Genetische Zijderoutes

Voorbij de pizza

Pasta met milieu-vriendelijke kip, ziekte-bestendige aardappels en sterke, zoete tomaten. Het visioen van een wereld zonder honger, met gevarieerd voedsel voor iedereen, wordt realiteit als we de moed hebben onze genetische kennis te gebruiken.

In 1926 reisde een bijna veertigjarige Russische botanicus, Nikolai Vavilov, naar het gebied rond de Middellandse Zee om zaden te zoeken voor de Sovjet-Unie, waar honger en lage opbrengsten aan de orde van de dag waren. Hij was ervan overtuigd dat de voedselproductie alleen door genetische verbetering veilig te stellen was. Daarom zocht hij naar zaden om te kweken en te kruisen met Russische planten. Hij bezocht onder meer Italië, waar hij onder de indruk raakte van de Po-vlakte. Daar brachten de geïrrigeerde rijstvelden achtduizend kilo per hectare op en werd bijna iedere vierkante meter gebruikt om voedsel te produceren. Op de hellingen stonden de bomen in rechte rijen, met daartussen granen, bonen, druiven en groentes. Vavilov zag hierin het hoogtepunt van landbouwkundig vernuft. Maar hij wist dat Italië niet zijn eindstation kon zijn. Zijn zoektocht naar nieuwe zaden, die hem al naar Afghanistan en Pakistan had gebracht, zou hem nog naar vele delen van de wereld voeren.

Vavilov zag als een van de eersten dat wat wij eten het product is van aardrijkskunde en geschiedenis. Neem bijvoorbeeld de Italiaanse keuken. Bijna iedereen denkt daarbij aan pasta, pizza en risotto. Dat klopt, maar het is maar het halve verhaal. Tarwe, voor pasta en pizza, komt namelijk uit het Midden-Oosten, en deegslierten zijn een Chinese uitvinding. Pizza is armeluisvoedsel uit Napels, werd door emigranten naar de Verenigde Staten gebracht, en dankt zijn wereldwijde populariteit aan Amerikaanse troepen die na de Tweede Wereldoorlog thuis ook zo wilden eten. Tomaten, belangrijk ingrediënt voor ’rode’ pasta en pizza, komen uit Midden-Amerika. En dan de rijst voor de risotto. Waarschijnlijk is die helemaal niet Italiaans, maar afkomstig van Arabische en joodse handelaren die rijst vervoerden vanuit het Midden-Oosten naar Italië. Daarmee is het verhaal niet afgelopen, want rijst komt oorspronkelijk natuurlijk niet uit het Midden-Oosten, maar uit Azië. En er zijn twee, onafhankelijk van elkaar in cultuur gebrachte rijstsoorten, de Aziatische (O. sativa) en de Afrikaanse (O. glaberrima). Zij stammen af van een gemeenschappelijke voorouder die groeide op het supercontinent Pangea, meer dan 130 miljoen jaar geleden.

Medium taba01

Het duurde tot achtduizend jaar voor onze jaartelling dat in een brede band van Zuid-China naar de grote vloedvlakte van de Ganges wilde rijst werd verzameld, beschermd en geteeld, net als dat iets eerder met tarwe en gerst gebeurde in Mesopotamië. Dat proces, domesticatie, duurde enkele duizenden jaren. Door de jaarlijkse selectie van zaaizaad gingen de eigenschappen van de Aziatische rijst steeds meer uiteenlopen. In Midden-China, Korea en Japan met hun koude winters is koude-tolerantie noodzakelijk, terwijl rijst in India juist tegen hitte en korte dagen moet kunnen. Zo zijn in Azië twee ondersoorten ontstaan, de indica- en de japonica-rijst die nu onderling niet meer kruisen.

Juist die uiteenlopende eigenschappen waren voor Vavilov van groot belang. Zijn hypothese was dat de grootste genetische variatie voorkomt in wat hij de oorsprongsgebieden noemde. Dat zijn de gebieden waar de gewassen het eerst door de mens werden uitgezocht te midden van wilde verwanten. Het gaat hierbij om twee vormen van variatie: van de wilde verwanten van bijvoorbeeld rijst en tarwe, en de variatie die bestaat in lokale landrassen dankzij eeuwenlange selectie. Vandaag zijn die grotendeels verdrongen door commerciële rassen, maar in de tijd van Vavilov bestonden er soms wel honderden in een klein gebied. Hij toonde aan dat de teelt van gewassen niet toevallig overal tegelijkertijd is ontstaan maar in specifieke gebieden die je nog steeds kunt herkennen aan hun diversiteit. In de oorsprongsgebieden leven wilde en gedomesticeerde planten in elkaars nabijheid.

Een van de eerste dingen die Vavilov deed was de oude Zijderoute bereizen, in oostelijke richting. Want daarlangs kwamen ooit voedselgewassen zoals rijst naar het Westen. Parallel aan de ontwikkeling van de landbouw nam ook de handel toe en ontstond langzamerhand een permanent netwerk van handelsroutes, eerst binnen Azië, daarna tot Aleppo in Noord-Syrië, en verder westelijk naar Rome. In de valleien van de Tiber en de Po vonden de producten en de kennis die langs de Zijderoute overgebracht waren hun bestemming.

Dit netwerk met vele tracés noemen we de Zijderoute. Hierdoor raakten de toenmalige centra van beschaving, de Chinese, Indiase en Mesopotamische, met elkaar verbonden. De routes zijn meer dan tweeduizend jaar oud, mogelijk drieduizend. Uit het Oosten kwamen, gedragen door paarden en kamelen, brons, bont, lakwaren, keramiek, talloze gewassen en landbouwhuisdieren. Het belang van de Zijderoute voor de voedselvoorziening is niet te overschatten: ongeveer de helft van de planten die wij nu eten, komt oorspronkelijk uit Azië. Rijst, tarwe, gerst, gierst, diverse bonen, kool, aubergine, appel, citroen, perzik, rabarber, sesam – noem maar op. Ook de uit Azië afkomstige koeien, paarden en schapen hebben landschap, landbouw en voeding in Europa fundamenteel veranderd.

Langs de Zijderoutes kwam ook kennis naar Europa: niet in de laatste plaats technieken zoals grondbewerking, irrigatie en het planten op rijen. Later, gedurende de expansie van de islam, brachten Arabische wetenschappers wiskundige inzichten, zoals het getal nul, uit India naar het Westen, net als Chinese alchemie en medische kennis. Omgekeerd reisden de Griekse wetenschap, filosofie en literatuur oostwaarts in het kielzog van Alexander de Grote. Grote volksverhuizingen zoals van de Farsi-sprekers leidden tot een verdere wisselwerking tussen talen en culturen. Geleerden, kunstenaars, ambachtslieden trokken langs de Zijderoutes op hun ezels en paarden, beladen met nieuwe inzichten, boeken en producten, waaronder zaden. Ook al bleef de dominante richting van Oost naar West, de Zijderoute was de weg van de dialoog.

De ontdekking van Amerika door Columbus in 1492 bracht een stroom van gewassen op gang van West naar Oost, naar de Oude Wereld: aardappel, mais, cassave, tomaat, pinda’s. Ook die tomaten die we nu bij uitstek als Italiaans beschouwen. De Columbiaanse uitwisseling had grote gevolgen voor de bevolkingsgroei in Europa, vanwege de aardappelen en de mais voor veevoer. Deze productieve gewassen maakten het mogelijk meer monden per hectare te voeden.

De helft van de planten die wij nu eten, komt oorspronkelijk uit Azië. Rijst, tarwe, gerst, appel, citroen – noem maar op

Nikolai Vavilov volgde ook het spoor terug naar het Westen, de VS en Centraal- en Zuid-Amerika. In 1930 verzamelde hij in de vulkanische berggebieden van Mexico en Guatamala een verbazingwekkende hoeveelheid onbekende voedselplanten. Hij verfijnde zijn hypothese over de oorsprongsgebieden: juist daar waar het landschap heel afwisselend is, dankzij microklimaat en geografisch isolement, ontstaan de meeste landrassen.

In landbouwkundig opzicht was de Columbiaanse uitwisseling, veel meer dan de oude Zijderoute, in essentie tweerichtingsverkeer of eigenlijk een spinnenweb. De Europeanen brachten alles wat zij oorspronkelijk uit Azië hadden ontvangen – tarwe en rijst, maar ook dieren als kippen, koeien en paarden – naar het westelijk halfrond. De handelsroutes vanuit het Westen namen een nog grotere vlucht toen in de negentiende eeuw zeilschepen werden vervangen door stoomboten, waardoor graan uit de VS goedkoop naar Europa kwam.

Door de nieuwe Columbiaanse handelsroutes en de oude Zijderoutes werden vanaf de zestiende eeuw alle gebieden verbonden waar de landbouw bloeide: China en India met Mesopotamië, Midden- en later Zuid-Amerika met Afrika en Europa. Europa werd het centrum van dit internationale netwerk. Een essentieel verschil tussen de oude Zijderoute en de nieuwe westelijke handel ligt in de relatieve snelheid waarmee de uitwisseling van planten plaatsvond. Waar rijst of appels er duizenden jaren over deden om Europa te bereiken, kwamen in het kielzog van Columbus gewassen in één of hoogstens twee eeuwen over naar het Oosten. Voor tomaten, al zevenduizend jaar oud, duurde het van begin zestiende tot eind zeventiende eeuw voordat ze herkenbaar op Europese schilderijen en in recepten verschenen. De Britten brachten ze vervolgens naar India, waar tomaten nu een onmisbaar bestanddeel van de curry vormen.

Genetisch gesproken betekende deze snelle introductie, die vaak slechts enkele honderden of duizenden planten omvatte, dat lang niet alle oorspronkelijke genetische variatie mee kwam. Hoe erg dit is, hangt er onder meer vanaf of het een vegetatief, dus via knollen, stekken of wortels vermeerderde plant is, of via zaad.

Vegetatief, of ongeslachtelijk, vermeerderen betekent dat het nageslacht genetisch bijna volledig identiek is, dus geen variatie vertoont. Als er dan een ernstige ziekte optreedt, bestaat de kans dat alle planten aangetast worden. Daar waar de verbouw van gewassen al lang plaatsvindt, met name in de oorsprongsgebieden, ontstaan na verloop van tijd ook weer natuurlijke vijanden van de ziekteverwekkers en ontwikkelen planten ook zelf een zekere resistentie.

Door de smalle genetische basis en de afwezigheid van natuurlijke vijanden leidde de besmetting met de waterschimmel Phytophthora infestans in aardappelen in Ierland in de negentiende eeuw tot een vreselijke hongersnood. De armste bevolking in Centraal-Afrika loopt nu grote risico’s door verschillende virusziekten in cassave waartegen geen weerstand bestaat. Wereldwijd wordt de banaan, ook een vegetatief vermeerderd gewas, bedreigd door de Panamaziekte, waarvoor alleen in wilde verwanten weerstand bestaat.

In het laatste kwart van de twintigste eeuw, na de val van de Sovjet-Unie, is de oude Zijderoute uitgegroeid tot een wereldomspannende super-highway, met vrachtvliegtuigen en gekoelde containerschepen, die dankzij elektronica op ieder moment van hun reis gevolgd worden, en de meest geavanceerde informatica bij laden, lossen en verwerken van voedsel. Handelaren en leveranciers kennen elkaar niet en wisselen elkaar voortdurend af. Prijs en snelheid geven de doorslag, al zijn het opportunisme en de anonimiteit de laatste jaren iets getemperd door betere regulering en maatschappelijk verantwoorde gedragscodes van bedrijven.

In de late negentiende en de twintigste eeuw kwam de voedselproductie in een stroomversnelling. De ontdekking van de erfelijkheidsleer, van fossiele brandstoffen, kunstmest, chemische en later biologische bestrijdingsmiddelen, druppel-irrigatie en sinds een paar decennia de informatietechnologie maken onze controle over de productie steeds nauwkeuriger en de inzet van middelen steeds intensiever en efficiënter. Het klassieke gemengde bedrijf met gewassen en dieren, waarbij de laatste dienen voor mest en trekkracht, heeft plaatsgemaakt voor specialisatie. Intensivering vereist echter een perfecte afstemming van bemesting en bestrijdingsmiddelen in het gewas. Zo ontstaat de noodzaak om rassen te vinden die door hun genetische eigenschappen het best gebruik maken van de nieuwe manieren van produceren.

De armste bevolking in Centraal-Afrika loopt nu grote risico’s door verschillende virusziekten in cassave

Wat wij eten is dus het product van geschiedenis en aardrijkskunde, zoals Vavilov besefte, maar ook van menselijk vernuft. Meer dan enig ander organisme is de mens in staat zijn voedsel te variëren, door genetische selectie, door verwerking en door handel. In tegenstelling tot andere soorten zijn wij al lang niet meer afhankelijk van wat er lokaal beschikbaar is. In Nederland importeren we al eeuwenlang het graan dat nodig is voor ons brood. De schaal waarop in de laatste decennia handel tot stand is gekomen en waarop wij in de laatste eeuw wereldwijd kennis en soorten hebben uitgewisseld, maakt ons uniek, als menselijke soort, en ook de meest bevoorrechte generatie aller tijden.

Deze veranderingen beseffen we pas ten volle als we weten dat tweehonderd jaar geleden, dus voor de modernisering in de landbouw, twee van de drie mensen niet ouder dan veertig zouden zijn geworden. Negen van de tien mensen waren in die tijd handarbeider. Een eeuw geleden was nog ruim de helft van de wereldbevolking sterk ondervoed. Vandaag is twintig procent nog steeds niet adequaat gevoed en lijdt elf procent van de wereldbevolking honger.

De laatste twintig jaar zijn het meest uitzonderlijk in de wereldgeschiedenis: voor het eerst vallen de groei in bevolking en in welvaart samen. Niet alleen in het Westen, maar overal. Een miljard mensen zijn boven de armoedegrens van 1,25 dollar per dag uitgestegen, driekwart van hen in China. Meer dan de helft van de wereldbevolking woont in steden. Er is geen land waar de opbrengsten niet zijn toegenomen. Vele voormalig zelfvoorzienende boeren zijn nu onderdeel geworden van de wereldmarkt. In vijftig jaar is de wereldbevolking verdubbeld, terwijl de hoeveelheid calorieën per persoon is toegenomen met meer dan een kwart. De vreselijke hongersnoden van Biafra of de Bengalen hebben zich niet meer voorgedaan, de grote droogte in de Sahel ligt dertig jaar achter ons. Bevolkingsgroei hoeft niet tot hongersnood te leiden. Integendeel, hongersnood ontstaat voornamelijk na natuurrampen en daar waar staten falen door burgeroorlogen of slecht bestuur. Nooit eerder was het voedingspatroon van zoveel mensen zo voedingsrijk, zo gevarieerd en zo betaalbaar. Gezinnen uit de middenklassen besteden minder dan twintig procent van hun inkomen aan voedsel, tegen vijftig procent een halve eeuw geleden.

Fossiele energie heeft menselijke en dierlijke trekkracht vervangen. Daardoor kon de hoeveelheid arbeid nodig om een hectare tarwe te verbouwen afnemen van zeshonderd mensuur in de Middeleeuwen tot twaalf aan het begin van de 21ste eeuw. Diezelfde hectare bracht in de dertiende eeuw gemiddeld achthonderd kilo op, evenveel als graan in het huidige Afrika, en levert in Nederland nu bijna negenduizend kilo. Overal kunnen de opbrengsten nog verder omhoog, veel verder soms. Chronische voedselimporteurs zoals India zijn exporteurs geworden. Wetenschappelijk gezien is er geen twijfel dat land en water voldoende kunnen opleveren om de toekomstige wereldbevolking te voeden.

Maar dat grote succes heeft zijn prijs. De prijs van overvloed en tekort. De nadruk op productie – calorieën en tonnen – is nogal eens ten koste gegaan van kwaliteit, milieu, landschap en het welzijn van mens en dier. Honger en armoede zijn niet uitgebannen. Onafzienbare gebieden zijn ontbost en drooggelegd, ten koste van biodiversiteit en broeikasgassen. Goedkoop voedsel en steeds minder handarbeid betekenen meer zwaarlijvigheid. Bijna veertig procent van het voedsel op het land bereikt niet de mond van de consument omdat het bederft of verspild wordt. Efficiëntie en intensivering, op zich verstandig, worden een doel op zich. Zelfs de smaak van voedsel blijkt aangetast door het verlies van oude rassen en de fabrieksmatige toevoeging van suiker, zout en vetten.

Je zou de laatste vijftig jaar dus ook als een doemscenario kunnen afschilderen. Maar we hebben ongelooflijk veel geleerd hebben van onze fouten. We vervuilen minder per ton product, we gebruiken minder water en veel minder chemicaliën, we hebben wetgeving om ons landschap en water te beschermen. Ironisch genoeg zijn het de generaties die het meest hebben geprofiteerd van de wetenschappelijke vooruitgang en economische groei die het meest pessimistisch en cynisch zijn. Twijfel over wetenschap en vooruitgang is datgene dat Europa op dit moment onderscheidt van de rest van de wereld, waar men juist rekent op kennis om vooruit te komen.

Die twijfel over de wetenschap is minder onschuldig dan op het eerste gezicht lijkt. Het leidt tot karikaturen, tot eenvoudige tegenstellingen tussen goed en kwaad, tussen groot- en kleinschalig, tussen ‘natuurlijk’ en kunstmatig. Alsof niet ieder menselijk ingrijpen, zeker vandaag de dag, automatisch tot schade leidt. Het gaat er niet om menselijk ingrijpen af te wijzen of te romantiseren, maar om de effecten zo gering mogelijk te maken, door bijvoorbeeld kringlopen te sluiten.

Productiegroei en intensivering – beter gebruik van grondstoffen dus – zijn noodzakelijk omdat er, voordat de wereldbevolking zich stabiliseert rond 2050, nog zeker twee miljard mensen bij komen. Voor hen en de twee miljard van nu die kwalitatief ondervoed zijn, moet er zestig procent meer voedsel geproduceerd worden. Dat is trouwens minder dan de groei in de afgelopen halve eeuw. Bevolkings- en inkomensgroei en verstedelijking leiden tot een versnelde vraag naar dierlijke eiwitten en een meer luxe voedingspatroon. De productiviteit moet dus dringend omhoog.

De mondiale genenbank van voedselgewassen ligt niet voor niets in een stabiel en koud gebergte op Spitsbergen

En er zijn talloze, onbeantwoorde vragen: hoe kunnen we op de beste manier dierlijke eiwitten, en de vervangers daarvoor produceren? Uit dieren, insecten, algen of planten? Welke systemen van voedselproductie geven de meeste flexibiliteit en de meeste veiligheid, en gebruiken de hulpbronnen van de aarde op de meest duurzame wijze? Welke energiebronnen zetten we daarvoor in? Wat is de optimale schaal van de productie?

De kern van duurzame productieverhoging ligt in de steeds nauwkeuriger afstemming tussen het genetisch potentieel van plant en dier en de productieomstandigheden. Landbouw is altijd een soort ecologische wapenwedloop tussen de planten en dieren die wij wensen en de andere soorten die daar hun oog op laten vallen: van insecten, virussen en schimmels tot olifanten en mollen. Vooral ziekteverwekkers gooien roet in het eten omdat zij zo snel veranderen. Behalve naar hogere opbrengst waren Vavilov en alle veredelaars na hem op zoek naar weerstand tegen ziekten en plagen.

Medium hh 14413536

Langs de Zijderoute en de nieuwe handelsroutes werden geen ‘gewassen’ of ‘soorten’ vervoerd, maar individuele exemplaren, en vooral: zaaizaad. Zaad is de verpakking van de toekomstige voedselvoorziening. In waarde zijn en waren zaden, of ruimer, plantmateriaal, te vergelijken met de grootste kostbaarheden als goud en jade. Afhankelijk van het ras kan twintig gram tomatenzaad meer dan tienduizend euro kosten. In twintig gram zitten ongeveer zevenduizend zaadjes. Uit ieder zaadje komt een tomatenplant die tot veertig kilogram vruchten kan leveren. Dat betekent dus 280.000 kilo tomaten uit twintig gram zaad.

Via zaad, van dier of plant, grijpt de mens direct in de evolutie in. We kiezen, niet één keer, maar bij elke generatie opnieuw, voor de meest gewenste eigenschappen, zoals weerstand tegen ziekten en plagen, houdbaarheid, kleur, smaak, vorm. Er is een lange weg afgelegd vanaf de zure en bittere eerste tomaten die uit Amerika kwamen naar de zoete, sappige trostomaten van vandaag.

Om gewenste eigenschappen te verkrijgen is genetische variatie nodig. Genetische variatie vergroten, helpt betere rassen voor de toekomst te ontwikkelen. Dat kan op twee manieren: je kunt zaaizaad bewaren of je kunt de gebieden beschermen waarin landrassen zijn ontstaan en veel wilde verwanten leven. Zaaizaad bewaren doe je in genenbanken. Dat werkt als je het zaad goed bewaart, regelmatig uitplant om het te verversen en vooral goed documenteert. Vandaar ook dat er nu voor het eerst een mondiale genenbank bestaat waarin kopieën liggen van de zaden uit nationale en internationale collecties van voedselgewassen. Noem het de back-up van de harddisk van het genetisch potentieel van voedselplanten. Die ligt niet voor niets in een stabiel en koud gebergte op Spitsbergen waar de kans op natuurrampen en burgeroorlog verwaarloosbaar is. Die mondiale genenbank is nog lang niet compleet, er ontbreken nog een aantal gewassen en rassen, en ook het genoom van dieren zoals koeien of schapen is nog nergens ondergebracht.

Oorsprongsgebieden beschermen, de gebieden die Vavilov al identificeerde, zoals geïsoleerde valleien in Mexico of in het tropisch regenwoud van Maleisië is een stuk lastiger, maar heeft het voordeel dat de planten zich er kunnen blijven ontwikkelen en zich bijvoorbeeld aanpassen aan veranderende weersomstandigheden en insectendruk.

Onze kennis van genetische variatie is enorm toegenomen door het gebruik van dna-analyse. De dna-volgorde van allerlei voedselgewassen is nu bekend, zoals van aardappel, rijst, mais, soja. Ook zijn we bezig het genoom te ontrafelen van virussen, bacteriën, schimmels en insecten. Dit leidt tot een betere selectie op gewenste eigenschappen. Bovendien kennen we steeds meer van de genetische samenstelling van wilde verwanten van bijvoorbeeld aardappel of tomaat en welke eigenschappen in die verwanten nuttig kunnen zijn. Dit heeft dus nog niets met genetische modificatie te maken, alleen met biotechnologie als gereedschap voor het karakteriseren van planten en dieren.

Dit is mijn Zijderoute, mijn paradijs: een aarde waarop iedereen voldoende en gevarieerd kan eten

In 2010 hebben Italiaanse onderzoekers het genoom ontrafeld van de appel. De appel heeft namelijk zeventien chromosomen, twee keer zo veel als al zijn naaste verwanten. De appel is de meest wijd verspreide vrucht in de gematigde streken van de wereld. Dat is niet alleen het gevolg van eeuwenlange selectie van de beste exemplaren door de mens, maar ook van zijn unieke genetische variatie. Tegenwoordig worden appels bijna altijd geënt, er wordt dus een stekje van een boom met bekende eigenschappen gezet op een onderstam die ook bekend is. Daarmee worden appelbomen klonen, waarmee de kwaliteit voorspelbaar is. Vandaar dat we identieke appels van slechts een paar rassen in de supermarkt vinden.

Maar appels kiemen ook spontaan. Het bijzondere is dan dat de appel extreem heterozygoot is: uit ieder zaadje ontstaat een andere appelboom die helemaal niet lijkt op zijn ouders of op andere nakomelingen. Als je een appel doorsnijdt, vind je vijf zaadjes. Als je per boom tweehonderd appels hebt, dan zijn er dus al duizend mogelijkheden voor een nieuwe appel. Vandaar de grote verschillen in uiterlijk en smaak van appels. In de wereld zijn 7500 appelrassen bekend, maar het potentieel voor variatie is onnoemelijk groot. De kans op nieuwe appels zal nooit verminderen.

De appel is daarmee een uitzondering op de hypothese van Nikolai Vavilov dat de grootste genetische diversiteit te vinden is in de oorsprongsgebieden van de landbouw, waar landrasssen zich onderscheiden van wilde verwanten. Want bij de appel zie je een continue diversiteit, in elke generatie. Vavilov vermoedde zelf ook al zoiets. In september 1929 reisde hij in de omgeving van Almaty, in Kazachstan. Onderweg verloor hij twee paarden in een bergpas en verdronk bijna in een ijskoude rivier. In zijn veldaantekeningen schreef hij niettemin opgewekt: ‘Eigenlijk was het nogal moeilijk om de wilde van de geteelde appels te onderscheiden. Sommige wilde exemplaren waren zo goed van kwaliteit en vorm dat ze zo uit een boomgaard hadden kunnen komen.’

De geschiedenis van de mensheid is de geschiedenis van vele golven van mondialisering, van uitwisseling van goederen en kennis. En eetpatronen. Bijna iedereen herkent pasta, pizza en risotto als typisch Italiaans, maar men vindt het tegelijkertijd gewoon dat ze in iedere stad ter wereld te vinden zijn. Eetpatronen worden steeds mondialer maar behouden hun verscheidenheid waardoor je in bijna iedere stad zowel lokale gerechten kunt krijgen als internationaal fast food. Voorbij de pizza of de lokale keuken ligt een heel andere horizon: die van producten met volledig nieuwe eigenschappen, aangepast aan onze individuele behoeften aan voedingsstoffen, mede afkomstig van soorten die wij nu niet eten zoals algen, insecten en mogelijk ook schimmels en bacteriën.

Er is niet één weg naar de toekomst. Net als in de evolutie vele paden zijn doodgelopen en ontelbare soorten niet overleefden, zo zullen wij ook landbouwkundige dwaalwegen bewandelen en weer verlaten. In dat opzicht hebben we al veel geleerd over het verminderen van chemicaliën bij de teelt van planten en dieren. Maar waar toeval de evolutie heeft geleid, kunnen, nee moeten, wij gebruik maken van de kennis die wij hebben en die we nog zullen ontdekken. Wetenschap verschuift nu van beschrijven naar ontwerpen. Dat geldt bij uitstek voor het produceren van voedsel. Hoe meer we begrijpen van de ecologische processen die het vastleggen van zonlicht en het gebruik daarvan door organismen bepalen, hoe beter we duurzame landbouwsystemen en voedselverwerkende fabrieken kunnen ontwerpen. Daarvoor levert de ecologie een aantal leidende principes, zoals het sluiten van kringlopen, het hergebruiken van grondstoffen en het terugdringen van verliezen. We gaan dus toe naar steeds meer nauwkeurigheid, steeds minder trial and error.
De Zijderoute van de toekomst is er een van ontdekkingen, niet van paleizen of afgelegen landstreken, maar wel van de onmetelijke rijkdom aan kennis die de natuur biedt. Genetische kennis is ons laatste vergezicht. Duurzaam produceren betekent zo zorgvuldig mogelijk omgaan met water, bemesting, bestrijdingsmiddelen en groeibevorderaars.

Maar de sleutel tot duurzaamheid is een beter begrip van hoe plant, dier en mens genetisch functioneren, wat zij nodig hebben en wanneer. Wanneer wortels het best water en voedingsstoffen kunnen opnemen, hoe ze stoffen uitscheiden waardoor ze in symbiose of juist in strijd leven met schimmels en bacteriën, hoe ze door signaalstoffen de juiste insecten lokken. Hoe de darmen van varkens of kippen dankzij enzymen beter voedingsstoffen kunnen opnemen zodat er zo min mogelijk in het milieu verdwijnt, hoe de uitstoot te beperken van broeikasgassen uit rijstpaddies, graslanden en koeienmagen, hoe tomatenloof plantenmedicijnen levert of hoe darmbacteriën onze voedselopname en gezondheid bepalen. Dat alles, zo leren we, wordt gereguleerd door genen. Genetica is de verste horizon.

Het vereist de zucht naar avontuur en de moed van de oude reizigers langs de Zijderoute, net als de onorthodoxe visie van Vavilov, die door Stalin ter dood werd veroordeeld, om deze nieuwe contreien te verkennen. Het is een tocht die Oost, Zuid en West samen moeten ondernemen.

Dit is mijn Zijderoute, mijn paradijs: een aarde waarop iedereen voldoende en gevarieerd kan eten, waar eten op zo duurzaam mogelijke wijze geproduceerd wordt op basis van de beste wetenschappelijke inzichten, waar we goederen, mensen en kennis uitwisselen, durven te leren van onze fouten en de moed hebben te verder te kijken dan het bekende en het vertrouwde.


Dit is een ingekorte versie van de Socrateslezing die Louise O. Fresco 17 november uitsprak. De lezing wordt sinds 1984 georganiseerd door het Humanistisch Verbond. Elk jaar geeft een originele denker commentaar op maatschappelijke ontwikkelingen vanuit een humanistisch perspectief.
Beeld: Wageningen University & Research, Ria Novosti/HH