DE LANGE GESCHIEDENIS VAN DE KREDIETCRISIS

Voorbij de risicomaatschappij

De kredietcrisis van 2008 is als de remake van King Kong: andere acteurs, zelfde verhaal, zelfde gorilla. De oorzaken gaan dan ook dieper dan de slechte hypotheken en risicovolle financiële producten van vandaag.

DE BEELDSPRAAK in een getekend commentaar van Johan Braakensiek in dit blad uit 1907 vertoont opvallende gelijkenis met de huidige kredietcrisis. In Braakensieks prent zweven Amerikaanse aasgie-ren, met namen als Morgan (bank) en Harriman (ondernemer), boven de Amsterdamse beurs. Wat was er aan de hand, in 1907? Na een razendsnelle groei van de Amerikaanse industrie, handel en transport heerste er krapte op de geldmarkt. Lenen werd steeds duurder. Toen daar een reeks schandalen rond grote bedrijven bovenop kwam – door Braakensiek in zijn tekening gehekeld als ‘Amerikaansche praktij-ken’ – verloor het publiek alle vertrouwen. De ‘1907 Bankers’ panic’ was een feit. Als ingrediënten voor de bankers’ panic van 2008 worden het verstrekken van subprime hypotheken aan armlastige huishoudens en de wildgroei aan exotische, risicovolle financiële producten genoemd. Het gevolg is, net als honderd jaar geleden, een vertrouwenscrisis in de financiële wereld en het opdrogen van de kredietstroom. Alan Greenspan, de inmiddels gepensioneerde president van de Amerikaanse Centrale Bank, noemde de kredietcrisis in veel opzichten identiek aan het bancaire drama in 1907. Daarmee toonde Greenspan meer historisch besef dan tien jaar geleden. Toen hield hij kort na de Azië-crisis, waarbij miljoenen mensen onder de armoedegrens belandden, ten overstaan van het Congres de mogelijkheid open dat de Amerikaanse economie ‘beyond history’ was gegaan. Veel andere weten-schappers en beleidsmakers waren eind jaren negentig nog stelliger. De kapitalistische cyclus van hoogconjunctuur afgewisseld met recessies en crises zou tot het verleden behoren. Niet voor de eerste keer bleken het echter de economen zelf te zijn die buiten de geschiedenis stonden, niet de economie. Op dit moment zal niemand de vingers branden aan een uitspraak als die van Greenspan in de jaren negentig, maar de verwijzingen naar 1907, 1987, of 1929 die her en der populair zijn – volgens George Soros kampt Amerika met ‘de ergste crisis sinds de Depressie’ – wekken ten onrechte de indruk dat de hoofdrolspelers van nu ook lering trekken uit de geschiedenis. Het tegendeel is waar. Ook nu weer heerst er grenzeloos optimisme. ‘Vrijwel niemand voorzag de Grote Depressie van de jaren dertig of de crises die Japan en Zuidoost-Azië troffen in de jaren negentig’, waarschuwde de Bank voor Internationale Betalingen (zeg: de bank der internationale banken) vorig jaar in haar jaarverslag. ‘Aan iedere neergang ging een periode van economische groei zonder inflatie vooraf die uitbundig genoeg was om veel commentatoren te doen spreken van het aanbreken van een nieuw tijdperk.’ Het kapitalisme lijdt aan geheugenverlies. Dat heeft zo zijn voordelen. Ideologisch: omdat alleen een systeem zonder geheugen zichzelf kan voorstellen als eeuwig, vanzelfsprekend en zonder alternatieven. Maar evenzeer praktisch: wie herinnert zich nog dat na al die andere financiële crises van de laatste de-cennia ook al plannen werden gemaakt voor meer transparantie en meer controle op financiële mark-ten? Die voorgaande crises vertonen wel meer overeenkomsten met de huidige. Het teveel aan geld is een constante, en creëert voortdurend nieuwe zeepbellen – of het nou gestoken wordt in de emerging mar-kets (de pesocrisis van 1994, de Azië-crisis van 1997), de nieuwe economie (2000/2001, internetzeep-bel) of in de herverpakte subprime hypotheken en andere financiële producten van nu. De oorzaken van deze bubblenomics liggen dieper dan de huidige malaise op de huizenmarkt. Inderdaad: er bestaat zo-iets als een ‘lange kredietcrisis’. De geschiedenis van de kredietcrisis begint in de jaren zeventig van de vorige eeuw, aan het begin van het neoliberale tijdperk. In dat decennium nam de veelbesproken securisation van hypotheken (het bun-delen en doorverkopen van hypotheken in verschillende pakketten, variërend in risico) een aanvang. Voor die tijd leenden banken redelijk rechttoe, rechtaan geld uit eigen kas uit aan huizenkopers. Maar op die wijze konden zij de groeiende naoorlogse vraag naar huiskredieten niet bijbenen. Securisatie was een methode om investeerders aan te trekken aan wie de schulden werden doorverkocht. Toch is het te kort door de bocht om hieraan de huidige malaise te wijten. Ook zonder de problemen op de huizen-markt was vroeg of laat een kredietcrisis ontstaan, bijvoorbeeld door het omvallen van een groot hedge-fonds. Belangrijker is een andere ontwikkeling uit de jaren zeventig. Volgens econoom Robert Kuttner, onder meer hoofdredacteur van het tijdschrift The American Prospect, is de toen ingezette financiële deregule-ring de werkelijke oorzaak van de huidige crisis. Die heeft de economie in een casino veranderd. ‘Sinds de jaren zeventig hebben het Congres en presidenten van beide partijen, in naam van vrijemarkteffici-ency, centrale beschermingsmechanismen die waren ingesteld door de New Deal ingetrokken’, aldus Kuttner. Hier lijkt de huidige crisis sterk op die van 1907 en 1929. Opnieuw is er, volgens Kuttner, te veel gespe-culeerd met te veel geleend geld. De mechanismen die dat moesten voorkomen zijn in de afgelopen dertig jaar buiten werking gesteld. Neem de onder president Roosevelt ingestelde Glass-Steagall-wet. Daarmee werd het toezicht op de banken verscherpt en de sector aan strikte regels gebonden. Een her-haling van de crisis in 1929 en de daaropvolgende Depressiejaren moest koste wat het kost voorkomen worden. Maar vanaf de jaren tachtig schoot de politiek steeds meer gaten in de wet. In 1999 werd het voorschrift dat commerciële banken zich om belangenverstrengeling te voorkomen niet mogen inlaten met bepaal-de financiële activiteiten, zoals het verhandelen van herverpakte hypotheken, overboord gezet. Ook de regels voor het uitlenen van geld en het verstrekken van hypotheken werden versoepeld. Het zijn stuk voor stuk factoren die nu een beslissende rol spelen in de kredietcrisis. Toch vormt deze financiële deregulering maar de helft van de verklaring voor de malaise. Met het af-bouwen van de regelgeving reageerden de verschillende overheden op en probeerden zij sturing te ge-ven aan omvangrijkere veranderingen in de wereldeconomie, vaak samengevat onder de noemer ‘finan-cialisering’. Ook die ontwikkeling heeft haar wortels in de jaren zeventig. Als gevolg van de oliecrisis stegen de prij-zen en ontstond een enorme vloed van oliedollars. Daarbovenop kwamen de onder invloed van de ver-grijzing groeiende vermogens van de pensioenfondsen. In combinatie met de historisch lage rentestan-den – wat lenen eenvoudig maakt – heeft dit geleid tot een overschot aan goedkoop geld. ‘We verzuipen in de liquiditeit’, merkte oud-Robeco-topman Jaap van Duijn eens op. Al dat geld moet belegd worden en liefst een beetje lucratief – dus niet zonder risico ergens op een spaarrekening. Tegelijkertijd kampt de wereldeconomie volgens een economisch historicus als Robert Brenner, profes-sor aan de Universiteit van Californië in Los Angeles, al decennialang met overproductie, met name door de opkomst van nieuwe industriële machten als Japan, China en India. Dat zet de winstgevendheid van het bedrijfsleven onder druk, periodieke succesverhalen ten spijt. Om de winsten desondanks op peil te brengen, worden volgens Brenner de lonen laag gehouden. In Amerika, maar ook in Europa is het reële inkomen voor grote groepen werknemers de afgelopen jaren fors achteruit gegaan. In Neder-land is binnen één generatie het aantal laagbetaalde werknemers meer dan verdubbeld, tot 1,25 mil-joen, zo blijkt uit recent onderzoek van het Amsterdams Instituut voor Arbeidsstudies. Dat leidt tot koopkrachtverlies. Aanvankelijk staken overheden zich fors in de schulden om de daling in de vraag overeind te houden. In de jaren negentig kwam hiervoor met name in de Angelsaksische lan-den een soort doe-het-zelf-keynesianisme in de plaats. De publieke tekorten van het traditionele keyne-sianisme werden geprivatiseerd: huishoudens en bedrijven gingen zich, verder aangemoedigd door het goedkope geld, steeds dieper in de schulden steken. President Bush bombardeerde het consumeren zelfs tot patriottische daad. Deze schuldeconomie van creditcards, hypotheken en leningen voor auto’s, televisies en huishoudelijke apparatuur schiep tegelijkertijd weer welkome beleggingsmogelijkheden. Maar hoeveel schulden kun je maken voordat de rekening wordt gepresenteerd? Het explosieve mengsel van deregulering en financialisering moest vroeg of laat tot ontploffing komen. De technologieboom van de jaren negentig was de katalysator. De razendsnelle ontwikkeling van infor-matie- en communicatietechnologie zorgde voor een gigantische tempoversnelling in de financiële we-reld. In een muisklik flitsten miljoenen van de ene naar de andere kant van de planeet. De IT-revolutie stelde de sector bovendien in staat om nieuwe financiële producten te ontwikkelen en, misschien wel het belangrijkste, via ingewikkelde berekeningen risico’s te calculeren. Daarmee zouden die risico’s ook on-schadelijk kunnen worden gemaakt, was de gedachte. Tot vlak voor de kredietcrisis betoogden financiële instellingen dat risico’s met behulp van computers berekend, gecategoriseerd en daarmee uiteindelijk ook verhandeld konden worden. Hedging was het toverwoord. De – door de Duitse socioloog Ulrich Beck voor het eerst met die term beschreven – ‘risi-comaatschappij’ leek in de financiële centra overwonnen. De voortdurende stroom van nieuwe financiële producten maakte het voor beleggers bovendien gemakkelijker te geloven dat er deze keer geen crisis zou volgen, dat een nieuwe fase in het kapitalisme was aangebroken. Volgens de Britse econoom John Kay ‘herhaalt iedere generatie de ervaring van haar voorgangers, niet in grote lijnen maar tot in de details’. Ook dit keer is het optimisme hoogmoed voor de val gebleken. Hoewel: voor de financiële wereld ís de risicomaatschappij in zekere zin bedwongen. Niet door de falen-de securities, maar door overheden die beleggers en banken in nood te hulp schieten. Risico’s worden zo afgewenteld op de rest van de maatschappij. Volgens Kuttner kostte die financiële noodhulp de belastingbetaler in tien jaar tijd al 350 miljard dollar. Getuige de nieuwe ronde van goedkope leningen van centrale banken aan noodlijdende banken, waarbij zelfs de ‘vergiftigde’ hypotheekpapieren als onderpand worden geaccepteerd, kan dat getal het komen-de jaar alleen maar verder oplopen. Maar met het huidige economisch geheugen kraait daar over vijf jaar geen haan meer naar.