De Europese Literatuurprijs

Voorbij het lyrisch realisme

4 juni 2014 - De Europese roman is wel voorgesteld als een ‘opeenvolging van ontdekkingen’. Wat zijn de nieuwe vondsten en vormen van de meest recente romans op dit continent? De longlist van de Europese Literatuurprijs 2014 toont een aantal boeiende tendensen.

Medium illustratie a europese roman

Door Christiaan Weijts

In De kunst van de roman vat Milan Kundera de geschiedenis van de Europese roman samen in een verleidelijk helder model. De romangeschiedenis is een ‘opeenvolging van ontdekkingen’ die steeds nieuwe aspecten van het menselijk bestaan wisten bloot te leggen. Zo ontstaat een simpel rijtje van ontdekkingsreizigers en hun wapenfeiten. Cervantes: het avontuur. Samuel Richardson: het innerlijk. Balzac: de mens geworteld in de geschiedenis. Flaubert: het verborgen dagelijks leven. Tolstoi: het irrationele. Proust: het voorbije moment. James Joyce: het ongrijpbare heden. Thomas Mann: de rol van mythen.

De roman is volgens Kundera dus een door Europa rondreizend instrument dat telkens een ander land oppakt, als in een estafettetocht, om te verrijken met nieuwe ‘ontdekkingen’ en weer door te geven.

Ook in de longlist van de Europese Literatuurprijs – twintig titels aangedragen door vijftien boekhandelaren – zijn die ontdekkingen allemaal wel terug te vinden. Er is de proustiaanse zoektocht naar het verloren verleden bij Zoon van de Noor Karl Ove Knausgård. Er is de flaubertiaanse schets van het verborgen dagelijkse plattelandsleven bij de Rus Michaïl Sjisjkin (Onvoltooide liefdesbrieven). Er is de balzaciaanse worteling-in-de-geschiedenis bij zowat alle genomineerden, en met name bij het trio Italianen: Elena Ferrante situeert met De geniale vriendin een vriendschap in een volkswijk in het Napels van de jaren vijftig, waar de nasleep van de oorlog langzaam overgaat in de belofte van de sixties; in Hoger dan de zee volgt Francesca Melandri twee bezoekers van een gevangenis op een eiland, in de roerige jaren zeventig, de tijd van aanslagen door de extreem-linkse Rode Brigades; en Paolo Giordano kiest voor een recentere geschiedenis, door in Het menselijke lichaam jonge Italiaanse soldaten te portretteren op missie in Afghanistan.

Zo’n invuloefening illustreert meteen het gevaar van Kundera’s rijtje. Is er dan niets nieuws onder de zon? Je zou in Kundera’s visie ten onrechte iets evolutionairs kunnen zien, alsof de literatuur een autofabriek is waar steeds geavanceerdere modellen uit komen rollen. Maar een Joyce is niet beter dan een Flaubert. Een nieuwe roman-ontdekking maakt de voorafgaande niet achterhaald, zoals na de ontdekking van Amerika de Europese geschiedenis bepaald niet ophield. In de tijd van Proust verschenen er nog steeds avonturenromans, zoals er tegenwoordig nog lijvige recherches verschijnen, van Oek de Jong tot Karl Ove Knausgård.

Toch prikkelt Kundera’s lijstje een jurylid dat net twintig recente romans van dit content achter elkaar heeft gelezen. Zou er een nieuwe ontdekking zijn aan te wijzen? Heeft de roman een nieuw aspect van het menselijk bestaan blootgelegd? Per slot van rekening is de kunstvorm niet stil komen te staan na Thomas Mann.

In de thematiek en onderwerpkeuze hoeven we die vernieuwing niet te zoeken. Het is bij eerdere edities van deze prijs al opgemerkt, en het geldt ook voor de oogst van deze jaargang: als je een overkoepelend thema wilt aanwijzen, dan is het dat van de geschiedenis, de worsteling met het verleden, de positie van het individuele verleden in de grotere geschiedenis, die er in Europa nu eenmaal niet zelden een van oorlog en catastrofe is.

De driehoek individu-geschiedenis-verbeelding is al eeuwenlang het speelveld van de Europese roman, maar in de onderlinge verhouding tussen die drie zie je wel interessante tendensen en nieuwe vormen verschijnen.

Elk boek zoekt een eigen balans tussen het individuele leven en de grote geschiedenis. De keuze die een schrijver hier traditioneel in heeft is een perspectiefkwestie. Richt je je op de taferelen op de voorgrond, op de al dan niet fictieve individuen, op het eigen innerlijk? Of verschuif je de camera meer naar de achtergrond, door de politieke constellaties en maatschappelijke catastrofes expliciet te benoemen, te tonen en te bediscussiëren? Binnen dit spectrum staat Elena Ferrante meer aan de kant van de eerste methode, terwijl Edgar Hilsenrath met Fuck America (het boek staat op de shortlist) het andere uiterste vertegenwoordigt: het boek volgt een joodse man en zijn gezin die na de Kristallnacht vergeefs een visum voor Amerika probeert te krijgen, maar door de lange wachtlijst pas in 1952 kan vertrekken.

Wat in de longlist en met name ook in de shortlist van deze Europese Literatuurprijs opvalt, is dat de schrijvers op zoek gaan naar nieuwe manieren om de individuele geschiedenissen samen te laten gaan met de grotere geschiedenissen, en hierin een nieuwe rol ontdekken voor de verbeeldingskracht. Ze opereren als het ware buiten de bovengenoemde schaal.

Neem Wraakengelen van Borislav Cicovacki, waarin vijftienhonderd jaar oorlog in de Balkan gecondenseerd wordt tot één groot strafproces, waarin we, in dialoogvorm, aanklagers, verdedigers en getuigen aan het woord zien. Verbeelding smelt hier samen met de meest feitelijke prozavorm die er bestaat: het rechtbankverslag.

De driehoek individu-geschiedenis-verbeelding is al eeuwenlang het speelveld van de Europese roman

Een heel ander spel met geschiedenis en verbeelding spelen twee what-if-_romans, _Leven na leven van Kate Atkinson en Hij is er weer van Timur Vermes, die allebei om Adolf Hitler draaien: bij Atkinson wordt hij bijtijds vermoord, terwijl hij bij Vermes juist in de 21ste eeuw springlevend is en uitgroeit tot een populaire showbizzfiguur. Dat past in een ontwikkeling van een lichtvoetige en speelse omgang met Adolf Hitler, zoals in ons land bijvoorbeeld gebeurt in Joost de Vries’ Gouden Boekenuil-winnende De republiek.

Twee romans die op de shortlist zijn beland thematiseren de rol die de verbeelding heeft in een complexe geschiedenis. In Het reisverbod van Ismail Kadare zien we een toneelschrijver worstelen: hoe speel je het spel in een omgeving van dictatuur en censuur in Albanië? Hoe overleeft de verbeelding in zo’n wereld?

In Bleke Niko van Tomek Tryzna is het een jonge filmmaker in Polen die begin jaren zestig onverwacht een professionele camera van een weldoener uit het vrije Westen krijgt toegezegd. Onmiddellijk ontstaan er conflicten, want de amateurfilmclub wil die camera ook hebben. Wie krijgt, letterlijk, de westerse blik in handen? Wie heeft de macht over de verbeelding? Kadare en Tryzna thematiseren de rol van de verbeelding in een door censuur en dictatuur gekwelde natie en ze doen dat allebei op een speelse manier.

Nog zo’n tendens is die waarin een verhaal schijnbaar los van de historische context uitgroeit tot een bijna mythologisch of allegorisch verhaal. We zien dat bijvoorbeeld bij De vlucht, van de Spanjaard Jesús Carrasco, die op de shortlist staat, en waarin we een jongetje volgen dat op de vlucht is voor ‘de rechter’ (we weten niet of en waarvoor hij is veroordeeld, en krijgen slechts minimale vingerwijzingen naar dictatuur en bloedbaden), en toenadering zoekt tot een geitenhoeder. Individuele geschiedenis wordt hier uitvergroot tot allegorie, en de grote politieke geschiedenis is zelfs als achtergronddecor amper nog zichtbaar.Ook Het hart van de mens van de IJslander Jón Kalman Stefánsson kun je tot dit genre rekenen: veel natuurgeweld, met veel stilistisch vuurwerk beschreven, en hoewel in het heden spelend, voelt het ook als een oeroude sage. Dit is een genre dat je de laatste jaren veel ziet. Denk ook aan Jim Crace’s Harvest (shortlist Man Booker Prize), of Tommy Wieringa’s Dit zijn de namen (Libris Literatuurprijs). Aanvankelijk lijken ze de grote geschiedenis als achtergrond te nemen bij een individuele, maar ze gaan een stap verder door het individuele verhaal universeel te maken, op te tillen tot een mythisch of bijbels niveau. De voorgrond van het individuele bestaan stoot als het ware door het achtergronddecor heen, in één keer door naar oeroude tijden en mythen, waarbij je niet meer kunt uitmaken wat nu voorgrond en wat achtergrond is. Het gevolg is dat de verhalen zowel actueel, maatschappelijk geëngageerd aandoen, als universeel, opborrelend uit een diep verleden.

Jérôme Ferrari doet iets dergelijks in De preek over de val van Rome, dat ook op de shortlist staat. Ferrari wijst op het archetypische patroon achter zijn vertelling: met alle werelden zal het gaan zoals met de val van Rome. Maar hij behoudt hierbij de historische en lokale contexten. Het verhaal bestrijkt zowel een dorpscafé op het hedendaagse Corsica als de twee wereldoorlogen en het verlies van Franse koloniën. Hier is het met name de taal die door wisseling van register de handelingen optilt naar dat mythologische, bijbels aandoende niveau, terwijl het toch om concrete handelingen, individuele levens en heldere zintuiglijke observaties gaat.

Deze nieuwe tendens gaat verder dan het lyrisch realisme van Flaubert. Het zet de deur naar het mythische open zonder meteen de bovennatuurlijke krachten van het magisch realisme binnen te halen.

Als de Europese roman nieuwe ontdekkingen doet, dan liggen die in het vinden van nieuwe posities binnen de driehoek geschiedenis-individu-verbeelding. Het zijn ontwikkelingen die lang niet bestendig en helder genoeg zijn om het rijtje van Kundera aan te vullen met een ontdekkingsreiziger plus zijn ontdekking. Er zit nog iets aftastends in, iets zoekends, iets speels, en juist dat maakt het lezen van deze romans zo avontuurlijk.


6 september 2014 - Lees ook ons interview met de Franse schrijver Jerôme Ferrari die deze week de Europese Literatuurprijs ontvangt.


De Europese Literatuurprijs

De Europese Literatuurprijs bekroont de beste Europese roman die in het afgelopen jaar in Nederlandse vertaling is verschenen en wordt in 2014 voor de vierde keer uitgereikt.

De jury onder voorzitterschap van Alexander Rinnooy Kan selecteerde, uit de longlist van twintig vertalingen, vijf titels die in aanmerking komen voor de prijs. Eerder ging die naar Marie NDiaye’s roman Drie sterke vrouwen, vertaald door Jeanne Holierhoek, Alsof het voorbij is van Julian Barnes, vertaald door Ronald Vlek, en naar Limonov van Emmanuel Carrère, vertaald door Katrien Vandenberghe en Katelijne de Vuyst.

De prijs bestaat uit een geldbedrag van tienduizend euro voor de schrijver van het bekroonde boek en vijfduizend euro voor de vertaler. De uitreiking zal op 7 september plaatsvinden.

De Europese Literatuurprijs is een initiatief van Spui25, het Nederlands Letterenfonds, De Groene Amsterdammer en Athenaeum Boekhandel en wordt mede mogelijk gemaakt door vijftien onafhankelijke boekhandels.