Interview Louwrence Langevoort

Voorbij de Verdi’s

De producties van Louwrence Langevoort, onder wiens leiding de Nationale Reisopera opleefde, wekken tot in het buitenland ontzag. Binnenkort vertrekt hij naar de opera van Hamburg. ‘Af en toe moet je keuzen maken waarbij iedereen je voor gek verklaart.’

HET IS NIETS MINDER dan een klein wonder dat Louwrence Langevoort (42) in Enschede verricht heeft. Toen hij vijf jaar geleden aantrad bij de Nationale Reisopera was het gezelschap, het voormalige Opera Forum, op sterven na dood. Niet alleen blies Langevoort de ingezakte instelling weer nieuw leven in, ook ontwierp hij een voortvarend artistiek beleid waarbij hij er al snel in slaagde een record aantal producties op de planken te zetten. In plaats van de vier voorstellingen waarvoor hij van het ministerie subsidie kreeg, presenteerde Langevoort in de Nederlandse theaters acht opera’s. Dit seizoen telt het programma maar liefst tien verschillende voorstellingen waaronder acht nieuwe producties.

Langevoort heeft voorgoed afgerekend met het imago van de Nationale Reisopera als een provinciaals sufferdje: het repertoire omvat het hele spectrum van barokopera tot hedendaags werk. Zo gooide het gezelschap vorige maand nog hoge ogen met een nieuwe opera van de in Nederland werkzame dirigent/componist Peter Eötvös, Tri sestri (‘De drie zusters’). Op inventieve wijze weet Langevoort goede zangers en regisseurs aan zich te binden. En met dit al heeft hij de Reisopera weer op de operakaart van Nederland gezet - alle producties worden door de Nederlandse muziekpers nauwlettend in de gaten gehouden. Ook in het buitenland zijn de capaciteiten van Langevoort niet onopgemerkt gebleven. Met ingang van volgend seizoen wordt hij intendant van de opera van Hamburg, dat tot de drie grootste operahuizen van Duitsland behoort.

In zijn kantoortje in Enschede blikt Langevoort terug op de afgelopen vijf jaar. Wat is het geheim achter de succesformule? 'Als ik dat wist, zat ik hier niet meer’, zegt Langevoort. Lachend corrigeert hij zichzelf: 'Ik zít hier ook niet meer!’ Hij legt uit dat hij tamelijk onbevangen aan deze baan begonnen is. 'Mijn grootste voordeel was dat ik haast nooit een voorstelling van Forum gezien had. Ik wist dus niet waar ik wel of juist niet bij moest aanknopen. Ik stond daar totaal onafhankelijk van. Wel waren bij de medewerkers van het gezelschap de naweeën merkbaar. Het had niet veel gescheeld of het bedrijf was weggesaneerd. Dat geeft niet de rust waarmee je normaal gesproken kunst zou moeten maken.’

De grote hoeveelheid producties dat onder zijn leiding is gerealiseerd, heeft zijn financiële tol geëist. Momenteel is er een tekort dat Langevoort bij zijn afscheid hoopt te hebben weggewerkt. Als gevolg daarvan zal volgend seizoen het bescheiden aantal van vier opera’s te zien zijn. Niet geld, maar enthousiasme is doorslaggevend geweest voor zijn succes. Langevoort: 'Voor mezelf is het geloof in de dingen die ik doe het belangrijkst. Af en toe moet je keuzen maken waarbij iedereen je voor gek verklaart. Of dat nu zangers, regisseurs of stukken betreft. Zolang ik maar geloof dat dat in de lijn van de Reisopera noodzakelijk is. Het ergste wat er in het theater kan gebeuren, is dat je iets doet omdat je íets moet doen. Ja, noem het visie.’ Verder noemt Langevoort als handig hulpmiddel het 'uitgebreide netwerk’ dat hij in de loop der jaren heeft opgebouwd. Na een studie rechten begon hij zijn loopbaan in de operawereld bij de Munt in Brussel onder Gerard Mortier. Later werkte hij als staflid bij de operahuizen
van Leipzig en Keulen.

In Salzburg maakte hij de nadagen van Von Karajan mee. 'De laatste jaren zijn daar ontzettend veel mensen bij gekomen, vooral jonge zangers die pas een paar jaar professioneel zingen. Het is belangrijk voor een operadirecteur die flexibiliteit te hebben, te kunnen inspringen op nieuwe mogelijkheden. Bij het samenstellen van bezettingen moet je ook snel kunnen analyseren wat een zanger waard is en waar je hem het beste kunt inzetten. Dat is niet altijd de rol waarvan de zanger zelf denkt waar hij goed in is.’

Een andere gouden regel van Langevoort is wel degelijk zakelijk van aard: als een artiest het niet eens is met het geboden honorarium, moet je hem meteen laten vallen. 'Je moet nooit proberen iemand over te halen, want als iemand eigenlijk niet wil, krijg je vroeg of laat problemen. Iedereen is vervangbaar. Ook ikzelf. Doet deze zanger het niet, dan vind ik altijd wel iemand anders. Soms tot grote wanhoop van de regisseur of dirigent omdat ik vaak pas heel laat met de betreffende zanger aan kom zetten. Maar dan komt ook alles eruit. Omdat met zo veel spanning op die persoon is gewacht.’

Langevoort laat er geen misverstand over bestaan: voor het geld hoeven zangers niet naar de Reisopera te komen. Wel voor een goede ervaring en prettige werksfeer. 'Er zijn er weinig die niet terug willen komen’, zegt hij. 'En wat dat betreft ben ik zelf ook trouw. Of dat nu een zangeres als Miranda van Kralingen betreft of een dirigent als Lawrence Renes. We hebben niet een vast ensemble, maar wel een pool van artiesten die hier regelmatig optreden. En die kennen elkaar ook en verheugen zich erop met elkaar te werken.’



HOEWEL DE nationale Reisopera zich de afgelopen jaren tot een volwassen operagezelschap heeft ontwikkeld, is er van concurrentie met De Nederlandse Opera (DNO) geen sprake, aldus Langevoort. Alleen al vanwege het feit dat DNO uitsluitend in Amsterdam te zien is en de Nationale Reisopera, zoals de naam al aangeeft, het hele land rondtoert. Langevoort legt niet zonder spijt uit dat DNO het voordeel heeft alleen in eigen huis te staan: 'Zij hebben de mogelijkheid een productie te maken waarbij er een relatie is tussen het toneel, de zaal en het publiek. Het reizen is voor ons een handicap. Wij zitten elke avond in een ander theater. De ene avond is het toneel elf meter, de andere avond veertien en in Den Haag zelfs zeventien. Je moet niet alleen flexibele decors hebben, maar ook zangers die die paar meter zonder probleem kunnen opvullen. Verder raken we natuurlijk veel tijd kwijt met reizen, uren die je anders aan repetities zou kunnen besteden.’

Met Opera Zuid die ook rondreist, maakt Langevoort duidelijke afspraken over de programmering. Ten slotte zijn er dan nog de gezelschappen uit Oost-Europa die de Nederlandse podia in toenemende mate bevolken. Volgens Langevoort staan zij op de kleinere podia waar de Reisopera noodgedwongen niet meer komt. 'Onder een bepaald minimumniveau moet je qua infrastructuur niet gaan en daar speelt Oost-Europa’, zegt hij. 'Bovendien volgen die theaters vaak wel een erg makkelijke lijn. Alleen wat bekend is spelen ze. Het Oostblok doet eigenlijk alleen maar de Puccini’s en Verdi’s en de bekende operettes. Ik ben dankbaar dat de theaters waar wij staan wel onze avontuurlijke lijn volgen. Terwijl ze er best moeite voor moeten doen om publiek te krijgen. Met De drie zusters van Eötvös of Le grand macabre van Ligeti waren er echt geen uitverkochte zalen, maar die voorstellingen waren zo magisch, zo fantastisch dat ik geen enkele theaterdirecteur heb gesproken die er spijt van had. Het zijn gewoon goede stukken. En als je die niet brengt komt er nóóit een publiek van geïnteresseerden . Het is onze opdracht die vooroordelen weg te werken.’



OP HET PROGRAMMA van dit seizoen prijken twee opmerkelijke producties: twee verschillende versies van Die Zauberflöte aan het begin en eind van het seizoen en binnenkort Alfred, Alfred van de Italiaanse componist Franco Donatoni. Voor Die Zauberfl
öte vroeg Langevoort een regisseursduo uit de theaterwereld: Irina Brook en Dan Jemmett. Sluiten zij in juni het seizoen af met een voorstelling in de Rotterdamse Schouwburg met Ton Koopman op de bok, voor afgelopen augustus had Langevoort het tweetal gevraagd een speciale versie te maken voor de Diekman-sporthal als onderdeel van een Enschedees muziekfestival. Langevoort: 'Eigenlijk wilde ik een voorstelling in een circustent om zo een publiek te bereiken dat misschien niet zo gauw naar de opera gaat, maar zich wel aangetrokken voelt tot het circus. Omdat een circustent te kwetsbaar is - denk alleen maar aan het geluid dat regen veroorzaakt - hebben we een tent in die nieuwe sporthallen neergezet.’ Alfred, Alfred van Donatoni is een coproductie met het Nieuw Ensemble.

Pikant detail is dat het verhaal autobiografisch is. Donatoni, een lekkerbek die aan overgewicht lijdt, belandde in Australië met diabetes in het ziekenhuis. De tien dagen dat hij in het Alfred-hospitaal doorbracht diende als uitgangspunt voor een muziektheaterstuk waarbij de componist zelf als figurant in een bed op het podium ligt. Of Donatoni ook aan deze Nederlandse première zijn steentje zal bijdragen is de vraag: de componist heeft nu met serieuze gezondheidsproblemen te kampen. 'Als hij komt ben ik dolgelukkig’, stelt Langevoort, 'zo niet dan ga ik zelf wel in dat bed liggen.’

Opvallend in de rolbezettingen van de Reisopera is het grote aantal jonge zangers, wat natuurlijk mede wordt ingegeven door een zeer beperkt budget. Toch werkt Langevoort bij lange na niet exclusief met Nederlandse zangers. Wijst dat op een gebrek aan talent van eigen bodem? 'Er zijn er genoeg’, meent Langevoort, 'maar er is kruisbestuiving nodig. Als je alleen met Nederlanders werkt en je zet daar een grote schutting omheen, dan gaat iedereen op dezelfde manier denken. Het is veel interessanter om zangers te confronteren met collega’s die ergens anders een opleiding hebben genoten. Die uitwisseling geeft altijd beter resultaat.’

Dat Nederlandse zangers er vaak over klagen dat er in ons land zo weinig mogelijkheden zijn om ervaring op te doen, ziet Langevoort niet als zijn verantwoordelijkheid. 'Je moet niet zo nationalistisch denken’, stelt hij. 'Als een buitenlander beter is voor een bepaalde rol, zal ik die buitenlander nemen. Het gaat om het eindresultaat en niet om het geluk van één zanger. Bovendien, een goede zanger heeft ook kansen in het buitenland. Kijk maar naar iemand als Miranda van Kralingen. Of Charlotte Margiono die meer in het buitenland dan in eigen land optreedt. En dat is logisch: vergeleken met Duitsland is hier maar weinig opera.’

Zelf kan Louwrence Langevoort daar uit ervaring over mee praten. Hij werkte meer over de grens dan in Nederland. Als kind was hij al vastbesloten om bij de opera te gaan. Niet als zanger, de voor de hand liggende jongensdroom, maar als directeur. Precies wat hij nu is. 'Het is me met de moedermelk ingegoten’, vertelt hij. 'Mijn moeder zat in een amateurkoor en terwijl zij in verwachting was van mij studeerde ze de Hohe Messe van Bach in. Met als resultaat dat ik, als ik nu Bach hoor, een volkomen rustig mens word. Uitgerekend de componist die geen opera’s heeft geschreven! Sinds ik als twaalfjarig jongetje opera heb gehoord, ben ik ermee bezig geweest.’



LANGEVOORTS nieuwe baan bij de opera van Hamburg is buitengewoon prestigieus en laat zich uitsluitend vatten in duizelingwekkende cijfers. Hij krijgt leiding over een bedrijf met achthonderd man, waaronder een eigen orkest, koor en ballet. Met een budget van honderdtwintig miljoen gulden (tegen zestien miljoen bij de Reisopera nu) maakt het operahuis zo'n dertig verschillende producties per jaar. Per saldo zijn dat driehonderd voorstellingen waar vierhonderdduizend bezoekers op afkomen.

Het is gigantisch, geeft Langevoort toe. 'Maar ik zie alleen maar voordelen. Ik vind het prachtig. Er wordt in Hamburg sinds 1678 opera gespeeld. Er was altijd een theater waar componisten voor schreven. Telemann heeft veel stukken voor Hamburg gemaakt. Meertalige opera’s met aria’s in het Italiaans en recitatieven in het Duits of Frans. Het was tenslotte een handelsstad. Het lijkt mij interessant om die oude stukken weer eens te doen. Er is de laatste jaren weinig barok gespeeld.’

Tot de overige plannen van Langevoort in Hamburg behoort het brengen van operette in de Kaufhofpassages om nieuw publiek te trekken, een groot muziekfeest in september en het verstrekken van nieuwe opdrachten. In ieder geval gaat hij De drie zusters van Eötv
ös opnieuw op de planken zetten: 'Als je een goed stuk hebt moet je het meenemen!’



Combattimenti van Monteverdi, 8 januari in de Twentse Schouwburg (Enschede); Manon Lescaut van Puccini, 28 januari in de Stadsschouwburg (Utrecht); Alfred, Alfred van Franco Donatoni, 22 februari in de Stadsschouwburg (Amsterdam). Alle voorstellingen gaan na première op tournee.