Voorbij de kreunende grond

In de retoriek rond Obama’s verkiezing spelen ook literatuur en kunst een rol. Zo herkent de Antilliaanse schrijver Derek Walcott in De zaaier van Vincent van Gogh de eerste zwarte president van de Verenigde Staten.

Kort na de Amerikaanse presidentsverkiezingen werd Barack Obama gefotografeerd met een boek onder zijn arm. Het werd geïdentificeerd als het verzameld werk van Derek Walcott, dichter uit het bovenwindse eiland Saint Lucia en winnaar van de Nobelprijs. Toen Walcott, die ook Nederlanders onder zijn voorouders rekent, vorig jaar in Amsterdam zijn werk voordroeg, werd hij door weinigen buiten de Antilliaanse gemeenschap opgemerkt. Er was slechts één journalist.
Walcott kreeg in november een hartelijker ontvangst in Nieuw Amsterdam. Het auditorium van de City University of New York was zo vol dat laatkomers de dichter op een videoscherm volgden. Zijn lezing ging over macht. De enige macht van de Derde Wereld, verkondigde hij, is culturele macht.
Dit waren veelzeggende woorden in het licht van de verkiezingsuitslag. Wat betekende de foto van Obama met dichtbundel? Bij de vorige president zou zo’n plaatje toch minder geloofwaardig zijn geweest. Sterker nog, Amerikaanse leiders hebben zich gehoed voor de associatie met poëzie. John Kerry’s elitaire voorkeur voor wijn boven bier kostte hem al de kop. Bill Clinton camoufleerde zijn opleiding in Oxford met een zuidelijk accent en Arkansaanse aforismen over varkens.
Inderdaad is de huidskleur van de nieuwe president misschien wel minder verwonderlijk dan het feit dat hij ooit poëzie schreef en doceerde aan de Universiteit van Chicago. Critici prezen het literaire gehalte van zijn autobiografie Dromen van mijn vader (1995). Vier jaar geleden tekende Obama een contract om voor anderhalf miljoen dollar The Audacity of Hope (‘De herovering van de Amerikaanse droom’) te schrijven. Zijn academische achtergrond wordt voor veel kiezers echter geneutraliseerd door zijn Afrikaanse herkomst. Die geeft hem krediet in het land waar ‘intellectueel’ een scheldwoord is. In de woorden van Beat-dichter William Burroughs: ‘Intellectuelen zijn deviants (tegennatuurlijk – tw) in de VS.’
Een zwarte man op het pluche maakte een jubelstemming mogelijk in de elitaire New York Times. Er zou weer een president zijn zoals John Adams, ooit consul in Nederland en te herkennen aan de dichtbundel onder zijn arm, en James Garfield, die Grieks schreef met de ene hand en Latijn met de andere. Het zijn paradoxaal genoeg niet de Democraten die proberen Obama’s literaire kwaliteiten te verhullen. Juist in de Republikeinse ‘blogosfeer’ gaat het gerucht dat hij zijn boeken niet zelf schrijft. Dat intellectuelen geen lekkere jongens zouden zijn, blijkt wel weer uit de theorie over zijn ghostwriter: William Ayers, ooit voorman van een linkse terreurgroep.
De discussie over Obama’s schrijverschap werd aangewakkerd door het contrast met zijn tegenkandidaten. Onderzoek wees uit dat hij sprak op ‘leesniveau’ 9 terwijl John McCain bleef steken op 7. New Yorkse intellectuelen bespotten vooral de voorkeur van veel Amerikanen voor Sarah Palin als vice-president, die zelfs haar moedertaal niet beheerst. In dit land waar velen naast Engels ook de taal van hun ouders spreken, zou je kunnen verwachten dat een falende Engelse uitdrukkingsvaardigheid sympathie wekt. Toch kozen juist immigranten in meerderheid voor een in volzinnen sprekende, op Harvard geschoolde jurist. Of liever, Obama zou in paragrafen spreken, zo benadrukten commentatoren, in plaats van in soundbites.
Tijdens zijn lezing in New York zweeg Walcott over de intellectuele vermogens van de nieuwe president. Wel vereerde hij hem met een gedicht, getiteld Zestien hectare. Het begint zo:
Uit het rumoer verrijst een embleem,
een gravure –
een jonge neger bij dageraad met strohoed
en overall,
symbool van een onmogelijke voorspelling, een menigte
gaat uiteen als de voor geploegd door een muildier,
opzij voor hun president: een veld van sneeuwvlokken
van katoen
groot zestien hectare, van kraaien met
voorspelbare voortekens
die de jonge ploeger negeert vanwege zijn onvergeten
katoenharige voorouders, terwijl (…) op de wijkende rand
van het veld –
een vogelverschrikker gebaart en stampt
van woede om hem.

De titel was oorspronkelijk ‘Zestien hectare en vijftig staten’ (‘Forty Acres and Fifty States’), vertelde Walcott. Toch is ook zo voor Amerikanen duidelijk waarop hij doelt: de uitdrukking ‘zestien hectare en een muildier’. Dit werd bevrijde Afro-Amerikanen na de Burgeroorlog beloofd – akkerland en een ezel om de ploeg te trekken. Beladen woorden dus: toen Spike Lee zijn filmmaatschappij Forty Acres & A Mule noemde was hij natuurlijk ironisch. Walcott gebruikt ze als dubbelzinnige metafoor. De akker als microkosmos waarin geschiedenis en toekomst van Amerika besloten liggen.
Zo’n historisch thema typeert Walcott; zijn hoofdwerk Omeros verbindt de Oudheid met de koloniale geschiedenis van de Antillen. De sneeuw rond de ‘jonge neger’ in het gedicht symboliseert het slavernijverleden toen zwarten vooral als katoenplukkers werkten. Gelukkig is de plantagehouder nu een krachteloos schrikbeeld waarvoor kraaien niet opvliegen.
In New York lichtte Walcott toe dat een kunstenaar uit zijn geboorteplaats Saint Omer hem inspireerde. Als twintiger ontwikkelde Walcott zich aanvankelijk tot een vaardig schilder. Ook het verkiezingsgedicht, dat een ‘gravure’ voor ogen voert, heeft een sterk picturale kwaliteit. Het wekt de associatie met een beeldtaal die inmiddels verankerd ligt in het geheugen van een groot deel van de wereld: die van Vincent van Gogh. De ‘emblematische’ figuur die bij dageraad de akker bewerkt is De zaaier in het Van Gogh Museum.
Walcotts werk geeft een hoofdrol aan deze Hollandse meester. De dichter citeert herhaaldelijk uit Van Goghs brieven. Hij spiegelt zich aan de gekwelde emigré-kunstenaar, wiens visie nationaliteit en geschiedenis overstijgt, om de ontheemde Caribische cultuur te beschrijven. Walcott geeft een Antilliaan het woord: ‘Ik heb Nederlander, neger, en Engelsman in me,/ en of ik ben niemand, of ik ben een natie’. In de praktijk betekent dit natuurlijk: ‘I have no nation but the imagination’.
Van Goghs medelijden met verschoppelingen is bij Walcott een model voor zijn eigen zorg om zijn landgenoten. Hij voert ‘Saint Vincent’, het buureiland van Saint Lucia, op als een personage, net als Saint Omer, hoofdrolspeler in Omeros. Het artistiek genie van de ‘martelaar’ Vincent biedt tegengif tegen de platte cultuur van het Caribische toerisme. De schilder belichaamt de potentiële macht van de Derde Wereld: het omvormen van gebrek tot deugd, van lijden tot kracht.
Het gedicht voor Obama besluit:

De kleine ploeg gaat voort over dit belijnde blad
voorbij de kreunende grond, de boom die dienst deed als galg, de tornado
met zijn zwarte wraak
en de jonge ploeger voelt de verandering
in zijn aderen,
hart, spieren, pezen,
totdat het land open ligt als een vlag en
de dageraad
met zeker licht over het veld strijkt en voren wachten op de zaaier.

Met de verkiezingsoverwinning zijn kwesties van schuld en boete gepasseerd, zodat de nieuwe mens een maagdelijk veld betreedt. Walcott vergelijkt Obama met de Messias, op dezelfde manier als Van Goghs schilderij een boer vereert met een aureool. De landbouwer is bovendien zelf dichter, wiens pen voren trekt over ‘dit belijnde blad’.
Van Goghs werk waarop een gewoon mens als Christus wordt geportretteerd sluit aan bij verhalen over Obama in de aanloop naar de verkiezingen. Walcotts gedicht werd in New York beloond met applaus. Blijkbaar had Amerika een verlosser nodig als president. Dit vraagt om toelichting.
Binnen de hoofdstroom van de Amerikaanse cultuur was een zwarte president altijd een ‘onmogelijke belofte’. Hij kwam voor in Hollywood-films waarin de wereld vergaat en sciencefictionromans zoals Irving Wallace’s The Man uit 1964. Wallace kreeg doodsbedreigingen voor zijn sympathieke portret dat verscheen op het hoogtepunt van de burgerrechtenbeweging. Toen na verloop van tijd werd besloten tot de filmversie werd er danig herschreven.
Het is geen wonder dat veel Afro-Amerikanen de voorkeur geven aan een andere literaire toekomstvisie: de oudtestamentische beeldvorming over een Verlosser die de onderdrukten naar het Beloofde Land leidt. Al sinds de jaren zestig, en meest recentelijk nog door de blanke rapper Eminem, wordt de zwarte burgerrechtenbeweging vervlochten met joodse opvattingen over de Messias.
Obama’s literaire werk biedt genoeg stof voor dergelijke profetische speculaties. Zijn hoofdthema is de zoektocht naar een ‘beginverhaal’. Van daaruit kan hij werken aan een betere toekomst. Met een afwezige Keniaanse vader, die zijn moeder ontmoette op een cursus Russisch aan de Universiteit van Hawaï, was Obama’s jeugd bepaald door de wens om ‘gaten in onbekende verhalen op te vullen’. Hij verslond een kinderboek over verschillende scheppingsmythen: Genesis, Prometheus die het vuur van de goden stal, de schildpad die volgens hindoes het heelal torst. Later, in Indonesië, gaf zijn moeder hem de toespraken van Martin Luther King.
Als New Yorkse student, op Amsterdam Avenue, schreef Obama een dagboek met ‘zeer slechte’ poëzie en beluisterde de gospelzang waarin hij ‘een vluchtige glimp opving van datgene wat [hij] zocht’. De hang naar een oorsprongsverhaal inspireerde hem om een kerk te bezoeken. In Dromen van mijn vader bekent hij twijfels over zijn geloof: het was een keuze, geen openbaring, om deel te worden van het traditionele Afro-Amerikaanse collectivisme. Bijbelverhalen gaven zijn toekomstverwachtingen een kader. Uiteindelijk ontleende hij de titel van zijn tweede boek, The Audacity of Hope, aan een preek van zijn dominee, Jeremiah Wright. En naast verhalen die de basis leggen voor een identiteit noemt Obama ook counternarratives of ‘tegenverhalen’ die groepen juist van elkaar onderscheiden. Hij las bijvoorbeeld Joseph Conrads Heart of Darkness ‘om te begrijpen wat precies de blanken zo bang maakt (…) hoe mensen leren te haten’.
Profetische verhalen kleurden de presidentsverkiezingen voor veel Afro-Amerikanen. De Shiloh Baptist Church vergeleek dominee King met Mozes, die stierf voor hij de Jordaan overstak. Obama zou dan zijn als Jozua die zijn volk het Beloofde Land binnenleidde. Op de vraag van de kansel ‘wie de wereld zal redden’, scandeerde de gemeente de naam van de presidentskandidaat, en spirituals verkondigden hoe akkers nieuw werden ingezaaid.
Wat Walcotts gedicht via symbolen impliceerde, werd in dezelfde week verwoord door een andere winnaar van de Nobelprijs. Toni Morrison, befaamd om een stelling die zij nooit verkondigde, namelijk dat Clinton ‘de eerste zwarte president’ was, presenteerde haar nieuwste roman in de New York Public Library. Ze bekende dat haar steun voor Obama was gebaseerd op zijn talent als verhalenverteller. Na het lezen van Dromen was ze ‘verwonderd omdat hij zo goed schrijft. Echt goed, met echt mooie grote, sterke, kunstige zinnen.’ Andere memoires die ze las, bijvoorbeeld van Clinton, stelden in literair opzicht niets voor: ‘Geen van hen was een schrijver, met bespiegeling en verandering en overpeinzing en kracht. Dromen van mijn vader was erg, erg meeslepend.’
Dit oordeel verduidelijkte Morrisons eerdere waarschuwing voor de verandering die de verkiezingen zouden brengen. Sommigen zouden zo bang zijn voor de nieuwe tijd ‘dat ze zullen weigeren hun nostalgie voor de baarmoeder op te geven’. Lyrisch dichtte de schrijfster Obama ‘een creatieve verbeeldingskracht’ toe. Het gaat hierbij niet om geleerde opleidingen maar om een profetische gave: ‘Je kan wijsheid niet opdoen in de klas of de werkplaats. (…) Wanneer was de laatste keer dat ons land door zo’n leider werd bestuurd? (…) Iemand die begrijpt wat Amerika moet worden in de wereld?’
Op de verkiezingsdag verdroeg Morrison niemands gezelschap, tot aan de uitslag: ‘Ik voelde een opluchting alsof er iets van me afviel. Hoewel ik [Obama’s] moeilijke arbeid zie aankomen, weet ik dat we het kunnen doen. Het maakte dat ik me voelde als die frase van Martin Luther King, over dat hij op de bergtop was geweest. Ik kon die metafoor nooit eerder visualiseren, tot dit moment.’ Ze verwees naar Kings op één na beroemdste lezing. Hersteld na een aanslag in 1968 presenteerde hij in Memphis een vogelvlucht over de wereldgeschiedenis. De Oudheid of Renaissance had hij minder graag meegemaakt dan de tweede helft van de twintigste eeuw, zei hij, toen er voor het eerst samenwerking was tussen de rassen: ‘We hebben enkele moeilijke dagen voor ons. Maar nu kan het me echt niets meer schelen, want ik ben op de bergtop geweest. (…) Zoals iedereen, zou ik lang willen leven. Ouderdom heeft zijn waarde. Maar daar ben ik nu niet meer mee bezig. Ik wil alleen Gods wil uitvoeren. En Hij heeft me toegestaan de berg te beklimmen. En ik heb er overheen gekeken. En ik heb het Beloofde Land gezien. Misschien kom ik er niet met jullie, maar ik wil dat jullie vanavond beseffen dat wij, als volk, het Beloofde Land zullen bereiken!’
‘Ik ben op die bergtop geweest’, om het hemelse Jeruzalem te zien: dit is waarschijnlijk de belangrijkste metafoor uit de Afro-Amerikaanse godsdienstbeleving. In de sleutelroman hiervoor, James Baldwins Verkondig het op de bergen (1952), verzoent het hoofdpersonage zich met het verleden van zijn zwarte ouders in het besef dat zijn geloof uitkomst zal bieden. Deze roman over religie en identiteit vormde het model waar auteurs als Morrison zich nog steeds aan spiegelen.
De bergtopmetafoor verduidelijkt dat voor zwarte Amerikanen de verkiezing van Obama veel meer inhield dan politieke emancipatie. King besloot zijn rede in Memphis met: ‘Ik ben zo gelukkig, vanavond. Ik maak me nergens zorgen over. Ik vrees niemand! Mijn ogen hebben de glorie van de komst van de Heer aanschouwd!’ Ook Walcotts gedicht gaat over het zien van de Verlosser. Zijn jonge neger bij dageraad illustreert de emotionele toestand van veel Afro-Amerikanen tijdens de verkiezingsnacht. King had het Beloofde Land slechts gezien; de generaties na hem zouden het bereiken. Die profetie werd vervuld met Obama’s presidentschap.
De geëxalteerde Nobelprijswinnaars verwoordden waarschijnlijk een breed gedeeld sentiment. Per slot van rekening had de academische elite een nog pretentieuzer verhaal over Obama’s verkiezing. In de Times schreef Harvard-professor Orlando Patterson: ‘Amerika heeft eindelijk gepresteerd, door het meest sublieme voorbeeld van democratisch regeren sinds de uitvinding in Griekenland 25 eeuwen geleden.’ Obama’s oorsprongsmythe werd zo, via de Amerikaanse Founding Fathers, teruggevoerd tot een held uit de Oudheid.
Te midden van deze overtrokken ideeën over oorsprong en toekomst blijft de president zelf vrij nuchter. Obama, die ongestoord koketteert met zijn spreekvaardigheid, is zich bewust van de beperkingen van verhalen om identiteit vorm te geven. Zwarte Amerikanen kan niet worden verweten dat ze een onbesmet verleden zoeken, stelt hij in Dromen: ‘Ze zijn niet uniek in dit verlangen. De Duitsers, de Engelsen… ze claimen allemaal Athene en Rome als het hunne, hoewel hun voorouders meehielpen aan het vernietigen van de klassieke cultuur.’ Hij becommentarieert ook zijn eigen vermogens als verteller. Vanaf het moment dat hij zijn klasgenoten wijsmaakte dat ‘Obama’ ‘brandende speer’ betekent en zijn vader een opperhoofd was, leerde hij zijn kindertijd, en de ‘verhalen die er vorm aan gaven’, te wantrouwen. Hij bekent zelfs dat hij op zijn eerste Democratische Conventie slechts soundbites opdreunde, ingegeven door Kerry’s team, ‘waarvan elk woord ongetwijfeld was getest in een bataljon van polls’. Natuurlijk is Obama’s relativering van de menselijke hang naar verhalen zelf een retorische strategie, die critici hun wapens ontneemt.
Een poëtische passage in Dromen reflecteert op de macht van taal om de werkelijkheid vorm te geven. Obama concludeert dat alleen een taal die voor de hele mensheid begrijpelijk is kan leiden tot verlossing. Op safari in de Afrikaanse woestijn bereikt hij een filosofisch inzicht: ‘Zo moet de Schepping eruit hebben gezien. Dezelfde rust, hetzelfde knarsen van beenderen. Daar in de schemer, over die heuvel, stelde ik me de eerste mens voor die naar voren trad, naakt en ruwhuidig (…) nog geen woorden voor de angst, de afwachting, het ontzag dat hij voelt voor de hemel, het vage besef van zijn eigen dood. Als we ons alleen maar die eerste, gemeenschappelijke stap konden herinneren, dat eerste, gemeenschappelijke woord – de tijd die voorafging aan Babel.’
Obama verlangt terug naar de tijd van voor de Babylonische spraakverwarring, en naar een ‘gemeenschappelijke taal’ waarin de rassen en volken elkaar begrijpen. Hij lijkt de verlossingsverwachting te delen met zijn kiezers. Daarbij erkent hij wel het onvermogen van politieke retoriek om de huidige wereldproblemen op te lossen.
Zou Walcott deze passage ter harte hebben genomen bij het schrijven van zijn gedicht voor de nieuwe president? De taal van het beeld is wel voor iedereen toegankelijk. Hij nam daarom zijn toevlucht tot de Zaaier. Van Gogh portretteerde de eerste mens in wiens voetsporen wij het gemeenschappelijke pad van oorsprong en verlossing betreden. Het gedicht combineert, als in een embleem, de verschillende verhalen over verleden en toekomst rond Obama’s verkiezing. Die waren misschien wel belangrijker voor zijn overwinning dan het Democratische politieke programma.
Een Nederlands schilderij wordt in de ogen van een West-Indische schrijver een portret van de eerste Afro-Amerikaanse president van de Verenigde Staten. Walcotts gedicht is een uiting van de globalisering van de dichterlijke verbeelding, en daarmee een van de wonderlijkste en meest veelzeggende commentaren op de huidige presidentsverkiezing.

Thijs Weststeijn is kunsthistoricus. Hij publiceerde onder meer The Invisible World (2008)