met name China. Italië haalde er driekwart van alle bloedverdunners vandaan die in het land werden gebruikt. Dat leidde direct tot oproepen om die productie naar Europa terug te halen. Terwijl Frankrijk zich stortte op het mondiale gehamster van mondkapjes en handgel, riep het land op tot meer Europese ‘soevereiniteit’ op dit gebied. Dit gaat ongetwijfeld leiden tot druk op de medische en farmaceutische industrie om de productie te verplaatsen, en tot subsidies – een stok en een wortel.

Maar ook voor dit oranje sein geldt dat de suprematie van China al aan het afbrokkelen was voor 2020. Die suprematie is nog steeds indrukwekkend. China nam vorig jaar 28 procent van alle productie wereldwijd voor zijn rekening, bijna evenveel als de VS, Japan en Duitsland bij elkaar. China is voor veel productie nog altijd met afstand het beste land. Het heeft een unieke combinatie van talloze fabrieken die van alles kunnen produceren, veel technische knowhow en innovatie (in de delta van de Parelrivier gaat innovatie volgens sommige lijstjes nu sneller dan in Silicon Valley in Californië), lage lonen, een sterke staat die bevoorradingsketens actief ondersteunt en een enorme binnenlandse markt.

China heeft bovendien zijn aandeel in de wereldhandel door de coronapandemie alleen maar uitgebouwd. Doordat het land zijn eigen epidemie snel onder controle had en de fabrieken sneller terug aan het werk gingen dan in andere landen, wonnen Chinese bedrijven tijdens de coronacrisis vaak nog aan marktaandeel. Het aandeel van Chinese producten op de Europese markt was bijvoorbeeld nooit hoger dan afgelopen april.

Maar dat zou weleens het hoogwaterniveau kunnen zijn – ‘Piek China’, zeg maar. Ten eerste is productie in China niet zo goedkoop meer als zij vroeger was. China is zelf rijker geworden en de lonen zijn mee gestegen, waardoor het goedkoopste productiewerk wegsijpelt naar Zuidoost-Azië en landen als Ethiopië. Daarnaast heeft de wal van milieuvervuiling in China op veel plaatsen het schip gekeerd. Het was daar simpelweg onmogelijk om de kosten voor mens en natuur te blijven negeren die de ongebreidelde industriële productie veroorzaakte. Ten slotte zijn bedrijven in de afgelopen jaren beducht geworden voor te veel afhankelijkheid van China en zijn ze hun bevoorradingsketens gaan spreiden naar verschillende landen.

‘China+1’ heet dat in bedrijfsjargon: proberen om cruciale onderdelen van een product uit ten minste één ander land te halen, naast China. Landen zoals India staan klaar met subsidies om fabrieken te belonen die zo’n sprong willen maken. Veel bedrijven spelen al jaren met dat idee, maar maken zich maar niet los van China. De iPhone is daarin een lichtend voorbeeld. Jarenlang waarschuwden analisten voor de grote afhankelijkheid van Apple van één Chinese fabrikant om iPhones te maken. Bij die fabrikant waren er jarenlang allerlei problemen (zo pleegden in twee maanden in 2010 tien arbeiders zelfmoord op het fabrieksterrein), maar bleef Apple toch altijd vanwege de prijs. Toen die ene fabriek dicht moest vanwege besmettingen met Covid-19, kwam de productie van iPhones direct in de problemen.

Maar de belangrijkste reden voor ‘China+1’ is dat bedrijven vanwege China’s politiek assertievere koers van de afgelopen jaren, en vanwege de dreigende handelsoorlog tussen de VS en China, bang zijn geworden voor te veel afhankelijkheid. Donald Trump is al jarenlang bezig met luid imponeergedrag richting China. Trump blaft vooralsnog beduidend harder dan hij bijt: afgelopen januari zag hij voor de zoveelste keer af van de ontketende confrontatie die hij al jaren belooft en sloot hij een handelsakkoord met Beijing. Evengoed is Trump sinds 2018 tarieven en handelsbelemmeringen tussen de VS en China aan het optrekken en hangt een handelsoorlog voortdurend in de lucht. Dat ligt niet alleen aan Trumps afkeer van China, maar ook aan zijn afkeer van handel in het algemeen. ‘Trade Is Bad’, schreef hij twee jaar geleden in de kantlijn van een toespraak bij de G20.

Hiermee zijn we bij het laatste sein aangekomen dat aangeeft dat internationale handel in de komende jaren niet meer zal doorstomen zoals in de jaren tussen 1990 en 2008. Trump is zeker niet de enige politicus die zich keerde tegen de steeds maar verdere liberalisering van de internationale handel. Op belangrijke politieke posten in westerse landen zaten jarenlang simpelweg altijd profeten van de vrije markt. Nu zitten daar mensen met impulsen die daar direct tegenin gaan. Trumps handelsminister Robert Lighthizer is een trots voorstander van protectionisme. De Britse regering lijkt zich tot protectionisme te hebben bekeerd. In de Europese Commissie grijpen Margrethe Vestager en Thierry Breton de coronacrisis aan om te pleiten voor het terugbrengen van productie naar Europa. Onlangs bekritiseerde voor het eerst in de geschiedenis een Duitse minister de mededingingsregels van de Europese Unie.

Zonder politieke wil kan de wereld niet terug naar de hyperglobalisering van de handel. In Nederland lijkt het misschien anders, maar de simpele waarheid is dat die wil er ook hier niet is. ‘Het is duidelijk dat deze soort globalisering aan het einde van zijn cyclus was’, zei de Franse president Emmanuel Macron, bij uitstek een vertegenwoordiger van de klasse die precies die vorm van globalisering voortstuwde in de periode 1990-2008. Allerlei vrijhandelsverdragen uit die tijd staan nog overeind, maar het lijkt uitgesloten dat daar multinationale verdragen bijkomen. En als landen actief productie in hun eigen land gaan bevorderen en meer producten als ‘strategisch belangrijk’ gaan zien, betekent dat automatisch een rem op de internationale handel.

De coronapandemie lijkt daarom niet zozeer een komeet die de onstuitbare groei van internationale handel doorkruist, maar de dreun die de stilgevallen groei van internationale handel laat omslaan naar een gestage neergang. Veel economen en andere analisten zien het in ieder geval zo. ‘De huidige crisis zal denk ik de ontwikkeling versterken die al aan de gang was voor de pandemie’, zegt de Franse economisch historicus Laurent Warlouzet van de Sorbonne-universiteit. ‘Het aandeel van de handel in de wereldeconomie had zijn piek al bereikt in 2008. Daarna groeide de handel al niet meer en probeerden bedrijven hun productie te verspreiden of in de regio te doen waar het product wordt verkocht. Als we de effecten van de pandemie daarbij optellen, zal er een beweging zijn naar minder globalisering.’

‘Neomercantilisme’ noemt Warlouzet de richting waar hij Europese en andere regeringen in ziet bewegen. ‘In Europa heerste decennialang het idee dat de staat alleen in de markt moest ingrijpen als dat om een paar strategische sectoren ging, zoals wapens. Dat breidt zich nu snel uit: medische apparatuur, farmacie, telefonie, communicatie en computers. De internationalisering van de handel zal zich wel blijven doorzetten in kleding en consumentenartikelen, maar belangrijke delen van de economie gaan de andere kant op bewegen, naar protectionisme.’

Tien jaar geleden, toen de financiële crisis nog volop haar sloopwerk deed op de plekken van de samenleving waar de klappen van een economische recessie vallen, werd de term ‘post-mondiale wereld’ voor het eerst serieus gebruikt. Dat leek toen ook best een mogelijkheid: dat de wereldwijde crisis de integratie van de wereld in zijn achteruit zou zetten, internationale handel eerst. Dat is niet gebeurd, maar er kwam ook niet nog meer mondiale wereld bij. Nu staan we dan misschien op het moment waarop dat wel gebeurt.