Voorgevoel

We zijn weer thuis. Drie koppen staren mij aan, van drie verschillende bladen. Andreas Baader vanaf de cover van De Revisor, die bij nader inzien een jeugdige Anthony Mertens blijkt. Een angstaanjagend ogende Martin Bril vanaf HP/De Tijd, die zich niet meer kan verdedigen tegen welk portret dan ook. En de immer langharige Ilja Leonard Pfeijffer met opvallend lichte ogen op de cover van Vrij Nederland, die zichzelf gevonden schijnt te hebben in Italië. Om maar met de laatste te beginnen: wil ik daar iets van weten? Nee. Wil ik dat fietsboek van hem lezen? Nee.

Er verschijnen te veel fietsboeken, net als hardloopboeken overigens. En allemaal koppelen ze onverwachte vergezichten aan simpele levenslessen en zogenaamd genadeloze zelfinzichten. Zo is Pfeijffer er onderweg achter gekomen dat hij zich bescheidener wil opstellen, als poëziecriticus ook. Als zijn bespottelijke, en ijdele, bespreking van de afgrijselijke poëzie van Liesbeth Lagemaat deze zomer als voorbeeld hiervan moet dienen (‘een jamsessie van beelden, woorden, klanken en emoties’; ja, zo ken ik er nog wel een paar), dan… dan… Ja dan wat? Dan hoeven we dat ook niet meer te lezen, zoiets.
Onder het hoofd van Bril staat heel groot ‘opgehemeld’. Oei, dat belooft wat. In het blad zelf staat ook nog eens een spotprent van Bril, vergezeld van nog drie doden. Hier hun namen herhalen zou te veel eer zijn voor een flutstuk. Echt volkomen flut. Wil je iemand van zijn sokkel halen, doe dat dan goed. Krankjorum hoe steeds eenzelfde, onbetekenend, personage wordt opgevoerd als openbaar aanklager. Had je een hekel aan Bril voor je dit stuk ging lezen, je gaat warempel alsnog van hem houden.
En dan Anthony Mertens. Ook dood, zoals een vroegere collega welgemoed niet naliet toe te voegen indien de mogelijkheid zich aandiende. Behalve nog meer weemoedig stemmende foto’s – Mertens en AFTh tegenover elkaar in café De Zwart, de een onderwijzend, de ander ontvankelijk, beiden nog geen weet hebbende van welke brouillage, welke transfer of welk sterfgeval dan ook – staat er een mooi stuk in De Revisor van Yves van Kempen over zijn oude makker. Van Kempen vertelt dat Mertens drie leeshoudingen benoemde: jurylezen, magneetlezen en koortslezen. Jurylezen was een noodzakelijk kwaad, een soort zendingswerk begrijp ik om het afwijkende boek in de lucht te houden, en magneetlezen en koortslezen liggen in elkaars verlengde.
Nu kende ik het fenomeen dat iedere (beroeps)lezer in feite terugverlangt naar hoe hij ooit begon te lezen: verzonken, absorberend, en altijd bereid nóg weer een keer hetzelfde te lezen. Mertens verbond die oervorm van lezen met ziek in bed liggen. En inderdaad, wanneer lag je ooit lekkerder te lezen dan een beetje koortsig tussen de lakens, verzekerd van een kopje thee zo dadelijk met een flinke schep suiker.
Het boek dat ik in mijn herinnering het vaakst heb gelezen maar dat ik om onverklaarbare redenen ben kwijtgeraakt, Knikkertje lik van Daan Zonderland, begon ook nog eens met het ziek in bed liggen van de held. In zijn koortsdroom veranderen de stippen op het behang in streepjes, er komt steeds meer snelheid en als ik het me goed herinner verandert een van die streepjes in een kat die Judocus meeneemt naar een ander universum waar heel andere wetten gelden. Een eng maar ook gelukkig makend boek, met een hoofdrol voor een knikker die als een toverbal van kleur verandert als je eraan likt en meestal goede raad geeft in de vorm van een versje, en een deur met een leitje waarop je met krijt kunt schrijven waar je naartoe wilt.
Wilde ik vroeger wel graag zo’n knikker, inmiddels denk ik: doe mij maar zo’n deur. Of een luikje dat al naar believen te openen is, en waar je jezelf doorheen kunt laten vallen om elders weer monter verder te gaan. Of zou dit precies zijn wat Ilja Leonard Pfeijffer ook heeft gedaan? (En kom je die dan dáár ook weer tegen…)
Mertens is een leven lang een benijdenswaardig enthousiast lezer gebleven, niet uit het veld te slaan door welk fiets- of flutboek van wie dan ook. Hij wist het koortslezen van zijn jeugd om te zetten in wat hij magneetlezen noemde. Als ik het goed begrijp was dat in feite een vorm van zelfbescherming: hij las – en besprak – wat hem aantrok en negeerde de rest. Zoals Carel Peeters in deze zelfde Revisor schrijft: Mertens was steeds minder geïnteresseerd in het beoordelende kritische werk, legde liever verbanden tussen de boeken die hij de moeite waard vond. Alles uit een terugverlangen naar de leeshouding van vroeger, ‘toen nog niets ervaring was en alles nog voorgevoel’, zoals hij het zelf omschreef.
Het lijkt bijna een vingerwijzing Gods, aan de vooravond van een nieuw literair seizoen en een nieuwe ronde kritieken schrijven. Meer laten aantrekken, minder afstoten. Maar ik denk niet dat ik dat voor elkaar krijg. Daarvoor houd ik net te veel van hakken.