Sylvain Ephimenco

Voordat het te laat wordt

Ik heb twee broers. Of ik zou twee broers kunnen hebben. In alle gevallen voelt het alsof ik daadwerkelijk twee broers heb. De ene noem ik Achmed, of Has san of Rachid; de andere Marek, of Max of David. Ik heb die twee broers niet uit idealisme geschapen. Uit een doorgeschoten verlangen naar totale wereld verbetering en verbroedering of een christelijke hang naar paradijselijk evenwicht. Ik ben geen christen en geen jood. En ook geen moslim. Eerlijk gezegd koester ik een diep gevoel van walging voor fundamentalistische moslims en orthodoxe joden. Voor hun allesvernietigende kortzichtigheid en onverdraagzaamheid. Zoals ik Marokkanen die «joden aan het gas» roepen of Israëliërs die «dood aan de Arabieren» schreeuwen met eigen vuist zou willen corrigeren. Zoals in zuidelijke contreien het een oudere broer betaamt.

Als ik met een Marokkaan in het Frans praat, komt er meestal een geschikt moment dat ik hem kan laten weten wie ik ben, ik zijn broer. Dan noem ik hem en passant, discreet, aan het einde van een zin: «mon frère». Nog nooit heeft een aangesprokene hier verbaasd op gereageerd. Als ik met een jood ergens sta te praten is die drang tot openbaring meer lichamelijk. Dan knijp ik in zijn arm. Of sla ik ongemerkt op zijn schouders. Ik heb een joodse vriendin. Stom toeval waarvan ik weet dat het geen toeval kan zijn. Soms kijkt ze naar me en zegt zeker te zijn dat ik via verre voorouders toch joods moet zijn. Zo iets heb ik meer gehoord. Maar vooralsnog ontbreekt hiervoor het prille begin van een bewijs. De verwarring beperkt zich kennelijk niet tot een kleine kring: onlangs kreeg ik een brief van de initiatiefnemers voor de actie «Een ander joods geluid». Of ik de advertentie tegen de huidige Israëlische politiek in de bezette gebieden wilde ondertekenen. Ik wilde wel maar mocht niet.

Toen ik in Nederland kwam werd ik met mijn zwarte haar en baard af en toe voor een moslim aangezien. Soms werd ik ook lichtelijk gediscrimineerd («hé, het is hier geen Mekka»), wat ik vanuit mijn bevoorrechte undercoverpositie wel interessant en soms boeiend vond.

Ik ben in het koloniale Algerije van mijn Franse landgenoten geboren en deels opgegroeid. Het land waar negen miljoen Arabieren door een miljoen Europeanen werden onderdrukt. Ik en de mijnen behoorden tot het kamp der onderdrukkers. In Oran, mijn geboortestad, bevond zich de grootste joodse gemeenschap. De beste vrienden van mijn ouders waren joods, hun huisbaas was een Arabier. We aten Arabische couscous en joodse sla van gegrilde paprika’s. Zeiden tegen de buren shalom en salamale coum. Niemand wilde de ramp die op ons allemaal afstormde onder ogen zien. Het bloed van moslims, joden en katholieken vloeide uiteindelijk gezamenlijk door de straatgoten. Letterlijk. Misschien heb ik hier een onbeschrijflijk en irrationeel schuldgevoel aan overgehouden. Maar ook twee broers. En die twee broers zetten nu elders hun dodelijke strijd voort. Ze dopen hun handen in het bloed van de ander, schieten op elkaars kinderen, slaken dezelfde hatelijke kreten. Lang, te lang heb ik de andere kant uit gekeken. Laf moet ik zijn geweest. Te laf om partij te kiezen voor degene van de twee die door de ander werd onderdrukt en uitgeknepen. Niet willen kiezen. Maar de avond valt met als decor het brandende Oran uit mijn geheugen. Voordat het te laat is: Israël en mijn joodse broer zullen deze oorlog onverbiddelijk verliezen. Vroeg of laat. Omdat het een onrechtvaardige oorlog is. Omdat de bezetter uiteindelijk altijd verliest. En daarom moet Israël zich terugtrekken en de nederzettingen ontmantelen. Voordat het te laat en te donker wordt.