Hoe de eenzame John le Carré spion werd

Voorliefde voor geheimen

In de kerkbanken van Bern ronselde het Britse MI5 de jonge student John le Carré. Jaren later schreef hij zijn eerste boek - direct een groot succes.

Uitgevershuis Penguin hoefde afgelopen zomer weinig te doen om de heruitgave van John le Carré’s spionageroman The Spy Who Came in from the Cold van publiciteit te voorzien. Twee weken voor publicatie van de 47 jaar oude klassieker arresteerde de New Yorkse politie de Brits-Russische spionne Anna Chapman. De Britse kranten raakten niet uitgeschreven - en gefotografeerd - over de promiscue en knappe spionne. Ook de koppensnellers hadden plezier, getuige de vindingrijke krantenkop ‘Cold Whore’. In The Guardian mocht Le Carré zelf speculeren over de beweegreden van Rusland om deze 'deluded spy-babies’ in te schakelen, een opiniestuk waarin overigens meer vraagtekens dan punten stonden.
Onlangs kwam er nog zo'n moderne Mata Hari bovendrijven, in de persoon van Ekaterina Zatuliveter, de flirterige onderzoeksassistente van liberaal-democraat Mike Hancock. In de tussenliggende maanden werd in de Londense spionnenwijk Pimlico het ontzielde lichaam van een MI5-medewerker gevonden en kreeg Keith Jeffery’s MI6-biografie volop aandacht. Kortom, ruim twintig jaar na het officiële einde van de Koude Oorlog spreken spionnen nog altijd tot de verbeelding, zeker in het land dat bekendstaat als de hogeschool van de spionage. Het blijkt ook uit het doorlopende succes van Le Carré, de koning van het spionagegenre. Onlangs publiceerde deze voormalige spion, die dit jaar zijn tachtigste verjaardag viert, zijn 22ste roman, Our Kind of Traitor.
Literatuur en spionage zijn in Engeland altijd nauw met elkaar verbonden geweest. Schrijvers als William Somerset Maugham, Graham Greene en Malcolm Muggeridge werkten voor de geheime dienst, terwijl Ian Fleming en John le Carré hun ervaringen als agent gebruikten om een schrijfcarrière te beginnen. Fleming putte daarbij vooral inspiratie uit zijn avonturen tijdens de Tweede Wereldoorlog, terwijl de 24 jaar later geboren Le Carré een kind van de Koude Oorlog is. In de jaren vijftig en zestig heeft Le Carré eerst voor MI5 gewerkt, de binnenlandse inlichtingendienst, en vervolgens nog zes jaar voor de Secret Intelligence Service, MI6. Hij heeft dit relatief korte dienstverband literair gezien tot de laatste druppel uitgemolken.
Zijn voorliefde voor geheimen is mede een gevolg van een moeilijke jeugd. Le Carré werd in 1931 als David John Moore Cornwell geboren. Zijn moeder verliet het gezin van de ene op de andere dag toen David vijf jaar oud was. Reden voor haar vlucht was de handel en wandel van Davids vader Ronnie, een soort Heer Bommel. Beetje bij beetje wist de jonge David het raadselachtige leven van zijn vader te ontrafelen, waarvan het resultaat te lezen zou zijn in A Perfect Spy, het meest autobiografische werk uit Le Carré’s oeuvre en volgens Philip Roth de beste naoorlogse roman in Groot-Brittannië.
Zo kwam hij op achttienjarige leeftijd pas te weten dat zijn pa in de gevangenis had gezeten voor fraude. De pijnlijke episode was ter sprake gekomen tijdens een verkiezingscampagne waarbij zijn vader, gezegend met grote retorische gaven, kandidaat stond voor de Liberale Partij en zich in Norfolk van dorp naar dorp liet vervoeren in een Bentley. Al bladerend in een oud fotoalbum zou Le Carré later in zijn leven leren dat zijn vader contacten had binnen de Londense onderwereld. Na Le Carré’s dood zal er meer helderheid zijn over zijn levensloop, aangezien dan meteen de geautoriseerde biografie van Robert Harris verschijnt. Hoewel hij om de haverklap failliet ging, wist pa Cornwell een goede opleiding te financieren voor zijn kinderen. David ging naar de kostschool Sherborne, alma mater van Jeremy Irons, Stanley Johnson (vader van de Londense burgemeester Boris) en de koning van Swaziland. Gewend aan de chaos in het moederloze ouderlijk huis kon David moeilijk wennen aan de discipline.
Op zeventienjarige leeftijd ging hij Frans en Duits studeren in Bern. Laatstgenoemde taal zou hij in een van zijn boeken de 'literaire versie van klassieke muziek’ noemen. Eenzaamheid bracht hem ertoe de plaatselijke anglicaanse kerk te bezoeken. Daar ontmoette hij een Britse geheim agent, die toevallig op zoek was naar een assistent. De trotse leerling-spion kreeg op een middag de schrik van zijn leven toen zijn hospita zei dat de immigratiepolitie aan de deur was geweest, en zijn fiets weg was. Doodsbenauwd meldde David zich op het politiebureau, waar hij te horen kreeg dat zijn uit Engeland meegenomen Raleigh niet een vereist registratienummer bezat.
Op Lincoln College, Oxford, kon hij zijn spionageactiviteiten voortzetten. Hij was cartoonist bij een radicaal-links tijdschrift, waar hij in de gaten hield of de Russische geheime dienst geen studenten aan het ronselen was. Het was geen paranoia aangezien een jaar eerder twee van de zogeheten 'Cambridge Spies’ spoorloos verdwenen waren, waarbij meteen het vermoeden rees dat ze waren overgelopen. Na te zijn afgestudeerd ging hij twee jaar lang lesgeven op Eton alvorens in vaste dienst te treden bij MI5. Weer twee jaar later stapte David over naar MI6, de crème de la crème van de spionagewereld. Vanwege zijn achtergrond als germanist werden Bonn en Hamburg zijn standplaatsen.
Al vrij snel begon hij onder het pseudoniem 'John le Carré’ te schrijven, met name tijdens het forensen van en naar het Londense station Marylebone. Zijn literaire voorbeeld was Joseph Conrad. Hij was tot schrijven aangezet door de zevende Baron Clanmorris, een oorlogsveteraan en MI5-agent die onder zijn gewone naam John Bingham spionagethrillers schreef. In 1963 beleefde Le Carré zijn doorbraak met The Spy Who Came in from the Cold. Het was zo'n succes - ook in het Kremlin - dat hij een jaar later ontslag nam om zich volledig op het schrijven te kunnen richten. Hij ontving de Somerset Maugham Award en een reisbeurs.
Een andere reden om Het Circus - zoals hij de inlichtingendienst in zijn boeken noemt - te verlaten was het verraad van zijn collega Kim Philby, een van de Cambridge Spies. De alcoholistische dubbelagent vestigde zich in Moskou en gaf de namen van Britse agenten aan de KGB. In Le Carré’s Tinker, Tailor, Soldier, Spy stond Philby model voor Bill Haydon, een charmante, intellectuele en onbetrouwbare man van goede afkomst, en net als Le Carré opgevoed door een lastige vader. In 1987 ondernam Philby pogingen om in Moskou - waar Le Carré door tussenkomst van Raisa Gorbatsjov niet langer persona non grata was - een ontmoeting te regelen met zijn oude collega. Le Carré weigerde. Hij kon de man die in de jaren vijftig verantwoordelijk was geweest voor de dood van tientallen geheim agenten niet vergeven. Zelf, zo zou Le Carré later verklaren, was hij ook eens in de verleiding geweest om over te lopen, niet uit ideologische motieven maar uit nieuwsgierigheid. Zijn wereldbeeld bestond niet uit goed en kwaad. Zowel Russische als Britse spionnen vormden uiteindelijk 'a squalid procession of vain fools, traitors, sadists and drunkards’. Een terugkerend thema is de verhouding tussen spionnen en onschuldige burgers.
Deze ambiguïteit kenmerkt George Smiley, de meesterspion uit vijf van Le Carré’s boeken. Smiley is een bedachtzame, ethische en bescheiden geheim agent, die regelmatig overhoop ligt met bureaucraten. Hiermee staat hij lijnrecht tegenover de stoere, avontuurlijke en heroïsche revolverheld James Bond. Een typerend detail is dat niet Smiley vreemdgaat, maar zijn vrouw. Smiley is niet alleen geënt op Le Carré zelf, maar ook op twee belangrijke personen uit zijn leven. Naast de genoemde Clanmorris is dat Vivian Green, de rector van Lincoln College met wie Cornwell altijd bevriend zou blijven. Van deze kerkhistoricus, die soms leren broeken en felgekleurde stropdassen droeg, heeft Smiley 'the strength of intellect and spirit’ meegekregen, alsmede brillen met dikke glazen.
Het verschil tussen Bond en Smiley uit zich ook in de verschillende levens van hun geestelijk vaders. Fleming woonde in een Jamaicaanse strandvilla - 'Goldeneye’ - waar hij acteurs, premiers en persbaronnen ontving, terwijl Le Carré altijd een teruggetrokken bestaan leidde. Sinds begin jaren zeventig woont hij op een klif in het uiterste zuidwesten van Engeland. Turend over de Atlantische Oceaan heeft hij in een tempo van één boek per twee jaar verhalen geschreven waarin het meer om karakterontwikkeling gaat dan om actie. Zijn stijl is elegant en beeldend, met passages als 'He lit the cigarette for her and she held it like a peashooter’ of 'The England that awaits the young Mundy is a rain-swept cemetery for the living dead powered by a forty-watt bulb’.
Na de val van de Muur heeft Le Carré zich aangepast aan de nieuwe wereldorde. Zo komt in het recente Our Kind of Traitor de kredietcrisis aan de orde en gaat The Constant Gardener over de macht van de farmaceutische maffia. Na het voltooien van laatstgenoemde roman vreesde hij zelfs voor zijn eigen leven, iets wat hij nooit had bij zijn spionageromans. Ook de opkomst van het moslimfundamentalisme ging een rol spelen, bijvoorbeeld in A Most Wanted Man. Voor dit verhaal is zijn oude woonplaats Hamburg het decor, de havenstad waar jaren later enkele terroristen de WTC-aanslagen zouden voorbereiden.
De radicale islam was eind jaren tachtig tevens onderwerp van een venijnig debat naar aanleiding van Le Carré’s bewering dat Salman Rushdie de fatwa aan zichzelf te danken had. Volgens hem had zijn Brits-Indiase confrère te weinig rekening gehouden met de gevoeligheden binnen de moslimwereld. Het leverde hem hoon op van de bedreigde auteur zelf en van diens vriend Christopher Hitchens. Later gaf Le Carré toe dat hij de situatie misschien verkeerd had ingeschat. Sinds de Irak-oorlog ontwikkelde Le Carré zich tot een chomskyaans orakel. Zo hekelde hij de Amerikaanse buitenlandpolitiek in een pamflet dat hij schreef met Harold Pinter, David Hare en Richard Dawkins.
Le Carré is altijd een traditionele socialist geweest. In de jaren tachtig liet hij weten geen behoefte te hebben aan een koninklijke onderscheiding waar Margaret Thatcher - die graag thrillers en spionageromans las - hem mee wilde verblijden. Hij nam wel een uitnodiging aan om te komen lunchen op Downing Street, maar een gezellig gesprek wilde er niet ontstaan. Nadat Le Carré voorstelde om een pro-Palestijns beleid te voeren, zei de gastvrouw dat de Palestijnen samenspanden met leden van de IRA die haar vertrouweling Airey Neave hadden vermoord. In Tony Blair had Le Carré nog minder fiducie. Hij ageerde vooral tegen het inperken van burgerlijke vrijheden zonder zich af te vragen of dat wellicht niet inherent is aan het socialisme. Dat soort politieke bijklusserij doet echter niets af aan de grootheid van deze angry old man, die als geen ander de tijdgeest van de Koude Oorlog heeft weten te vangen en voor wie de onderwerpen nog steeds voor het oprapen liggen. Onlangs suggereerde het satirische tijdschrift Private Eye al een titel voor zijn volgende roman: Tinker, Tailor, Soldier, Fruity Russian Research Assistant…