Voorheen poes

Annie M. G. Schmidt, Minoes (1970)
IN ALICE IN VERBAZIE, het prachtige boekje waarin Nicolaas Matsier zijn essays over Alice in Wonderland bundelde, stelt hij dat de heldin van het kinderboek der kinderboeken in feite een flat character is. Alice is welopgevoed, beleefd, ze spreekt met twee woorden, wacht keurig met praten tot het haar beurt is, maakt braaf haar buiginkjes, beheerst volmaakt de etiquetteregels, ze is kortom een victoriaans modelmeisje.

De ‘constante van de normaliteit’ is zij, in een land dat de lachspiegel van de beschaafde wereld is. Een land waarin de volwassenen, dieren en fantasiewezens grauwend en snauwend, interrumperend en koeionerend elke welgemanierdheid aan hun laars lappen.
In de kinderboeken van Annie M. G. Schmidt is welbeschouwd het omgekeerde het geval: de wereld die daarin wordt gepresenteerd, is op het eerste gezicht keurig en net. Het is de geordende wereld van een vriendelijk, oer-Hollands stadje van bescheiden omvang waarin de bakker en de dominee, de hoofdonderwijzer en de wethouder deksels goed weten 'hoe het hoort’. Zo'n stadje van plicht en fatsoen waar elke schoongeschrobde stoeptegel je bekend voorkomt. Het gaat zogezegd om de wereld van de normaliteit, en de lichtelijk onaangepaste hoofdpersonen - kinderen, dieren, aardige volwassenen die nooit echt volwassen zijn geworden - kunnen niet anders dan ermee botsen. Met als gevolg dat blijkt dat al die keurigheid en netheid niet meer dan een spic en span gepoetste facade is waarachter hypocrisie, hebzucht, egoisme en machtsbelustheid schuilgaan.
NEEM MINOES, het onnavolgbare kinderboek dat Annie M. G. Schmidt in 1970 schreef. Plaats van handeling: het niet bestaande maar o zo herkenbare plaatsje Killendoorn. Begin van het verhaal: Tibbe, journalist van de Killendoornse Courant, moet bij de hoofdredacteur komen. Hij krijgt een ernstige vermaning, want er staat nooit nieuws in zijn stukjes, ze gaan altijd weer over katten. Mismoedig gaat Tibbe naar huis, hij heeft een laatste kans gekregen, maar hij weet niet waar hij over moet schrijven als het niet over katten mag. Kort gezegd: in Minoes wordt er hard gewerkt aan een realistische illusie. De inwoners van Killendoorn heten meneer Smit of mevrouw Van Dam, ze beoefenen ouderwetse beroepen - een organistatiepsycholoog of floormanager, ik noem maar, zul je er niet in aantreffen - en de hoofdredacteur handelt zoals de meeste hoofdredacteuren zullen handelen.
Maar aan het begin van het boek maakt de lezer ook kennis met Minoes - althans, Tibbe ziet eerst haar been ('een been met een mooi-bewerkte kous en een lakschoen’) steken tussen de blaadjes van een boom waar ze op de vlucht voor een hond in is geklommen. Al snel wordt duidelijk dat Minoes nu wel een juffrouw is, maar dat ze vroeger als mooie rooie kat met haar zuster aan de Emmalaan woonde. Ze is, aldus de 'realistische’ verklaring, in een mens getransformeerd nadat ze heeft gegeten uit de vuilnisbak van het biochemisch instituut.
Pratende dieren, ze hupsen, huppelen en hobbelen in de kinderliteratuur volop over de pagina’s. Vaak zijn ze niet alleen van kleren en menselijke attributen voorzien - een geruite broek, een hoge hoed, een heus vestzakhorloge - ze hebben ook menselijke eigenschappen en vermogens. Met de trein gaan ze, zoals de beer Paddington, ze kunnen klokkijken zoals het konijn in Alice in Wonderland, ze spreken gelaten taoistische wijsheden uit zoals Winnie the Pooh. Om de zoveel tijd is er wel weer een fantasieloze droogstoppel die beweert dat al die antropomorfe dieren hoogst ongewenst zijn: beesten kunnen niet klokkijken, laat staan praten.
Annie M. G. Schmidt neemt in Minoes de droogstoppels prachtig de wind uit de zeilen. Met juffrouw Minoes, voorheen poes, heeft ze namelijk een geloofwaardige bemiddelaarster tussen de mensen- en dierenwereld gecreeerd. Van buiten mag Minoes dan wel dame zijn, van binnen is ze nog steeds poes. In haar eigen woorden: 'Ik heb nog bijna alle katse eigenschappen. Ik spin, ik blaas, ik geef kopjes. Alleen wassen doe ik met en washandje. En of ik nog van muizen hou… dat zou ik eens moeten proberen.’
Minoes is een merkwaardig tussenwezen dat volgens mensen te 'kats’ is - Tibbe wijst haar er telkens weer op dat een dame de haringman geen kopjes geeft, niet voor honden vlucht en nooit haar nagels uitslaat - en volgens katten veel te menselijk. Zo is haar tante Moortje, een stokoude deftige zwarte poes, diep geschokt als Minoes haar bekent dat ze een washandje en zeep gebruikt: 'Je wast je dus niet meer met spuug? (…) Dan is alles verloren. (…) Ik had nog hoop dat het weer in orde zou komen! Maar nu vrees ik dat er geen hoop is voor je.’
HOE DAN OOK kan Minoes, daar is ze een halfslachtig wezen voor, zowel met mensen als met poezen praten. Haar vermogen tot bemiddelen levert een even humoristisch als spannend verhaal op. Dat gaat in grote lijnen zo: Tibbe laat Minoes als 'aanloopkat’ op zijn zolder bivakkeren, zij zet als beloning een 'kattenpersdienst’ op die hem van het laatste nieuws voorziet. Want de gemeentepoes zit bijvoorbeeld bij de geheime zittingen van de raad in het stadhuis, de deodorantpoes is op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op de deodorantfabriek, en de Jakkepoes, de groezelige en rafelige zwerfkat die op het dak van de verzekeringsbank resideert, weet alles omdat haar hoerende en snoerende levensloop haar met een massa kinderen en kleinkinderen heeft gezegend.
Zoals gezegd is de Hollandse properheid bij Annie M. G. Schmidt niet meer dan een masker. De gevestigde orde blijkt, in de persoon van fabrieksdirecteur meneer Ellemeet, een en al schijnheiligheid. Hij is als supernotabel voorzitter van de Vereninging voor Kinderzorg terwijl hij kinderen maar lastpakken vindt, en voorzitter van de Vereniging van Dierenvrienden terwijl hij katten haat. Niet voor niets heeft de Jakkepoes weinig achting voor de menselijke soort: 'Ik zeg altijd: Er zijn twee soorten mensen. De ene soort zijn schoften. (…) De andere soort ben ik vergeten.’
Vanzelfsprekend vindt er een opstand tegen het gezag plaats, de wereld van de dieren breekt de corrupte wereld van de volwassenen open. Daartoe heeft Minoes een ingenieus kattenkomplot georganiseerd dat op de avond dat de onderwijzer meneer Smit een lezing houdt over 'De kat door de eeuwen heen’ tot de ontmaskering van stadpotentaat Ellemeet leidt.
Kees Fens wijst er in 'De binnenlandse onveiligheidsdienst van Killendoorn’ - opgenomen in het schrijversprentenboek over Annie M. G. Schmidt - op dat het vooral de geraffineerde dubbelzinnige compositie is die van Minoes zo'n superieur boek maakt. Schmidt buit volgens hem het meer-weten van de lezer voorbeeldig uit. Want de lezer weet dat Minoes een vreemd tweeslachtig wezen is, de bewoners van Killendoorn niet. Hij is op de hoogte van de kattenpersdienst, ziet hoe de onnozele Killendoorners door hun poezen worden bespioneerd - terecht zegt Fens dat de kat als geweten fungeert - en hoe de benepen hoofdredacteur wordt misleid. Het is immers mooi dubbelzinnig dat Tibbe het verbod krijgt over katten te schrijven en vervolgens niet anders doet dan dat.
Dubbelzinnigheid, het is volgens Umberto Eco de karaktertrek die populaire helden onvergetelijk maakt. In De structuur van de slechte smaak schrijft hij bijvoorbeeld over de dubbele identiteit van Superman: Superman is geen aards wezen, als kind kwam hij van de planeet Krypton op aarde terecht. Door zijn buitenaardse oorsprong kan hij vliegen met de snelheid van het licht en zich door de tijdsbarriere heen naar andere tijdperken begeven. Tegelijk leeft hij gewoon tussen de mensen als de middelmatige journalist Clark Kent, een bangelijk, bijziend type dat flink onder de plak zit bij zijn vriendin.
DE HELD DIE schrijlings op twee werelden zit is een beproefd mythologisch concept. Denk aan alle klassieke helden die half mens en half god zijn. Denk ook aan alle hybride mythologische wezens die half mens en half dier zijn. Hoe lichtvoetig het kinderboek van Annie M. G. Schmidt ook is, Minoes is een heldin met mythologische proporties en misschien maakt dat haar inderdaad onvergetelijk. Een keurig geklede juffrouw die bang is voor honden, als geen ander de snerpende Mauwmauw-song kan janken, opgekruld in een doos slaapt, met samengeknepen ogen naar muizen en vogeltjes loert en met haar onaangepastheid alle onschuldigheid van de rechtgeaarde kat in zich draagt.