Voorbij goed en fout

Beatrix’ kerstrede weerspiegelde onze vergevingsgezindheid ten opzichte van de Duitsers. Ze zijn zelfs van harte welkom bij onze oorlogsherdenkingen. Waarom valt Poncke Princen geen zelfde begrip ten deel? Heeft de kracht van de D-mark daar misschien mee te maken?

DE KERSTREDE VAN de koningin was van opmerkelijke aard deze keer: ze handelde vooral over de rekkelijkheid van de begrippen goed en fout. Dat is zeker sinds de Tweede Wereldoorlog een explosief item in Nederland. ‘Als mensen worden gesteld voor een onafwendbare keuze tussen goed en fout, is er geen zekerheid dat zij de juiste beslissing zullen nemen’, heette het. Het staatshoofd wond er geen doekjes om: het merendeel van de Nederlanders dacht tijdens de oorlog exclusief aan het eigen hachje en keek wijselijk de andere kant op toen de joodse buren werden gedeporteerd.
Voor het verzet had Beatrix weinig glorieuze bewoordingen over. Ze noemde het 'schamel’. Zich daar verder dood op staren heeft geen zin meer, aldus Beatrix. Geheel in de kerstgeest pleitte ze voor 'een nieuw begin’ en algehele vergiffenis. Daarbij leek ze zich neer te leggen bij de zwakte van de condition humaine, die zou bepalen dat politiek verzet (ook dat van de naaste toekomst, zo profeteerde de vorstin in een dreigende bijzin) nu eenmaal altijd een zaak is van de dolende enkeling tegen allen. Ook borduurde Beatrix verder op de wens die haar vader enige maanden voor zijn opname in het Academisch Ziekenhuis te Utrecht nog uitsprak: dat het gezamenlijk herdenken van de oorlog door Duitsers en Nederlanders in het Nieuwe Europa wordt gestimuleerd. 'Herdenken is meer dan het verwerken van eigen leed’, zo hield ze haar onderdanen voor.
Voor wat betreft de Duitse component van het zojuist begonnen herdenkingsjaar lijkt het wel snor te zitten. In het Limburgse had men afgelopen voorjaar al de primeur van een Duits-Nederlandse oorlogsherdenking, en de aanwezige ploegen van het Journaal en RTL4 registreerden louter tevreden gezichten. De van enige afstand bezien nog levensgrote emotionele hobbel bleek uiteindelijk niet hoger dan een molshoop. Wanklanken vielen niet te beluisteren, zoals de marcherende soldaten van de nieuwe Bundeswehr afgelopen juli in Parijs ook op een hartelijk applaus van de bevolking konden rekenen.
Britse en Amerikaanse oorlogsveteranen lopen al sinds jaren hand in hand met hun gewezen Duitse opponenten over de slagvelden van Normandie en de Ardennen, sentimenteel naar de hemel starend als oude gevechtsvliegtuigen de grote luchtslagen van toen naspelen, gehuld in een kameraadschappelijke roes over de 'jolly good war’. De synchronisatie van de Nederlandse en de Duitse oorlogsherdenking kan nu niet lang meer uitblijven.
De druk om de uit de oorlog voortgekomen vendetta-driften definitief te begraven wordt steeds groter. Zeer illustratief daarvoor was de bijdrage van de historicus Ronald Havenaar aan het op 9 december 1994 in het Amsterdamse Paradiso gehouden Bezige Bij-debat, dat handelde over de pessimistische vooruitzichten van H.J.A.Hofland omtrent de bestemming van ons tijdsgewricht.
HAVENAAR KWAM bij deze gelegenheid met een tirade aan het adres van die Nederlanders die nog steeds niet willen accepteren dat Duitsland 'gedoemd is’ leiding te geven aan het Europa van na de Pax Americana. 'Belachelijk’, zo noemde Havenaar een uiting van Duitsvijandig Nederlands nationalisme als de befaamde 'Ik ben woedend’-briefkaartenactie die massaal van start ging na de aanslagen op Turken in Solingen en Rostock. Volgens Havenaar geeft een dergelijke actie alleen maar uiting aan het onvermogen van het Nederlandse volk te accepteren dat het vijftig jaar na de Tweede Wereldoorlog op alle mogelijke terreinen (politiek, economisch en militair) volkomen afhankelijk is geworden van de oosterbuur, die ons land uiteindelijk als vanzelf in zich zal opnemen.
Havenaar bestempelde de gehele Nederlandse Tweede-Wereldoorlogliteratuur als een apocriefe poging tot het creeren van een heroisch verleden. Alleen een recent verschenen boek als Tessa de Loo’s De tweeling kon zijn goedkeuring wegdragen, omdat in dat werk tenminste werd uitgegaan van het gezamenlijke lot waartoe de Duitsers en de Nederlanders door de geschiedenis zijn veroordeeld.
Kortom, de Nederlanders moeten hun hypocrysie laten varen in hun houding tegenover het Duitse broedervolk, de Teutoonse suprematie in de Lage Landen dient erkend, en kritiek daarop is zinloos en misplaatst. De Nederlanders doen er beter aan de Duitsers een hart onder de riem te steken nu de laatsten aan de vooravond staan van een herlancering van hun land als militaire grootmacht, zo verkondigde Havenaar. Vasthouden aan de traditionele Nederlandse gevoeligheden jegens eventueel Duits machtsmisbruik kan de nieuwe heldenrol van de Duitsers onder Helmut Kohl alleen maar ondergraven.
VOORWAAR, KRASSE uitspraken op een evenement dat in het licht stond van het vijftigjarige jubileum van een uit het verzet opgebloeide literaire uitgeverij. Echter, niemand in de zaal verbleekte of bloosde bij het aanhoren van Havenaars ultimatum aan het Nederlandse volk, niemand riep iets over landverraad. De bereidheid om de Duitse slagkracht binnen het Nieuwe Europa als een onvermijdelijkheid te erkennen is blijkbaar groot. De situatie is er dan ook naar: de fusering van de Duitse en Nederlandse militaire strijdkrachten is al volop in gang; zo'n beetje alle vitale onderdelen van de Nederlandse economie zijn inmiddels opgekocht door Duitse bedrijven; het monetaire lot van de gulden is onlosmakelijk aan de Deutschmark verbonden; binnen het stelsel van Europol zal ook het politionele toezicht in Nederland steeds meer worden gedicteerd vanuit Bonn en - vanaf het jaar 2000 - vanuit Berlijn, et cetera.
Men kan zich alleen afvragen of juist binnen die tamelijke onevenwichtige eigendomsverhoudingen het stug vasthouden aan Nederlandse eigenaardigheden als fixatie op het leed van de oorlog wel moet worden opgegeven. Feitelijk zijn juist die emoties zo'n beetje het laatste wat de Nederlanders nog in de kast hebben. Bovendien, als de Duitse overheersing zo onafwendbaar is als Havenaar het stelt, waarom zou de door hem zo gewraakte kritische lijn van Nederland niet gewoon kunnen worden doorgezet, al was het alleen maar uit 'sentimental reasons’? Reele schade kan het niet meer aanrichten. Wat is er zo verschrikkelijk aan een briefkaartje waarmee men de afschuw over een vuuroffer uitspreekt? En is de Duitse leiding in Europa wel zo zaligmakend? Was de onmiddellijke Duitse erkenning voor het onafhankelijke, zwaar op fascistische sentimenten draaiende Kroatie (een wapenfeit waar onze eigen Hans van den Broek toenterijd danig door werd verrast) niet een provocatie van de eerste orde, die de hele huidige Balkan-slachting in gang zette? Als Nederland naar Havenaars recept zich voortaan opstelt als een trouwe vazalstaat, wie zorgt dan voor tegentonen in het nieuwe Europese concert?
HET ZIJN GELUIDEN die in het Nederland van 1995 niet gaarne meer worden gehoord. 'Historische overgevoeligheden’ dienen overboord te worden gegooid, zo klinkt het in koor. Maar wat vreemd is het dan dat die zo royaal op vergiffenis gerichte houding als sneeuw voor de zon verdwijnt zodra het tweede nationale oorlogstrauma in beeld komt: dat van de afwikkeling van de Indonesische erfenis. De woede die het bezoek van Poncke Princen hier heeft opgeroepen in kringen van oud-Indiegangers en hun politieke vertegenwoordigers bij CDA en VVD, heeft weer eens aangetoond dat de historische vergevingsgezindheid van de Nederlanders toch zo z'n limieten kent.
Hier valt geen spoor te bekennen van de wil om de geschiedenis te herinterpreteren, geen enkel gevoel voor het in het Duitsland- hoofdstuk zo ruimbemeten historisch realisme. Hier wordt nog altijd uit volle borst het hooglied van de haat gezongen. Ronduit beschamend was het: de schuimbekkende woede over Princens 'landverraad’ in de hoofdredactionele commentaren van zowel Telegraaf als NRC Handelsblad, de ware klopjacht die er op bevel van oud- strijders werd ontketend op de gewezen deserteur. De Telegraaf viel bijna in katzwijm van solidariteit met de oud-strijders die vermomd als bloemenmannen probeerden door te dringen tot Poncke’s mogelijke verblijfplaasts. De Purmerendse kabelkrant maakt het nog bonter en deed een openlijke uitnodiging voor een lynchpartij door Princens adres in Nederland op het net te gooien. Toen Hans van Mierlo (die met de verlening van Princens visum eindelijk eens heeft laten zien dat hij meer politieke ballen heeft dan zijn voorganger Kooijmans) via zijn ministerie aan de betreffende kabelkrantredactie liet weten dat dergelijke methoden niet gewenst zijn, was de reactie nog verontwaardigd ook: de vrije nieuwsgaring was in gevaar!
De marges in de Indonesische afdeling van de oorlogsherdenking blijken nog lang niet zo ruim als de marges in het op Duitsland betrokken gedeelte. Het begrip en de vergevingsgezindheid waarop de Duitsers - al dan niet postuum - kunnen rekenen, is blijkbaar ongeschikt voor Soekarno, Princen of die vijfentwintig andere Nederlandse soldaten die tijdens de politionele acties vaststelden dat ze aan de foute kant opereerden en die met onbegrijpelijke moed besloten zich aan de zijde der Indonesiers te begeven. Zelfs erkenning van de Indonesische onafhankelijkheidsdag (17 augustus 1945), waar Jan Pronk op eerste kerstdag voor de Avro-radio op aandrong, zit er nog steeds niet in. Beatrix zal tijdens haar komende rondreis door Indonesie juist expliciet vermijden dat ze aan die herdenking moet meedoen. Indonesische organisaties in Nederland die erop aandringen dat de vorstin op zijn minst een bloemetje legt bij het graf van de de dertig jaar geleden tijdens de Soeharto-staatsgreep gevallen Soekarno, hebben vooralsnog nul op rekest gekregen.
Al evenmin is er een begin gemaakt met een proces waarin Nederland zich rekenschap geeft van de historische verantwoordelijkheid voor de daden van het regime-Soeharto, dat anno 1995 nog steeds 1,8 miljoen politieke gevangenen kent. Al helemaal ontbreekt ieder zicht op de directe betrokkenheid van de Nederlandse regering, haar inlichtingendiensten en het bedrijfsleven bij de coup van Soeharto c.s. Het relaas van de wijze waarop Nederland de staatsgreep tegen 'erfvijand’ Soekarno hartelijk ondersteunde - onder meer via de activiteiten van de beruchte jezuietenpater Beek als verbindingsofficier tussen Nederland, de Amerikaanse CIA, de Indonesische militairen en hun Chileense sympathisanten - moet nog altijd worden geschreven.
VIJFTIG JAAR NA DATO wenst Nederland nog steeds niet te erkennen dat de onafhankelijkheidsstrijd van de Indonesiers gerechtvaardigd was. Er is zelfs niet eens een begin gemaakt met het zich rekenschap geven van het door Nederland tijdens de politionele acties aangerichte leed. Daarover zijn de laatste tijd weer nieuwe gegevens bekend geworden, zoals over monstruositeiten op Oost- Java.
Het feit dat de Indonesische machthebbers het nooit opportuun hebben geacht de door Nederland begane oorlogsmisdrijven in een tribunaal aan de kaak te stellen, is er debet aan dat die wandaden nog altijd glashard kunnen worden ontkend. Dat was de achtergrond van het proces tegen schrijver Graa Boomsma, en dat was ook weer de motor van de volkswoede tegen Poncke Princen. De Amerikanen zijn met hun verwerking van Vietnam een stuk verder dan de Nederlanders met Indonesie. Het wachten blijft op een Nederlandse versie van Apocalypse Now in de gordel van smaragd.
Totdat zo'n aanklacht verschenen is, zal het koninkrijk der Nederlanden internationaal te boek blijven staan als een staat van schijnheiligen, die vergeving schenkt waar dat goed uitkomt en die in woede blijft hangen op plekken waar schaamte veel meer op zijn plaats zou zijn.