Op z’n smalst

Voorlezen

O, ik kan er zo slecht tegen de laatste tijd.


Alsof de hele wereld om hem draait, hè?


Nee, dat is het niet. Het is… De laatste tijd voel ik me zo klein.


Om hem?


Om wat-ie zegt. Ik heb me dat nooit echt aangetrokken. De P.C. Hooftprijs. De Nobelprijs. Die verhalen ken ik wel. Daar moet je tegen kunnen. Maar, soms voel ik me, ja… als Nederlander zo gekleineerd.


Omdat hij zoveel naar het buitenland wil?


Omdat-ie op ons néer-kijkt. Het is echt niet dat ik niet van reizen hou. Ik vind het heerlijk: al die landen, al die mensen die we ontmoeten. En de cultuur. Maar ik vind het ook leuk om thuis te zijn in Holland. In Amsterdam. Alleen dan loopt-ie dus de godganse dag te mekkeren: ‘Ik kan m’n auto niet kwijt.’ ‘Wat is dit land toch vreselijk vol. Hoe houden de mensen het hier uit.’ Dan is-ie zo geïrriteerd. Moet ik de New York Review of Books kopen. Times Literary Supplement. Nog een keer dat kloteboek van die Timothy Garton Ash — dat laat-ie dus echt in elke stad waar je komt wel een keer in een grand café liggen. En wee je gebeente als ze het niet hebben in een boekhandel. ‘Ahá, Holland op z’n smalst’, zegt-ie dan. Ach, mijn arme Ceesebees, hij maakt het zichzelf ook niet gemakkelijk.


Geniet je wel van het reizen met hem?


Ja, wel en niet. Ik bedoel, ik vind het heerlijk als hij weer ergens op een Nederlands consulaat loopt te slempen, of als er weer eens een feestje voor hem wordt gegeven. Dan is-ie het middelpunt en dan geniet-ie verschrikkelijk. Ik ga dan ergens in een intiem restaurantje zitten. Lekker een beetje kijken naar de mensen. Beetje lezen. Harry Mulisch, ben ik dol op. Moet ik wel een beetje weghouden voor Cees hoor, anders wordt-ie woedend. Hij heeft me een keer betrapt, zat ik heerlijk op een terrasje in Stockholm De ontdekking van de hemel te lezen. Komt-ie aan met een man — woedend was-ie later. Bleek het iemand van de Nobelprijs te zijn. Had ik tegen gezegd dat ik Mulisch zo mooi vind. Ja, dat vind ik toch?


Goed is die, hè? Mulisch?


O kind, héérlijk! En zo werelds, zo filosofisch en zo diep. Maar ik wou zeggen, kijk, dan blijft het doorgaan, hè. Tegen iedereen die het horen wil: ‘I am not really Dutch. I am a nomad.’ Ja, nomad ammehoela. Zodra we thuis zijn zit-ie weer aan de boerenkool en de Amstel pils.


Jullie zitten toch ook veel in Duitsland?


Ja, Duitsers. Is-ie helemaal weg van. ‘Duitse intellectuelen’, zegt-ie dan, vindt-ie ‘geïnformeerder en geciviliseerder dan in Nederland.’ Ach, da’s nou mijn Cees hè. Ken je die Safranski — heeft trouwens een schat van een vrouw — die hebben we een keer ontmoet in een boekhandel. Die boekhandelaar zag hem al aankomen: Há Herr Safranski. Heb ik hem snel een boekje van Cees gegeven, gevraagd of-ie het even door Cees kon laten signeren. Nou, Cees apetrots. Kwam-ie aan: ‘Safranski had een boek van me!’


Schattig.


Ja, dan is-ie zo lief, een echt knuffelbeest. Maar ondertussen: hier geen land mee te bezeilen. Ze schrijven steeds van die rotstukkies over hem. Of dan in zo’n interview, gaan ze hem natuurlijk een beetje zitten voeren en laten kankeren op Nederland.


Ze nemen hem niet serieus.


Ach, ze vinden het leuk om hem op de hak te nemen. Doe ik ook wel eens hoor: dan zeg ik: Ceesebees, voor mij ben jij een beetje mijn Nobelprijs.