De toekomst van de Europese democratie

Voorbij de horizon

Economische crises, wereldwijde technische risico’s en klimaatverandering vereisen een politiek die ver boven de nationale grenzen uitstijgt. De burger komt nog verder af te staan van de besluitvorming. Hoe kan Europa dit democratisch mankement te boven komen?

Medium essay1

Terwijl de politieke theorie steeds pretentieuzere modellen van de liberale democratie ontwikkelt, komt in de sociaal-wetenschappelijke en juridische vakdiscussies een heel ander beeld van de kwaliteit van het bestaande democratische regime naar voren. Politieke wetenschappers en juristen ontdekken in onze democratieën toenemende tekorten, terwijl sociologen in de kansarme bevolkingslagen zelfs buitenproportioneel afnemende bereidheid tot politieke deelneming waarnemen. Deze tegenstelling tussen het idealistische vasthouden aan de grondwettelijke normen en de ontnuchterende sociale feiten van de democratische werkelijkheid is niet verontrustend zolang zich daarin slechts een verschil tussen de beschouwingswijzen van uiteenlopende disciplines manifesteert. Maar vandaag de dag zien wij in het politieke gedrag van de bevolking zelf een soortgelijk contrast.

Enerzijds radicaliseren de burgerprotesten tegen ontoereikende kansen om aan het democratische proces deel te nemen. Vaak ontstaat er lokaal verzet tegen grote technische projecten voor de langere termijn, die de burgers doen beseffen hoe groot de discrepantie is tussen betrokkenheid en deelneming. Aan de andere kant reageren steeds grotere groepen kiezers op de tekortschietende responsiviteit en de waargenomen verzelfstandiging van de politieke elites met teleurstelling, apathie en bewuste afkeer. De politieke partijen zijn van hun kant niet ongevoelig voor deze ambivalente gemoedstoestand, die merkwaardig heen en weer beweegt tussen apathie en lusteloze terugtocht enerzijds en protesten en aandrang op meer democratie anderzijds. Ze zijn bang hun legitimiteit te verliezen, voeren referenda, interne voorverkiezingen en ledenenquêtes in en experimenteren met doelgerichte deelname van de betrokkenen aan de tenuitvoerlegging van bestuurlijke programma’s. Na de jongste verkiezingen voor de Duitse Bondsdag schrok de leiding van de spd zelfs terug voor regeringsdeelname zonder expliciete instemming van de eigen partijbasis.

Ik concentreer me hier op de kleinere scheurtjes in de schijnbaar ‘normale toestand’ van landen waarvan het politieke systeem tot nu toe niet, zoals in Griekenland, Portugal of Italië, is geïrriteerd door de verstoringen van de huidige banken- en schuldencrisis. De ‘normale toestand’ van de democratie brengt ons op het spoor van het eigenlijke probleem. In de gelijktijdigheid van de geradicaliseerde verwachtingen van meer participatie aan de ene kant en een berustende verwerking van teleurstellingen aan de andere kant spiegelt zich in landen als Duitsland het afnemende vermogen van nationale regeringen om de werkelijkheid vorm te geven. De burgers merken dat de manoeuvreerruimte van de spelers, waarop zij überhaupt nog enige democratische invloed kunnen uitoefenen, in een steeds verder onderling verknoopte, maar net als voorheen politiek gefragmenteerde wereldgemeenschap steeds kleiner wordt.

***

In Duitsland is de opkomst bij verkiezingen tot het eind van de jaren zeventig gestaag gestegen. Maar sinds eind jaren tachtig tekent zich een neergaande trend af, waarbij de opkomst bij verkiezingen voor de deelstaatparlementen soms zelfs onder de zestig procent duikt, bij gemeenteraadsverkiezingen onder de vijftig en bij Europese verkiezingen onder de veertig. De niet-stemmers vormen echter geen afspiegeling van een dwarsdoorsnede van de bevolking. Ze concentreren zich veeleer in stadswijken met een buitenproportioneel hoog aandeel armen en werklozen. Inkomen, sociale status en opleidingsniveau zijn voor de verklaring van het kiezersgedrag de beslissende variabelen. Voor de mate van politieke belangstelling is naast vertrouwdheid met politiek vooral de verwachting van belang dat de politiek op de wensen van de kiezers reageert.

Niet-stemmers baseren hun stemonthouding onder meer op de ervaring van een tekortschietende responsiviteit. Hoe sterker ze het gevoel hebben dat hun belang niet wordt opgemerkt, des te meer ze zich gesterkt voelen in hun onverschilligheid. Hoe meer de politieke partijen gaan beseffen dat ze van deze clientèle geen ondersteuning meer hoeven te verwachten, des te sterker zullen zij zich richten op andere segmenten van de kiezers wier stemmen bij de telling gewicht in de schaal kunnen leggen. Op deze manier is er sprake van een negatieve vicieuze cirkel tussen de stemonthouding van de kansarme niet-stemmers en de veronachtzaming van hun belangen van de kant van de politieke partijen.

Politieke wetenschappers beschrijven deze escalatie als een wederzijdse vervreemding tussen elites en kansarme burgers. De kwaliteit van de democratie wordt verder ondermijnd naarmate de belangstelling en het wereldbeeld van de niet-stemmers sterker afwijken van de wil van de meerderheid. De onvolledige vertegenwoordiging is in strijd met de norm van het evenredig rekening houden met de belangen van alle burgers.

De afnemende partijbinding is nog een teken van de groeiende afstand tussen de burgers en de politieke partijen. Bij de grote partijen is sinds het begin van de jaren negentig een dramatisch ledenverlies ingetreden. Die komt overeen met een dalend kiezersaandeel voor de zogenaamde volkspartijen. De versplintering van het kiezerskorps over een uitgebreid partijenspectrum is bovendien bevorderlijk voor de toename van het aantal zwevende kiezers, tegenwoordig ongeveer een derde van het totaal. De zwevende kiezers zijn echter geen homogene groep. Het deel dat wordt gerecruteerd uit de minder goed geïnformeerde en opgeleide bevolkingslagen zal qua motivering op de groep van de niet-stemmers lijken. Aan de andere kant bevinden zich onder degenen die dikwijls van partijvoorkeur wisselen voor het merendeel juist goed geïnformeerde en opgeleide burgers. In het ‘zweven’ van deze kiezers manifesteert zich een ook in het algemeen dalend vertrouwen in de competentie van de partijen.

Voor de verkiezingen voor de Duitse Bondsdag waren het intellectuelen die in meerderheid kond deden van hun besluit om ze te boycotten

In deze trends – de stijgende politieke onverschilligheid en apathie van de kiezers, evenals de breder wordende kloof tussen politieke partijen en het kiezerskorps – komt een groeiende scepsis over de democratie tot uiting, waarvoor objectief goede redenen te vinden zijn. Je zou kunnen denken dat het politieke systeem, door de toenemende complexiteit van de problemen die het moet oplossen, functioneel steeds verder versplinterd raakt en zich daardoor steeds verder van de burger verwijdert. Maar de opvallende chronologie van beide beschreven trends, die in de jaren tachtig ongeveer gelijktijdig ombogen, voedt de twijfel of hiervoor een toename van de complexiteit de oorzaak was.

Het moment van de ommekeer pleit voor een andere hypothese. Destijds begon namelijk de discussie over de ongewenste gevolgen die de economische mondialisering op de inkomensverdeling en de arbeidsplaatszekerheid zou hebben. Die wereldwijde politieke omslag onttrok de gemondialiseerde markten, vooral de financiële markten, aan het toezicht van de nationale staten. Daardoor raakten deze een deel van hun politieke manoeuvreerruimte kwijt waarop de democratische burgers invloed konden uitoefenen. Daarom zou de toenemende vervreemding van de burgers van de politiek verklaard kunnen worden uit de angst voor de gevolgen van deze weersgesteldheid.

Des te verbazingwekkender is dan echter de derde trend, uit dezelfde periode, namelijk de toenemende belangstelling van geëngageerde groeperingen voor burgerinitiatieven, handtekeningenacties en demonstraties, dwars door alle leeftijdsgroepen heen. Politieke partijen en overheden komen tegemoet aan de vraag naar alternatieve vormen van deelname en directe democratie; zij geven hun leden en cliënten nieuwe rechten en zijn doelgericht uit op kritiek en samenwerking. Interne partijprocessen worden opengesteld voor niet-leden. Zelden gebruikte grondwetsartikelen over referenda worden door geëngageerde minderheden met succes benut. Uit een blik op de sociale samenstelling van de gebruikers van directe democratische mechanismen blijkt dat hier de bevoorrechte groepen nog sterker vertegenwoordigd zijn dan bij de deelname aan algemene verkiezingen, waardoor de vertegenwoordiging van de burgers nog verder wordt vertekend ten koste van de sociaal zwakkeren.

Het in het midden van de jaren negentig opgekomen begrip ‘post-democratie’ heeft intussen carrière gemaakt. Juist de geëngageerde, door status en opleiding bevoorrechte lagen van de bevolking reageren op de constatering dat de praktijk van algemene en vrije verkiezingen aan substantie heeft ingeboet met een soort demonstratieve stemonthouding. Voor de verkiezingen voor de Duitse Bondsdag in september 2013 waren het intellectuelen die in een niet representatieve enquête in meerderheid kond deden van hun besluit om ze te boycotten.

***

De meeste burgers hebben slechts vage ideeën over de democratie. Maar hun normatieve verwachtingen zijn verankerd in de performatieve veronderstellingen die zij intuïtief met hun ingeburgerde politieke praktijken verbinden. Men moet deze impliciete ‘gebruikskennis’ van de belanghebbenden uit de context afleiden. Want de grap van staatsrechtelijk gestandaardiseerde procedures en praktijken bestaat erin dat zij louter functioneren als de betrokkenen uitgaan van bepaalde, dikwijls geïdealiseerde veronderstellingen.

Alleen al uit een analyse van de nalevingsvoorwaarden van overeenkomstige normen blijkt van welke pragmatische veronderstellingen de burgers moeten uitgaan als zij deelnemen aan praktijken die wezenlijk zijn voor een democratische gemeenschap. De burgers zouden bijvoorbeeld niet aan verkiezingen deelnemen als zij er niet vanuit zouden kunnen gaan dat hun stem ‘telt’ en net zo veel ‘weegt’ als die van iedere andere kiesgerechtigde. De veronderstelling van dit ‘gelijke gewicht’ is in veel gevallen alleen al op grond van het kiesrecht een aanname die in strijd is met de feiten. Toch nemen de burgers (daaruit bestaat de zogenaamde voters paradox) aan deze praktijk deel, omdat ze ervan uitgaan dat de gemeenschappelijke uitoefening van het politieke kiesrecht behoort tot de bestaansvoorwaarden van een systeem dat over het geheel genomen de politieke zelfbeschikking van gelijkgerechtigde burgers waarborgt.

Evenzeer veeleisende veronderstellingen spelen zowel voor de praktijk van de rechtspraak als voor de besluitvormingspraktijk van de overheid een rol. Ook als de verlichte burger het verschil tussen recht en gerechtigheid kent, zoals het in het algemeen spraakgebruik heet, zou hij in geval van een conflict niet meer de hulp van een rechter inroepen als hij niet op een eerlijk oordeel zou durven hopen. En de veelvuldige klachten van burgers in de omgang met autoriteiten duiden niet zozeer op het tekortschieten van deze gezagsdragers als wel op het hoge niveau van de verwachtingen die de burgers van de verzorgings- en de rechtsstaat koesteren. In zulke veronderstellingen over de staatsburgerlijke praktijk, die deels met de feiten in strijd zijn, spiegelt zich een democratiebegrip dat niet naar believen kan worden gemanipuleerd.

De weg naar een pretentieus democratisch supranationaal systeem met meerdere niveaus zal bezaaid zijn met stenen

Natuurlijk heeft een dergelijke reconstructie van de voorwaarden van democratische praktijken slechts een beperkte waarde. Zij levert de beschrijving op van een democratisch ethos dat louter post kan vatten onder gunstige sociaal-structurele omstandigheden, tegen de achtergrond van een liberale politieke cultuur en dankzij adequate politieke socialisatieprocessen in de hele bevolking. Historisch gezien hebben de instellingen en de procedures van de democratische rechtsstaat zich tot op heden alleen op basis van een asymmetrische verdeling van de economische macht, grote statusverschillen en de dikwijls meedogenloze uitsluiting van culturele minderheden gestabiliseerd. De kenmerken van de klassenmaatschappij en de nationale meerderheidscultuur hebben de kapitalistische democratieën van het Westen diepgaand beïnvloed. Zij bevestigen een onevenredige politieke vertegenwoordiging van de burgers en hebben tot gevolg dat formeel gelijke rechten in verschillende sociale groeperingen en subculturen geenszins een gelijke gebruikswaarde kennen.

Pas sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog hebben zich in het Westen verzorgingsstaten met een massademocratisch karakter ontwikkeld, waarin de filterwerking van deze factoren is bestreden en ingeperkt. De beteugeling van de sociaal onwenselijke gevolgen van de kapitalistische dynamiek kan louter door een compromis tussen drie spelers aanschouwelijk worden gemaakt. De staat, die zich met de belastingen voedt en tegelijkertijd door het kiesrecht wordt gelegitimeerd, houdt in dit scenario de touwtjes in handen. Hij moet enerzijds voor kapitalistische groei – en daarmee voor een toereikend niveau van de belastinginkomsten – zorgen, en anderzijds de belangen van de burgers, op wier politieke steun een democratisch gekozen regering aangewezen is, in het oog houden. Deze beide in de regel tegengestelde eisen kan de staat slechts via een intelligent beleid van crisisvermijding met elkaar in overeenstemming brengen. Op straffe van de uitbraak van een economische crisis of van het ineenstorten van de sociale samenhang moet de staat enerzijds tegemoet komen aan de winstverwachtingen van de ondernemingen, dat wil zeggen de belastingtechnische, juridische en infrastructurele voorwaarden voor een winstgevend kapitaalgebruik waarborgen; tegelijkertijd moet hij aan de andere kant dezelfde vrijheden voor een ieder garanderen en aanspraken op de verzorgingsstaat inwilligen in de vorm van een eerlijke inkomensverdeling en bestaanszekerheid en toegang tot openbare diensten en collectieve goederen.

Voorzover het de democratische staten van het Westen in het derde kwart van de vorige eeuw is gelukt min of meer zo’n evenwicht te bereiken, waren de kapitalistische democratieën op de goede weg om de gedaante van een democratisch kapitalisme aan te nemen. In deze context kon zich onder de bevolking een veeleisend begrip van democratische praktijken verbreiden en in conflictgevallen tot gelding laten komen. Daarom dringt zich voor de post-democratische gemoedstoestand, die zich nu in de politieke openbaarheid van deze zelfde landen manifesteert, de verklaring op dat de nationale staten in het kader van de politiek gewenste economische mondialisering tegenover de markten het heft uit handen hebben moeten geven. Sindsdien hebben zij in beginsel voorrang verleend aan de belangen van het kapitaal tegenover de roep om sociale gerechtigheid, zodat het hun steeds minder goed lukt de tegengestelde eisen via een intelligent beleid van crisisvermijding tot overeenstemming te brengen. Toch geven de meest geëngageerde delen van de bevolking het tot nu toe gebruikelijke democratiebegrip niet zomaar op; de tot op zekere hoogte vastgeroeste normatieve aanspraken klemmen zich als weerhaken vast in de pels van een volgzaam dereguleringsbeleid. De onbevredigde participatie-eisen zijn kennelijk minder elastisch dan de politiek-wetenschappelijke mainstream veronderstelt.

Natuurlijk moeten we ook onder deze premissen met verschillende ontwikkelingen rekening houden. Het voorlopig meest waarschijnlijke scenario is de bezwering van het conflict in het omhulsel van uitgeholde democratieën met een rechtsstatelijke façade. Deze post-democratische variant houdt de verregaande ontkoppeling in tussen een technocratisch verzelfstandigde internationale samenwerking van de nationale staten en de democratische rituelen die in de openbaarheid in de diverse nationale staten virtueel verder gaan. Aan de andere kant zal het normatieve gehalte van de westerse moderniteit zich niet zo geruisloos laten ontmantelen als de theorieën van de post-democratie veronderstellen. Het alternatief voor dit zwarte scenario bestaat uit een transnationalisering van de democratie.

***

In de post-nationale constellatie is de verhouding tussen politiek en macht uit het lood geslagen. De nationale grenzen overschrijdende systemische dwang (vandaag de dag vooral die van de onbeteugelde wereldwijde banksector) is een vorm van maatschappelijk natuurgeweld die onder controle moet worden gebracht, willen de bestaande democratieën niet worden uitgehold. In de onderling zeer verweven mondiale samenleving moeten zelfs wereldmachten op belangrijke beleidsterreinen functionele autonomie inleveren. Met het oog op de mondiale eisen van de klimaatverandering, de crises en onevenwichtigheden van de wereldeconomie, de wereldwijde risico’s van de techniek, enzovoort, zien tegenwoordig alle staten het nut van samenwerking in. Dat verklaart de snelle groei van het aantal internationale organisaties. Maar de betrokkenheid van de burgers bij supranationale besluitvormingsprocessen houdt geen gelijke tred met deze hechtere samenwerking tussen staten. Voorlopig betalen we het regeren aan gene zijde van de nationale staat met een toenemende betekenisloosheid van nationale legitimeringsprocessen.

Governance is een vergoelijkende frase. Want zelfs als alle lidstaten van een internationale organisatie loepzuivere democratieën zouden zijn, zou hun van huis uit meegebrachte legitimering niet toereikend zijn om beslissingen van de organisatie volledig te rechtvaardigen. En dat des te minder als de samenwerking tussen de lidstaten nauwer wordt en de reikwijdte en relevantie van het gemeenschappelijke beleid toenemen. Want vanuit het gezichtspunt van de burgers van een nationale staat is er sprake van een asymmetrie tussen de begrensde autorisatie van de eigen afgevaardigden en de reikwijdte van de door alle afgevaardigden gemeenschappelijk ondersteunde compromissen, die zonder onderscheid uitwerking hebben op de burgers van alle deelnemende nationale staten. Daar komt nog een andere tekortkoming bij. In tegenstelling tot de besluiten van nationale kabinetten, die alle beleidsterreinen bestrijken, beperkt het werk van functioneel gespecialiseerde organisaties zich tot bepaalde beleidsterreinen, zodat de ongewenste externe effecten van hun beslissingen niet altijd worden onderkend.

Om beide redenen is in de juridische vorm van dit soort internationale samenwerkingsverbanden een paternalisme ingebouwd. Datzelfde geldt ook voor de internationale gerechtshoven, die hun oordelen vellen zonder toereikend gelegitimeerde wettelijke grondslagen. Onder de onschuldige noemer ‘governance’ zullen zich technocratische regimes uitbreiden, zolang het niet lukt ook voor supranationale autoriteiten democratische legitimeringsbronnen aan te boren. De grote internationale organisaties zouden hun verreikende politieke bevoegdheden niet alleen in juridische vorm, maar ook volgens democratisch tot stand gekomen recht moeten uitoefenen. Daarom is een transnationalisering van de democratie nodig. Overigens zal de legitimeringsketen zich pas over de nationale grenzen heen laten verlengen als zich ‘ontstatelijkte’ supranationale gemeenschappen vormen, die ook zonder een regering in de traditionele zin een democratisch gelegitimeerd regeren mogelijk maken.

Politieke leiders mogen niet te veel van hun burgers vragen; er kan slechts een bepaalde mate van solidariteit worden verlangd

In zo’n supranationaal systeem van meerdere niveaus moeten echter wel de drie bouwstenen die essentieel zijn voor een democratische ordening op een andere manier dan in de nationale staten worden samengesteld. Iedere democratie bestaat in de eerste plaats uit een ‘staatsvolk’ als drager van de politieke wilsvorming, vervolgens uit de ‘staat’ als de organisatie die het grote aantal burgers tot collectief handelen in staat stelt, en ten slotte uit de ‘grondwettelijke burgergemeenschap’ als de vrijwillige vereniging van vrijen en gelijken. Louter in het kader van de nationale staat komen deze drie bouwstenen ruimtelijk en sociaal tot overeenstemming.

De burgers worden vandaag de dag veeleer monddood gemaakt door internationale organisaties, waarin ontoereikend gelegitimeerde ambtenaren verreikende besluiten overeenkomen, door onafhankelijke toezichthouders die gedepolitiseerd zijn, door centrale banken die aan niemand verantwoording schuldig zijn, en door internationale gerechtshoven die besluiten nemen zonder wettelijke grondslag. De bevoegdheden die in een ondoorzichtige transnationale jungle zijn verdwenen, moeten niet alleen in de gedaante van een internationaal verdragsregime überhaupt een rechtsgrond krijgen, maar ook via de route van een constitutionalisering achteraf tot een democratische rechtzetting worden verplicht.

Het is optisch bedrog dat bij het samengaan van meerdere staten in een supranationaal systeem met meerdere niveaus de speelruimte voor de staatsburgerlijke autonomie van individuele staten slinkt. De grotere omvang en de toegenomen complexiteit hoeven geen constitutionele hobbels te zijn, zolang de democratische procedures van de wilsvorming intact blijven. In systemen met meerdere niveaus worden de wegen wel langer. Dat versterkt de democratische tekortkomingen die we vandaag de dag al binnen de nationale staten waarnemen. Aan de ene kant lijkt de politieke meningenstrijd in de mediamaatschappij op een onderhoudende zelfpresentatie van de diverse partijen, aan de andere kant neigen overheden naar zelfmachtiging. Voor bestuurders wordt in een systeem met meerdere niveaus de speelruimte voor een gecamoufleerde normstelling groter, niet alleen als gevolg van de afnemende binding met de wet, maar ook door een toenemende behoefte om zaken horizontaal af te stemmen.

Deze degeneratieverschijnselen, of die zich nu binnen of buiten de nationale staat voordoen, houden beslist verband met de toename van de complexiteit van de samenleving. Maar de draagkracht van het democratische proces kan in gelijke tred meegroeien. Omdat met de toenemende complexiteit de cognitieve eisen groeien die aan de democratische programmering worden gesteld, richten theorieën over deliberatieve politiek de aandacht op de cognitieve dimensie van de besprekingen die aan ieder democratisch besluit moeten voorafgaan. Het democratische proces kan aanspraak maken op een probleemoplossend karakter, omdat het verplicht tot wilsvorming via discussies over relevante thema’s en stellingnames, in het licht van gekwalificeerde informatie en motivaties. Het democratische proces dankt zijn legitimerende kracht aan de unieke verbinding tussen gemeenschappelijkheid en overleg.

***

Aan de hand van het voorbeeld van de Europese crisis wordt echter ook duidelijk hoezeer de weg naar een pretentieus democratisch supranationaal systeem met meerdere niveaus bezaaid zal zijn met stenen. In dit verband interesseert mij vooral de tekortschietende politieke solidariteit. Voorlopig begrenst de nationale staat de horizon van de blikken en gevoelens waarbinnen de burgers bereid zijn bij hun politieke beslissingen rekening te houden met de perspectieven van hem of haar persoonlijk niet bekende medeburgers.

Laat ik zonder omhaal van de premisse uitgaan dat de structurele onevenwichtigheden tussen de nationale economieën van de eurozone de lidstaten van de Europese muntunie tot verdere stappen op weg naar politieke integratie zullen nopen. De economische onevenwichtigheden zullen zich in het bestaande politieke kader alleen maar verdiepen, omdat dit kader niet voldoet aan de optimale voorwaarden voor het functioneren van een gemeenschappelijke munt. Het alternatief van het terugdraaien van de gemeenschappelijke munt is anderzijds te riskant en te duur. Daarom is het thema waar alle regeringen omheen sluipen als om de hete brij, niet het óf, maar het hóe van de inrichting van een politieke unie, waarin op democratisch legitieme wijze ook kan worden besloten tot economisch verstandige overdrachtsbetalingen. Punctuele en verborgen overdrachtsbetalingen van de sterkere naar de zwakkere economieën vinden al lang plaats. Maar op den duur kan het geen soelaas bieden om de met hoge schuldenlasten kampende staten kredieten te verlenen, waarmee ieder van hen op eigen kracht zijn concurrentiekracht kan vergroten.

Onder leiding van de Duitse regering houdt de Europese Raad voorlopig vast aan de crisisagenda die de voorrang voor de sanering van individuele staatshuishoudens onder eigen nationale regie beklemtoont. In de crisislanden gaat deze strategie ten koste van de sociale zekerheidsstelsels, de openbare dienstverlening en de collectieve goederen, dat wil zeggen ten koste van de toch al benadeelde bevolkingslagen. Om dat te veranderen zouden de nationale staten moeten breken met de al lang achterhaalde vanzelfsprekendheid dat zij formeel soeverein zijn en in kwesties van het begrotings-, sociale en economische beleid kunnen beslissen zonder rekening te houden met de effecten op andere lidstaten, dus louter vanuit nationaal perspectief. Met deze soevereiniteitsfictie onttrekken vooral de regeringen van de rijke landen zich aan de taak van hun kiezers om de noodzakelijke portie politieke solidariteit te eisen. Een coöperatieve, uit een gemeenschappelijk Europees perspectief ondernomen poging om de groei en de concurrentiekracht van de héle eurozone te bevorderen, zou van deze landen verlangen om op hun eigen langetermijnbelang herverdelingsmaatregelen te dulden die ongunstig voor hen uitvallen.

Gedrag gebaseerd op solidariteit veronderstelt politieke contexten die wettelijk zijn georganiseerd, niet organisch gegroeid

Het verloop van de crisis laat ons zien dat er een beleidsomslag nodig is. De Europese muntunie heeft behoefte aan een gemeenschappelijk kader voor het begrotings-, sociale en economische beleid. Alleen op die manier wint zij de kracht zich uit de omklemming van de financiële markten te bevrijden en in plaats van de belastingbetalers de beleggers te belasten. Voor een verdieping van de geïnstitutionaliseerde samenwerking is echter een overdracht van nog meer soevereine bevoegdheden nodig naar Europees niveau en een dienovereenkomstige aanpassing van de verdragen. De politieke elites moeten de moed vinden in hun nationale omgeving de al lang noodzakelijke en onvermijdelijk polariserende strijd te voeren over Europese alternatieven, waarvan er geen kosteloos zal zijn. En alle landen moeten leren nuchter over de rand van hun nationale bordje heen te kijken.

Daar staat de in de media populaire visie op de crisis tegenover, volgens welke het om een conflict tussen volkeren gaat. Tot nu toe teert het rechts-populistische verzet tegen een verdieping van de unie op een interpretatie die de tegengestelde belangen van de winnaars en de verliezers van de crisis laat verdwijnen achter het antagonisme van de zogenaamde gevers- en nemers-landen. De sociale lagen die het hardst worden getroffen zullen hun gemeenschappelijke lot over nationale grenzen heen pas herkennen als er een einde komt aan de fatale verwarring van herverdelingsvragen (‘wie krijgt wat’) met identiteitsvragen (‘wie zijn wij’).

***

De voortzetting van het huidige beleid achter gesloten deuren belooft weinig goeds. Waarschijnlijk komt Europa steeds dieper in het kielzog terecht van een technocratie die de individuele lidstaten zonder deelname van hun bevolkingen toesnijdt op het formaat van marktconforme democratieën. Ik vind het van politieke kleinmoedigheid, zo niet van puur opportunisme getuigen om de noodzaak van politieke solidariteit uit de weg te gaan. Zeker, politieke leiders mogen ook niet te veel van hun burgers vragen; er kan slechts een bepaalde mate van solidariteit worden verlangd. Maar sinds de uitbraak van de crisis is onder de staatsburgers van Europa en de Europese landen de verwijdering al lang op gang gekomen. Aan deze zijden draad hangt de toekomst van de democratie in Europa. Om oproepen tot solidariteit te vrijwaren van aantijgingen van morele bedomptheid, van misplaatste goede bedoelingen en van het ‘niet-politiek’ zijn, die de ‘realisten’ graag tegen hen in stelling willen brengen, zou ik de verplichting om solidariteit te betonen willen onderscheiden van morele en wettelijke plichten. Het betonen van solidariteit is een politieke daad die geenszins oproept tot een vorm van morele zelfopoffering die misplaatst zou zijn in een politieke context. Kostas Simitis, de premier van Griekenland ten tijde van de toetreding van dat land tot de EU, schreef vorig jaar in de Frankfurter Allgemeine Zeitung: ‘Solidariteit is een concept waar bepaalde landen in de unie zich niet prettig bij voelen.’ Ook al heeft Simitis misschien tonnen boter op zijn hoofd, zijn interpretatie van solidariteit kan niettemin correct zijn. Dus: wat bedoelen we eigenlijk met solidariteit?

***

‘Solidariteit’ is niet synoniem met ‘gerechtigheid’ in de morele of juridische zin van het begrip. We noemen morele en juridische normen ‘juist’ of ‘rechtvaardig’ als zij praktijken reguleren die voor alle betrokkenen van gelijk belang zijn. Rechtvaardige normen stellen gelijke vrijheden zeker voor allen, evenals respect voor iedereen. Uiteraard zijn er ook speciale plichten. Verwanten, buren of collega’s kunnen in bepaalde situaties meer van elkaar verwachten dan van vreemdelingen. Uiteraard is het vaak niet helemaal duidelijk tot waar die positieve plichten strekken, maar toch zijn ze strikt: ouders schenden bijvoorbeeld hun zorgplicht als ze de gezondheid van hun kinderen veronachtzamen.

Maar vergelijk dit eens met het geval van een ver familielid dat na tientallen jaren opeens weer contact opneemt met zijn verbaasde nicht en haar om een grote financiële bijdrage vraagt, omdat hij in een noodsituatie verkeert. Hij kan niet echt een beroep doen op een ‘morele verplichting’, maar op z’n best verwijzen naar een soort ‘ethische’ band, gebaseerd op de familierelatie (in Hegels terminologie: een band die is geworteld in ‘Sittlichkeit’ of ‘de ethiek’). Zo’n ethische verplichting onderscheidt zich door een bepaalde eigenschap van een echte morele verplichting. Het deel uitmaken van een extended famil_y_rechtvaardigt een verplichting alleen maar als de feitelijke relatie tussen de betrokkenen aanleiding geeft tot de verwachting dat de nicht in een soortgelijke situatie kan rekenen op de steun van haar familielid. Het is de op vertrouwen gebaseerde Sittlichkeit van informele sociale betrekkingen die op voorwaarde van voorspelbare wederkerigheid vereist dat het ene individu ‘instaat’ voor de anderen.

Zulke ‘ethische’ verplichtingen, geworteld in banden van een eerder bestaande gemeenschap, doorgaans familiebanden, vertonen drie kenmerken. Zij laten overdreven claims stranden die verder gaan dan wat de geadresseerde wettelijk of moreel verplicht is gestand te doen. Aan de andere kant zijn dit soort claims minder veeleisend dan de categorische kracht van een morele plicht; evenmin komen ze overeen met het dwingende karakter van de wet. Morele geboden moeten worden opgevolgd uit respect voor de onderliggende norm zelf, zonder rekening te houden met de vraag of andere personen dat ook doen, terwijl de gehoorzaamheid aan de wet van de burger afhankelijk is van de macht van de staat. Het vervullen van een ethische verplichting kan daarentegen niet worden afgedwongen en is ook geen categorische vereiste. Het hangt af van de verwachting van wederkerig gedrag – en van het vertrouwen dat deze wederkerigheid in de loop der tijd overeind zal blijven. In dit opzicht dient onafdwingbaar ethisch gedrag ook iemands eigenbelang op de middellange of lange termijn.

Het is precies dit aspect dat Sittlichkeit deelt met solidariteit, hoewel dat laatste niet kan vertrouwen op pre-politieke gemeenschappen als de familie, maar alleen op politieke banden of gedeelde politieke belangstelling. Terwijl de wet en de moraliteit verwijzen naar een gelijke mate van vrijheid van autonome individuen, verwijzen ethische verwachtingen en oproepen tot solidariteit naar een belang bij de integriteit van een gedeelde levenswijze, die iemands eigen welzijn omvat.

We moeten echter opmerken dat het concept solidariteit in twee opzichten een verandering markeert in de semantiek van het juiste ethische gedrag. Gedrag gebaseerd op solidariteit veronderstelt politieke contexten die wettelijk zijn georganiseerd en in die zin kunstmatig zijn en niet organisch gegroeid. Het gebruikelijke gepraat over ‘burgerlijke solidariteit’ veronderstelt al de wettelijk geconstitueerde omgeving van een politieke gemeenschap, normaal gesproken een natiestaat. Solidariteit is altijd politieke solidariteit. We moeten ons bewust zijn van het feit dat het nationalisme dat verschil tussen burgerlijke ‘solidariteit’ en pre-politieke Sittlichkeit verdoezelt. Het nationalisme beroept zich zonder enige grond op het concept als het ‘nationale solidariteit’ in het vaandel voert en daarmee de solidariteit van de burger gelijkstelt met de samenhang tussen degenen die in dezelfde collectiviteit zijn geboren. In ieder geval is het krediet van het vertrouwen dat wordt verondersteld door gedrag dat is gebaseerd op solidariteit minder sterk dan in het geval van ethisch gedrag, omdat dit krediet niet is verzekerd door het bestaan van een quasi-natuurlijke gemeenschap. Het ‘toeschrijvende’ moment van overerfde banden in eerder bestaande ethische relaties ontbreekt in het geval van solidariteit.

Wat solidariteit bovendien een speciaal karakter verleent, is in de tweede plaats de offensieve aard van het aandringen op of zelfs strijden voor het loskrijgen van de belofte die is gelegen in de legitimiteitsclaim van iedere politieke orde. Deze vooruitziende aard wordt bijzonder duidelijk als solidariteit is vereist in de loop van sociale en economische modernisering. Soms zijn oproepen tot solidariteit toepasselijk in situaties waarin burgers voor de uitdaging staan de overbelaste capaciteiten van een bestaand, maar afbrokkelend politiek kader aan te passen aan de indirecte kracht van systemische onderlinge afhankelijkheden, die de lotgevallen van de burgers van verschillende politieke gemeenschappen als het ware ‘achter hun rug om’ verbinden. Zulke onderlinge afhankelijkheden worden gevoeld als beperkingen van wat feitelijk binnen het bereik van de politieke controle van democratische burgers zou moeten liggen.

Ik denk dat deze beschrijving heel goed past op de huidige situatie van burgers in het hart van Europa die moeten aandringen op verdere politieke integratie, om hun zeggenschap te kunnen uitbreiden over quasi-natuurlijke economische krachten en een democratisch evenwicht te kunnen herstellen tussen de politiek en de markt.


Jürgen Habermas (Düsseldorf, 1929) geldt als een van de belangrijkste filosofen van deze tijd, met name op het gebied van de politieke filosofie. Dit essay is een uitgebreide versie van Habermas’ rede bij het in ontvangst nemen van de Erasmusprijs, die jaarlijks wordt toegekend aan een persoon of instelling die een buitengewone bijdrage heeft geleverd op cultureel, sociaal of sociaal-wetenschappelijk gebied, in Europa en daarbuiten