JEAN BAUDRILLARD (1929-2007)

Voorbij de mens

In het appartement van Jean Baudrillard stonden vijftig tv’s. Deze hielden de filosoof op de hoogte van wat er gebeurde, of niet-gebeurde, in wat anderen beschouwden als de werkelijkheid. Soms ging hij zelf poolshoogte nemen. Dat leverde opmerkelijke gedachten op.

Begin jaren zeventig had Jean Baudrillard voortijdig afscheid genomen van de mens. Niet langer ging de interesse van de Parijse denker uit naar de menselijke verlangens, het her-denken van Heidegger, de historische verhalen, de vrije wil, de productieverhoudingen, de wetenschappelijke vooruitgang, de politieke debatten (‘een zwak psychodrama’), de artistieke retrospectieven en de elegante analyses van de café-society aan de linker oever. Identiteit noemde hij een pathetische droom in het absurde. Nee, alles was volgens hem al gezegd, geschreven en gedaan. Wat er in het nieuwe tijdperk van de massamedia plaatsvond, was niets meer dan recycling. De wereld was een readymade geworden, gelijk het urinoir van Duchamp. De westerse mens was de eindstreep van de moderniteit ongemerkt gepasseerd en leek, beweerde Baudrillard, op de wielrenners van de absurdist en patafysicus Alfred Jarry, wier benen in een tienduizend-mijlrace maar blijven doortrappen terwijl ze al dood zijn. Sterker, in al zijn enthousiasme over de vooruitgang had de mens een ongehoorde misdaad verricht: de harde werkelijkheid vervangen door een beeldenstorm van ‘simulacra’, ofwel ‘schijnbeelden’.

Jean Baudrillard – geboren ten tijde van de eerste crisis van de moderniteit en haar waardenstelsel: de beurskrach van 1929 – doopte de nieuwe realiteit om tot de ‘hyperrealiteit’ waarin het ‘echte’ alleen nog maar via de media te ervaren is. Hiermee trad hij in de voetsporen van de Ierse filosoof/bisschop George Berkeley, die drie eeuwen eerder had beweerd dat mensen de dingen alleen via God konden waarnemen.

Ervan overtuigd dat de intellectueel geen toekomst heeft, liet Baudrillard het menselijke subject voor wat het was, of niet meer was, en verlegde zijn interesse naar de dingen om ons heen, de objecten. Met de opkomst van de consumptiemaatschappij was hun macht steeds groter worden. Immers, in plaats van gebruiksvoorwerpen waren het statussymbolen geworden. Daarover had hij in 1966 reeds Le système des objects geschreven, het proefschrift dat hem een lectoraat had opgeleverd aan de Universiteit van Nanterre, maar met de tijd ontwikkelde Baudrillard voor zijn hyperrealiteit een radicale metafysica. Hierin stond niet het armzalige Subject centraal, maar het raadselachtige Object. We moeten ons lot omarmen, niet bepalen. Zelf een object worden, net als Andy Warhol dat deed, de kunstenaar die beweerde dat hij liever van plastic had willen zijn.

Het concept van ‘verlangen’, waarmee collega’s in de weer waren, verving hij door ‘verleiding’. De mens verlangde niet, maar werd door de objecten verleid. Dat gebeurde zijns inziens ook in de harde wetenschap, waar onderzoekers denken dat ze het empirische object bestuderen, terwijl ze in de (hyper)werkelijkheid voor de gek worden gehouden, of in de politiek, waar de politici door ‘de massa’s’ worden misleid. In het pamflet Oublier Foucault, dat hem in één klap veranderde in de paria van Quartier Latin, schreef hij dat net als ‘realiteit’, ‘waarheid’ en ‘verlangen’ ook Foucaults ‘macht’ een achterhaalde notie is geworden. Voorzover er sprake is van macht ligt deze nu bij het Object. Op zijn eigen vakgebied zou Johan Cruijff deze tendens als volgt omschrijven: ‘Je ziet nu vaak dat de bal de mens domineert. De mens hoort juist de bal te domineren.’

In Les stratégies fatales liet Baudrillard zien hoe ‘de dingen’ wegen hebben gevonden om te ontkomen aan de wil van de mens. Op onverwachte momenten kampt de Nieuwe Wereldorde met de kwaadaardige wraak van het object, variërend van computervirussen en aids tot klimaatverandering, allemaal onverwachte bijeffecten van de ‘vooruitgang’. Deze ‘ironie van het object’, zoals Baudrillard het noemde, doet denken aan het Frankenstein-thema én aan de romans van W.F. Hermans, waarin de kracht van de natuur regelmatig een einde maakt aan menselijke dromen.

Doorgaans levert deze ‘objectieve ironie’ geestige effecten op. Baudrillard had daarvoor een fijne neus. De voorbeelden dienden als olie in zijn gecompliceerde teksten: blinden die struikelen over bordjes welke waarschuwen voor natte vloeren, sneeuwtekorten in de Alpen als gevolg van de vervuilende wintersportindustrie en de val van het communisme die ging, zoals Marx had voorzien, voor het kapitalisme (terwijl het globale kapitalisme met zijn eenheidsworst en monopolievorming het wereldcommunisme bleek te zijn).

Het hoogtepunt van Baudrillards denken kwam ten tijde van de Golfoorlog (1991), toen hij beweerde dat de oorlog om Koeweit respectievelijk niet ging plaatsvinden, niet plaatsvindt en niet heeft plaatsgevonden, een knipoog naar Jean Giradoux’ satire The Trojan War Will Not Take Place. Hij beweerde dat het een non-oorlog was waarvan de uitkomst al bij voorbaat vaststond. De vijand was namelijk afwezig. Niet alleen omdat Saddam Hoessein van oudsher een bondgenoot was van het Westen, maar ook omdat er geen veldslagen waren zoals in traditionele oorlogen. Baudrillard haalde een onderzoek aan waaruit bleek dat het luchtverkeer boven Irak voor de Amerikaanse soldaten veiliger was dan het autoverkeer in eigen land (waaraan hij de conclusie verbond dat ‘schone oorlogen’ deel zouden moeten uitmaken van het verkeersveiligheidsbeleid). Deze non-oorlog was voor Baudrillard vooral een televisiespektakel. De hoofdpersonages waren dan ook niet de militairen, maar de gijzelaars van Saddam (die goed doorhad dat het een mediaoorlog was) en de cnn-journalisten zelf. Tien jaar later zou Baudrillard zich deels bevestigd zien toen bbc-journalist John Simpson met zijn cameraploeg voor de troepen uit liep tijdens de bevrijding van Kaboel in 2001.

Indertijd werd Baudrillard vooral beticht van immoraliteit. Hij heeft echter geen moment ontkend dat er gruwelijkheden in de Iraakse woestijn hebben plaatsgevonden. Sterker, Baudrillard vergeleek de propagandisten van de ‘schone oorlog’ met de figuurtjes van Hieronymus Bosch om wier hoofden glazen zeepbellen zitten als teken van hun krankzinnigheid.

Van een persbureau kregen Baudrillard en zijn geestverwant Paul Virilio het aanbod om als correspondenten het vermeende oorlogsgebied te bezoeken. Hoewel het hem een geestig idee leek om er als de stuntelige detectives Jansen en Janssen uit Kuifje naartoe te gaan, bedankte hij voor de eer. Je kon de Golfoorlog immers overal volgen, tot en met het skioord Courchevel waar door luidsprekers op straat werd omgeroepen dat de bevrijding was begonnen. Hetgeen bij Baudrillard de acute vraag opriep of de Iraakse militairen ook op de hoogte worden gehouden van de sneeuwhoogten in de Franse Alpen.

Maar een wereldvreemde kluizenaar kon Baudrillard niet worden genoemd. Hij reisde veel, zo bleek uit zijn impressionistische dagboeken Cool Memoires, waarvan het eerste deel in 1987 verscheen. Door zijn gewoonte bestaande denkpatronen om te draaien, zou Baudrillard tot originele gedachten komen. In Australië bezocht hij onder meer Ayer’s Rock. Besloten was, zo vernam hij, om deze rots terug te geven aan de Aboriginals, maar aan welke stam? Uiteindelijk viel de keuze op de stam die het beste kon dansen. ‘Wellicht zullen de Aboriginals het operahuis van Sydney in een verre toekomst teruggeven aan de blanken, op de voorwaarde natuurlijk dat ze de juiste dans uitvoeren.’

Terwijl hij in de dierentuin van Berlijn wilde dieren zich traag zag voortbewegen over de besneeuwde kunstrotsen mijmerde hij over zijn theorie van het raadselachtige object. ‘De morfologie van dieren is zo raar (een olifant, wie heeft dat kunnen bedenken?) dat we moeten vermoeden dat, zoals Elias Canetti suggereerde, achter dit masker iemand ons voor de gek houdt, iemand de waarheid voor ons verbergt.’ Nederland kenschetste hij als een ‘zachte, kleine wereld’ waar paarden grazen nabij tulpenvelden, stevige jongedames snel doorfietsen en de geschiedenis, anders dan in het theatrale Italië, weinig sporen heeft nagelaten. Toen hij door nevelig Roosendaal reed, kwam er een dringende vraag op: ‘Wanneer, o, wanneer toch was dit land het centrum van de wereld, met Spinoza’s dolheid en Vermeers licht?’

Zijn ultieme reisverslag was natuurlijk Amérique. Waar empirische wetenschappers een theorie ontwikkelen aan de hand van veldonderzoek had Baudrillard besloten de volgorde om te draaien. Halverwege de jaren tachtig had hij daarom zijn televisiestudio in Montparnasse verlaten om als een gemotoriseerde Alexis de Tocqueville in een snelle auto door de hyperrealiteit te scheuren. Naar zijn idee kwam hij tijdens een autotocht van tienduizend kilometer meer te weten dan alle sociaal-culturele faculteiten bij elkaar. Hij bleef ver van de mensen, net zoals Zarathoestra dat deed tijdens zijn bergtocht op zoek naar de supermens. Baudrillard was echter niet op zoek naar de plaatselijke mores en moraliteit, maar naar ‘de leegte, de absolute vrijheid van de snelwegen’. In zijn ogen was Amerika de ‘laatst overgebleven primitieve maatschappij op de wereld’, een cultuurvrije zone waar de hekken rondom Disneyworld het gegeven camoufleerden dat het land voor de rest wél echt is. ‘Zullen ze ooit een Disneyland bouwen in Disneyworld?’ vroeg hij zich onderweg af.

Twintig jaar voor het conflict tussen de Europeanen en de Amerikanen omtrent de jongste oorlog om Irak beschreef Baudrillard reeds de verschillen tussen Oud Europa, waar men droomt van de utopie maar op het laatste moment koudwatervrees krijgt, en de Nieuwe Wereld, waar de utopie blijmoedig gerealiseerd is. Het eerste is een bonte verzameling landen, het tweede een concept. Daartussen hangt volgens Baudrillard een onoverbrugbare kloof. ‘Geschiedenis en marxisme zijn net als goede wijn en haute cuisine: ze zijn de oceaan nooit echt overgestoken, ondanks indrukwekkende pogingen om ze in te burgeren. Dit is niets meer dan een revanche voor het feit dat wij de moderniteit nimmer hebben kunnen huisvesten.’

Wat moest men hiermee in eigen land aan? Was het ouderwetse ironie, zoals Alain Finkielkraut dacht? Meende hij het, zoals anderen vreesden? In ieder geval bleef Baudrillard als een hyperreële café-filosoof (‘Waarom gaat men naar een café? Om de malheid van anderen te observeren’) trouw aan Parijs. Zijn reputatie als ‘David Bowie van de filosofie’, ‘theoretisch terrorist’ of ‘intellectuele playboy’ stond in schril contrast met zijn bescheiden, onzekere en schuchtere karakter. Hij zou zichzelf altijd blijven zien als een simpele telg van een boerenfamilie uit de provinciestad Reims wiens fataal-futuristische oeuvre, tot het bittere einde geschreven op een schrijfmachine, vaak een nostalgische ondertoon bezit.

Oude artikelen van Baudrillard in De Groene Amsterdammer

De Vierde Wereldoorlog
Essay: Jean Baudrillard over 11 september

Het goddelijke Europa
Jean Baudrillard: waarom ja-dwang tot nee leidt

Oud artikelen over Baudrillard in De Groene Amsterdammer

Brinkman contra Baudrillard

Overige Links:


http://www.liberation.fr/culture/239142.FR.php

http://www.stanford.edu/dept/HPS/Baudrillard/Baudrillard_Simulacra.html

http://englishscholar.com/baudrillard.htm

http://technorati.com/tag/baudrillard

http://books.guardian.co.uk/review/story/0,,976725,00.html