Overheidszorg voor jeugd en gezin

Voorbij de vrijblijvendheid de plicht

De smeekbede om bemoeizorg van de overheid klinkt steeds luider. Het is de vraag of CU-minister Rouvoet van Jeugd en Gezin die zal beantwoorden.

Ruud Lubbers had het in 1993, in zijn voorlaatste jaar als premier, al over kampementen voor criminele jongeren. Elco Brinkman sprak in diezelfde tijd, toen het er nog naar uitzag dat hij Lubbers als cda-leider zou opvolgen, al over een sociale dienstplicht voor jongeren. En nog veel eerder stelde pvda-politica Hedy d’Ancona al voor om tweejarigen naar de voorschoolse opvang te sturen. Deze plannen zijn in de tijd dat ze werden geopperd, uitgeprobeerd en weer afgeblazen, nooit van de grond gekomen of onder het kopje staatsopvoeding weggehoond. De drie oud-politici zullen na het lezen van het Beleidsprogramma dat het kabinet-Balkenende IV vorige week presenteerde en een naar buiten gebracht voornemen van minister André Rouvoet van Jeugd en Gezin waarschijnlijk denken: het duurde even, maar uiteindelijk krijg ik gelijk. Al is het dan met hier en daar een kleine wijziging of om een andere reden.

Zo wil minister Rouvoet van de ChristenUnie een stapje verder gaan dan Lubbers. Rouvoets prep camps, zoals ze in goed Hollands schijnen te gaan heten, zijn niet bedoeld voor jongeren die een strafblad hebben, zoals Lubbers had voorgesteld, maar voor jongeren die daar naar op weg zijn. De sociale dienstplicht waar Brinkman het over had, noemt het huidige kabinet maatschappelijke stage, maar die wordt wel verplicht voor elke leerling die komend schooljaar naar het voortgezet onderwijs gaat. De peuters van D’Ancona krijgen een jaar respijt en de door haar voorgestelde voorschoolse opvang wordt ook niet verplicht, maar als hun taalvermogen op driejarige leeftijd onvoldoende is, wil de staat de peuters wel ‘bereiken’, zoals het kabinet dat nu omschrijft. D’Ancona deed haar voorstel destijds overigens niet zozeer met het oog op de taalvaardigheid van de peuters, maar om vrouwen meer armslag te geven bij het combineren van betaald werk en de zorg voor huishouden en kinderen.

De vrijblijvendheid voorbij is het motto waaronder minister Rouvoet nog vóór het zomerreces een nota met zijn meer uitgewerkte plannen voor de Nederlandse jeugd en gezinnen wil presenteren. Daarin staan de prep camps. Het motto voor Rouvoets nota is passend voor de geest waarin dit gehele kabinet de komende vier jaar lijkt te gaan opereren. Het denken van de ministersploeg is doordrenkt van de idee dat de mens zijn vrijheid niet aan kan: dan gaat hij te veel en te slecht eten, dan beweegt hij niet genoeg, dan rookt hij te veel in het bijzijn van derden, dan gaat hij te jong te veel drinken, dan lummelt hij maar wat op straat rond en terroriseert zijn omgeving, dan zet hij zich niet vrijwillig in voor zijn gemeenschap, dan weet hij zich niet respectvol te gedragen in het verkeer, op school of de sportclub, dan verwaarloost hij zijn kinderen, en zo verder, en zo voort.

Waren Lubbers, Brinkman en D’Ancona – achteraf gezien – hun tijd vooruit, nu past het kabinet zich aan het gevoelen in de samenleving aan dat de overheid moet ingrijpen. Het kabinet lijkt daarin zelfs achter te lopen. Er gaan stemmen op waaruit blijkt dat menigeen veel verder zou willen gaan.

Drie recente voorbeelden. Een Amsterdamse stadsdeelpoliticus stelde onlangs voor overlast gevende jongeren de toegang tot hun wijk te ontzeggen. In de zorg is het voorstel gedaan een pasgeboren baby direct weg te halen bij ouders die al een geschiedenis met verwaarloosde kinderen hebben. Ouders vragen bewindspersonen om strengere regels voor alcoholgebruik bij jongeren, omdat het hun zelf niet lukt pubers verantwoord met drank om te leren gaan.

Het lijkt één grote smeekbede om bemoeizorg van de overheid. In het Hedendaags Woordenboek van Van Dale is de term bemoeizorg nog niet opgenomen, maar die komt daar binnenkort geheid in te staan en dan niet alleen omdat bemoeizorg als woord in de mode is. Kerk, familie en andere als knellend ervaren sociale verbanden zijn de afgelopen vier decennia blijkbaar zo effectief afgeschud dat de burger zich alleen achtergelaten voelt en naar de staat kijkt om de leemte op te vullen.

Voorbij de vrijblijvendheid doemt echter de plicht op. Dat juist ChristenUnie-leider Rouvoet nu een belangrijke portefeuille op het terrein van jeugd en gezin heeft, op het oog bij uitstek hét terrein voor bemoeizorg, is interessant. Deze vice-premier mag dan een voorstander zijn van discipline, regelmaat en structuur en daar zelf ook naar leven, voor hem kan het niet de staat zijn die deze drie zaken oplegt. Nog tijdens de afgelopen verkiezingscampagne zei hij dat ‘de overheid de verantwoordelijkheid voor de opvoeding niet mag overnemen’. Die ligt bij de ouders. Wat Rouvoet persoonlijk betreft, halen ouders hun steun daarbij uit het geloof en bij de kerk. Soevereiniteit in eigen kring heet dat, terminologie uit de tijd van een verzuild Nederland. Die kringen bestaan echter niet meer of nog slechts in sterk afgezwakte vorm waar het hun politieke en maatschappelijke invloed betreft. Rouvoet hoort echter nog wel bij zo’n kring.

Dat kan, hoe vreemd het in eerste instantie ook klinkt, een geruststelling zijn voor degenen die zich aan de kerk hebben ontworsteld of er al nooit bij hebben gehoord. Zij zullen de komende tijd in de ministersploeg van voornamelijk cda’ers en pvda’ers vooral Rouvoet als bondgenoot moeten zoeken als ze willen dat de staat zich niet overal mee gaat bemoeien. Rouvoet is het aan zijn achtergrond verplicht naar hen te luisteren. Dat is een mooie paradox: voor een vrij leven, zonder te veel staatsbemoeienis, moet je steun zoeken bij een diepgelovige kerkganger.