Volker Hage & Ulla Hahn

Voorbij het vergeten

Volker Hage

Zeugen der Zerstörung: Die Literaten und der Luftkrieg

S. Fischer, 300 blz., € 19,90

Ulla Hahn

Unscharfe Bilder

DVA, 278 blz., € 18,90

De Duitsers en hun nazi-verleden, het is een lange geschiedenis. Die begon al direct na de oorlog, toen in Duitsland werd gesproken over de Stunde Null. Er was niets meer, behalve enorme bergen puin in de door de Geallieerden gebombardeerde steden. En diep onder dat puin lagen de twaalf jaren van de nazi-dictatuur begraven. En dat moest vooral zo blijven, vonden veel Duitsers, ook na de wederopbouw. In de jaren van het Wirtschaftswunder werd het nazi-verleden ontkend, verdrongen, vergeten. Over Hitler en de oorlog werd openlijk nauwelijks gesproken.

Het zwijgen werd in de jaren zestig langzaam doorbroken. Het proces tegen Eichmann in Israël, het Auschwitz-proces in Frankfurt en een nieuwe generatie studenten die vragen gingen stellen over het verleden van hun vaders, leidden tot eerste discussies en nieuwe publicaties over het Derde Rijk, zoals de uitgebreide Hitler-biografie van Joachim Fest uit 1973. Vooral de uitzending in de Bondsrepubliek van de Amerikaans tv-film Holocaust, begin 1979, maakte een golf van emoties los. De muur die de West- Duitsers rond het nazi-verleden hadden opgetrokken, werd doorbroken; de moord op zes miljoen joden drong met een schok door tot het collectieve bewustzijn.

In de jaren tachtig was het vooral bondspresident Richard von Weizsäcker die de West-Duitsers maande de waarheid onder ogen te zien. Op 8 mei 1985, precies veertig jaar na de onvoorwaardelijke capitulatie van de Wehrmacht, verklaarde hij niet alleen onomwonden dat 8 mei 1945 ook voor de Duitsers een dag van bevrijding was, maar hij hield de West-Duitsers eveneens voor dat het veel gebezigde «wir haben es nicht gewusst» een leugen was. «Wie zijn oren en ogen opende, wie zich wilde informeren, die kon niet ontgaan dat de deportatietreinen rolden.» Hij riep zijn landgenoten op het onmenselijke verleden niet te vergeten en de slachtoffers van oorlog en geweld te herdenken.

De Duitsers hebben naar Von Weizsäcker geluisterd, want sindsdien is een stroom van boeken, documentaires en tv-series verschenen over de holocaust, de terreur van de SS en de oorlog. Dit leidde na de Duitse vereniging zelfs tot de vraag of er niet te veel werd herinnerd aan het nazi-verleden. Kon Duitsland dan nooit een normaal land worden? De schrijver Martin Walser zei in 1998, toen hij werd onderscheiden met de prestigieuze vredesprijs van de Duitse boekhandel, in zijn dankrede: «In plaats van dankbaar te zijn voor de onophoudelijke presentatie van onze schande, begin ik weg te kijken.» En waarom kon hij de beelden van concentratiekampen op de tv niet meer zien? Walser meende dat het vaak niet meer gaat om het herdenken en het zich herinneren, maar «om de instrumentalisering van onze schande ten behoeve van huidige doelen. Altijd goede, respectabele doelen. Maar toch instrumentalisering.»

Het heftige debat dat volgde op Walsers omstreden uitspraken heeft het proces van herinnering niet blijvend beïnvloed. Maar het heeft wel een nieuwe dimensie gekregen. Günter Grass ging Im Krebsgang schrijven over vlucht en verdrijving van miljoenen Duitsers in 1945 en nam het zichzelf kwalijk dit deel van de geschiedenis zo lang te hebben genegeerd. Duitsers als slachtoffer van de oorlog, die nazi-Duitsland had ontketend: dit thema staat sindsdien duidelijk op de agenda, mede ook door Der Brand: Deutschland im Bombenkrieg 1940-1945, een uitgebreide historische studie over de luchtoorlog door Jörg Friedrich.

In feite was het thema al in het najaar van 1997 aangesneden. De auteur W.G. Sebald hield toen in Zürich enkele lezingen, waarin hij Duitse schrijvers verweet ernstig te kort te zijn geschoten bij de beschrijving van de vernietiging van Duitse steden in de oorlog door vooral Britse bommenwerpers. Op deze luchtaanvallen, waarbij 600.000 Duitsers werden gedood — veel vrouwen, kinderen en bejaarden, want de mannen waren aan het front — rust kennelijk een taboe, aldus Sebald, wiens verwijten twee jaar later ook nog eens in boekvorm verschenen.

De literatuurcriticus van Der Spiegel, Volker Hage, is deze verwijten gaan onderzoeken. Het heeft geleid tot Zeugen der Zer störung: Die Literaten und der Luftkrieg, dat ook interviews bevat met elf schrijvers die in hun jeugd — de een nog erg jong, de ander al wat ouder — de Geallieerde luchtaanvallen hebben meegemaakt, en daarover hebben geschreven. De geëngageerde dichter Wolf Biermann, die als jongen van zesenhalf het verwoestende bombardement van 28 juli 1943 op Hamburg overleefde, zegt in het boek dat in het inferno van die nacht zijn «innerlijke klok» stil is blijven staan en dat toen de «eerste steen» voor zijn latere poëzie werd gelegd. Tot de geïnterviewde schrijvers behoren ook twee niet-Duitsers, en wel de Amerikaan Kurt Vonnegut en Harry Mulisch, van wie in 1959 Het stenen bruidsbed verscheen. «De beide beste en formeel de meest overtuigende romans over de vuurzee van Dresden in februari 1945», schrijft Hage, «komen uit het buitenland.»

Onderzoek en interviews hebben een interessant boek opgeleverd, dat Sebald min of meer in het ongelijk stelt. Hage laat zien dat er meer boeken, literaire en niet-literaire, zijn geschreven over de luchtoorlog dan Sebald besefte. Maar de boeken die al vrij spoedig na 1945 over dit thema verschenen, raakten snel vergeten, en verdwenen. Dat lot trof met name Gert Ledig, van wie in 1956 onder de titel Vergeltung een zeer indringende roman verscheen over een luchtaanval op een Duitse stad. In 1956 werd deze roman overladen met kritiek; de Duitse lezer toonde geen interesse. In 1999 werd Vergeltung herdrukt en zeer geprezen.

Waarom het oorlogsleed van Duitsers jarenlang geen op de voorgrond tredend thema was, lijkt verscheidene redenen te hebben. Veel schrijvers begrepen dat niet over het oorlogsleed van Duitsers, het volk van de daders, kon worden bericht, zolang over Auschwitz werd gezwegen.

Auteur en filmregisseur Alexander Kluge, die in de jaren zeventig heeft geschreven over de luchtaanval op zijn geboorteplaats Halberstadt en het thema nu een plaats heeft gegeven in zijn grote werk Die Lücke, die der Teufel lässt, zegt in Hages boek: «Er bestaat een innerlijk gevoel voor proporties bij mijn literaire werk: zonder het hoofdstuk Verschrottung durch Arbeit, dat handelt over het concentratiekamp bij Halberstadt, zou ik niet over de luchtaanval hebben kunnen vertellen.»

Ook anderen in het boek wijzen op de relatie tussen oorzaak (Hitlers agressie met luchtaanvallen op Rotterdam en andere Europese steden) en gevolg (de Geallieerde bombardementen). Dieter Forte, schrijver van de in 1995 verschenen roman Der Junge mit den blutigen Schuhen, die ook over de luchtoorlog gaat, merkt op dat de titel van Ledigs boek niets voor niets «vergelding» luidt. «De bommen vielen, omdat Auschwitz bestond. Wie zou dat willen scheiden?» Sebald, in 2001 omgekomen bij een auto-ongeluk, beaamt dat veel Duitsers in de schuilkelders destijds het gevoel hadden dat de luchtaanvallen een rechtvaardige straf waren voor Duitse schuld.

Er is nog een ander argument. Harry Mulisch zegt: «Literatuur heeft tijd nodig.» Forte, die als jongen van acht, negen jaar de vele luchtaanvallen op Düsseldorf meemaakte, bevestigt dit: «Het onderzoek naar trauma’s heeft aangetoond dat het veertig, vijftig jaar duurt voordat men verschrikkingen onder ogen kan zien, woorden voor herinneringen kan vinden, de ontsteltenis kan schilderen die onder het vergeten ligt.»

Alles duidt erop dat in Duitsland nu de historische waarheid in al zijn facetten onder ogen kan worden gezien. Ook de mythe dat de Duitse soldaten in de oorlog slechts hun plicht hebben gedaan en niet bij de nazi- terreur betrokken waren, ligt sinds de tentoonstelling over de misdaden van de Wehrmacht aan diggelen. De catalogus van deze tentoonstelling vormt het uitgangspunt van de jongste roman van Ulla Hahn, Unscharfe Bilder. De vrouwelijke hoofdpersoon, een lerares in Hamburg, meent op een van de getoonde foto’s, waarop een Duitse soldaat een gegijzelde Rus doodschiet, haar vader te herkennen. Ze koopt de catalogus en knalt die op de schrijftafel van de inmiddels oude man die in een verzorgingstehuis woont. Ze verlangt opheldering. Wat deed haar vader in Rusland tijdens de oorlog? Waarom heeft hij altijd gezwegen?

Ulla Hahn is in Duitsland vooral bekend geworden door haar gedichten, maar sinds enkele jaren schrijft ze ook proza. Unscharfe Bilder is een roman die irriteert. Want de vader, een gepensioneerde leraar klassieke talen die zijn leerlingen na 1945 steeds heeft gewezen op de Duitse verantwoordelijkheid voor de nazi-misdaden, doceert niet alleen breedvoerig over de Duitse geschiedenis maar schildert zichzelf ook af als slachtoffer van een oorlog die hij niet had gewild. Zijn dochter roept tot slot boos: «Jouw uitvluchten! Elke dader zijn eigen slachtoffer! Uitvluchten! Daarin ben je groot.» Het is een boosheid die de lezer deelt.

Hahn wil kennelijk demonstreren dat de individuele waarheid kan afwijken van de historische waarheid. De foto’s over de misdaden van de Wehrmacht zijn onscherp, want ze vertellen niet het verhaal van de gewone soldaat. Die heeft kennelijk andere beelden in zijn hoofd, die eveneens onscherp zijn en die niet erg passen bij de geschiedenis zoals wij die kennen.

Eén zin keert steeds terug: «Altijd tegen en altijd meegedaan.» Anders uitgedrukt: geen nazi, en toch een moordenaar. En dus onschuldig? Hahn lijkt dat te willen suggereren. De lezer is geneigd de filosoof Adorno te volgen: «Es gibt kein richtiges Leben im falschen.»