Europese Literatuurprijs

Voorbij voorbij o

Het is een simpel verhaal dat de Noorse schrijver Geir Gulliksen vertelt, misschien wel het simpelste verhaal dat er bestaat. Naar ik begrijp van de achterflap is Het verhaal van een huwelijk zijn eerste roman voor volwassenen. Misschien heeft hij zich met de jeugdliteratuur waarmee hij eerder succesvol was, bekwaamd in helderheid. Het vereist namelijk wel nogal wat van een schrijver om het simpelste verhaal van de wereld ook de glorie van de transparantie te gunnen. Dat is meer een kwestie van vorm nog dan van stijl. Of van perspectief om precies te zijn. Dat perspectief maakte dat ik deze roman van de eerste tot en met de laatste pagina als een hongerige dwaas tot me heb genomen.

Wie van de twee voormalige geliefden eigent zich de gemeenschappelijke geschiedenis toe? De schrijver is hier in het voordeel, en dat is in deze roman Jon. Hij is sinds zo’n twintig jaar getrouwd met Japie, door hem zo genoemd omdat ze in het begin van hun verkering bekende zich te identificeren met Japie Krekel, het geweten van Pinokkio. Ze zagen de oude Disneyfilm Pinokkio samen in bed, tussen het vrijen en zappen door. Japie is in haar ogen iemand die overal het beste van probeert te maken, die zijn paraplu pakt en gaat, eerlijk en hoopvol zingt ook als het om hem heen donker wordt en hij geen idee heeft waar hij is. ‘Maar dat ben jíj’, riep Jon toen meteen. ‘Jij bent Japie Krekel. Jij wilt altijd alles goed doen en geeft nooit op als je iets voor elkaar wilt krijgen.’

Op de eerste bladzijden werpt hij het muntje op: wie van ons gaat vertellen wat er is gebeurd? Want er moet wat verteld worden, uit behoefte te begrijpen wat het ís wat er gebeurd is. ‘Vertel het me alsof ik er niets van wist.’ Ooit waren ze samen, en nu niet meer. Hoe kan dat? ‘Wil je liever dat ik het vertel? Dan doe ik dat.’

Het slimme van Gulliksens aanpak is dat hij het verhaal laat vertellen door de getroffene – waarschijnlijk ook de enige die wil begrijpen wat er is gebeurd – en deze, opmerkelijk genoeg, nog steeds de bril van de verliefde gunt. Die blik zorgt ervoor dat hier niet een wraakverhaal wordt verteld, en ook niet een zielig slachtofferverhaal, maar dat het geluk in heel zijn schittering wordt opgeroepen. Dit was of is een héle grote liefde, zo moet de lezer wel gaan meedenken en -voelen met de verteller die zijn geliefde in heel haar schoonheid en onverwoestbaarheid voor ons aller ogen te voorschijn tovert. Hoe magisch dat juist deze twee mensen elkaar twintig jaar daarvoor troffen, terwijl ze nota bene ieder al een relatie hadden. Zij eind twintig, hij net boven de dertig, zij nog in opleiding voor arts, hij net begonnen als journalist, én vader van een dochtertje. Zoveel risico, zoveel pijn. De moeder van dat dochtertje, in no time getransformeerd van Klein Liefdegras naar Stekeldistel, snakt naar uitleg hoe dit had kunnen gebeuren. ‘Maar alleen ik kan haar dat uitleggen’, aldus Jon, ‘en ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik ben gewoon een ander tegengekomen, en nu wil ik liever haar hebben, die ander.’ Het is altijd nog wreder dan dat: ‘Ik wil gewoon weg uit het leven dat ik leidde, waarvan ik opeens heb begrepen dat het niet te harden was. Ik vind dat ik niets uit te leggen heb. Ik heb mijn hart al aan een ander gegeven, en de nieuwe geliefde die ik heb gevonden, kijk, die wist al het andere uit.’

L’histoire se répète, al wil natuurlijk niemand daar aan. ‘Want is er genegenheid denkbaar die niet blijvend is? Kan het genegenheid zijn geweest als die niet blijvend was?’ In heel zijn schittering dus, die liefde, op deze bladzijden, en daarmee ook in zijn even grote pijnlijkheid. De dreiging van het afkalven en instorten sijpelt voortdurend in andertonige scènes erdoorheen. Bijvoorbeeld in het nagalmen van het dreigement waarmee de ex van Jon afscheid van hem neemt. Nee, echt sportief heeft deze ‘Stekeldistel’ de breuk niet opgevat. Ze voegt hem toe van ganser harte te hopen dat hij op precies dezelfde manier zal worden verlaten als hij haar heeft verlaten. Ze zegt nog net niet dat ze wéét dat dat zal gebeuren.

Vooral de eerste helft van de roman is probleemloos betoverend. ‘Laat ik me voorstellen hoe het voor háár was, dat voorjaar, op zo’n dag voordat het allemaal begon.’ Zoals de verteller kijkt naar de vrouw van wie hij houdt, hoe ze fietst, hoe ze ademt, hoe ze op haar werk achter haar bureau zit, zich uitrekt met haar armen omhoog zodat haar blouse omhoog schuift en haar buik wordt ontbloot… En hoe hij haar dan laat denken aan de man die ze eerder die dag heeft ontmoet, een paar woorden waren het maar die ze met hem wisselde, maar er was iets in zijn blik… Al heel gauw is er een vervolg, ze blijken in elkaars buurt te wonen, verwant werk te doen, én ze lopen allebei hard.

Wil hij zo dicht mogelijk bij haar blijven of is dit hele verhaal een oefening in masochisme?

‘Ze rende over het pad, voor een man die ze niet kende, en ze voelde zijn ogen op zich gericht. (…) Ze was ervan overtuigd dat hij naar haar achterwerk keek, ze voelde zijn ogen als een warme hand, enigszins keurend, eerst op haar ene bil en toen op de andere.’

Het is niet meteen duidelijk wat de intentie is van Jon om zich dit allemaal zo precies voor de geest te halen. Wil hij écht begrijpen hoe zijn vrouw langzaam maar zeker in de ban raakt van een ander, wil hij zo dicht mogelijk bij haar blijven, haar op de voet volgen, af proberen te dalen in haar geest en lichaam, of is hij zichzelf aan het pijnigen, is dit hele verhaal een oefening in masochisme? De dubbelzinnigheid van de exercitie maakt het verhaal spannend en tergend. Is Jon de begrijpende man die zijn vrouw oprecht vrijheid gunt, zoals hij haar keer op keer zegt? Of is die zogenaamde invoelendheid van hem een truc om haar telkens confidenties te ontlokken, seksueel opgewonden te raken? Wil hij haar uiteindelijk klem zetten, zodat hij kan dreigen met verhuizen, schreeuwen, huilen?

In de tweede helft van de roman wordt het verhaal zwarter en obsessiever. Kleine leugentjes doen hun intrede. Ze krijgt van die ander fietshandschoenen, omdat ze behalve rennen, klimmen en skiën nu ook nog samen gaan fietsen. Dat ze van die zachte, leren handschoenen van hem krijgt, is weer een treetje verder, ‘een duidelijke uitnodiging’; het cadeau kan ze niet afslaan en de uitnodiging kan ze niet aan zich voorbij laten gaan. Ze stopt ze schielijk in haar rugtas zodat Jon ze niet ziet, maar heeft niet in de gaten dat ze er eentje op de trap laat vallen. ‘Die bleef daar liggen totdat ik hem vond en vroeg of hij van haar was. Toen kreeg ze een kleur. Later ergerde ze zich daaraan, want ze had best kunnen zeggen dat ze ze zelf had gekocht. Maar we waren aldoor open tegen elkaar geweest, al vanaf het eerste begin, en ze had ze voor me willen verstoppen omdat ze niet wilde gaan liegen.’ Vanaf die vondst noemt Jon die ander consequent Handschoen.

Er is seks, de hele tijd, tussen de gehuwden, te mooi om waar te zijn; Jon leest Simone de Beauvoir en krijgt daar een goed humeur van. Sartre en zij konden het ook! Hij zou bewijzen dat hij hier ook tegen opgewassen was! Niet alleen mannen zouden er immers minnaressen op na mogen houden. Eerder nog dan voor hemzelf lijkt het voor de lezer duidelijk dat hij op weg is naar het einde, van zichzelf en van zijn huwelijk. Hij laat zich door haar strelen, vastpakken, maar het worden handelingen zonder dat ze er nog bij nadenkt. ‘Ze dacht aan iets anders.’ Er heeft iets onomkeerbaars plaatsgevonden, het maakt niet meer uit wat hij doet of niet doet, dat is het allerergste. Ze is gewoon een ander tegengekomen.

Toch niet zo simpel dus, zoals Gulliksen zijn verteller laat afdalen in de verloren geliefde, zijn verbeelding doet gebruiken om de eerste verraderlijke aanrakingen tussen haar en de ander na te voelen, zichzelf de dritte im Bunde maakt. Te meer omdat je van alle kanten voelt: dit is Pinokkio’s verhaal, en niet dat van Japie. Wat haar werkelijke naam is, komen we niet eens te weten, en opeens begint die benaming voor zijn ex als Stekeldistel ook te prikken. Hij is met ieders versie op de loop gegaan. Zo nadrukkelijk als hij zijn geliefde de hele tijd ervan wil verzekeren dat ze vrij is om te doen wat ze wil, zo genadeloos sluit hij haar tegelijkertijd op in zijn verhaal. Het perspectief is dat van de bewonderaar – bewonderen is naar eigen zeggen zijn manier om van haar te houden – maar sluipenderwijs wordt het iets anders. Ik weet het, het is maar een manier van vertellen, maar het effect van dit procedé is op alle niveaus huiveringwekkend.


De Europese Literatuurprijs bekroont de beste hedendaagse Europese roman van het vorige jaar