Susan Sontag

Voorloper van de alomtegenwoordigheid

Susan Sontag, Parijs, 15 juni 1972 © Henri Cartier-Bresson / Magnum Photos / HH

Je zou ze woest kunnen noemen, de essays die Susan Sontag in 1977 bijeenbracht in Over fotografie. Niet boos, maar op een gecontroleerde manier toch onmiskenbaar wild. Ferocious, zoals het in het Engels zo veel beter klinkt. Hartstochtelijk intellectualistisch. Slim, erudiet, superieur, eindeloos gefascineerd en onverzadigbaar. Voor Sontag was schijnbaar alles het overpeinzen waard, maar iets waarnaar ze bleef terugkeren was de geschiedenis en de betekenis van de fotografie en het leven in een beeldcultuur. Ze beschrijft de fotografie, of eigenlijk elke toepassing van de camera, als iets waarin onvermijdelijk een bepaalde agressie besloten ligt. Dat is een beter woord. Haar stijl is onverschrokken agressief.

Zes essays en een verzameling citaten die samen als een collage een zevende tekst vormen. Het boek ontbeert een heldere these, er is geen concrete lijn die wordt gevolgd. Sontag leunt op haar stijl en schrijft daarmee een boek dat zich op geen enkele manier laat samenvatten. Zelfs de afzonderlijke essays lijken niet zozeer te meanderen als wel fundamenteel te bestaan uit gedachten die op elkaar ingrijpen. Over fotografie is een klein boek maar een grote verzameling inzichten, nauw met elkaar verweven, over wat wij mensen met fotografie doen, en wat de uitvinding van de fotografie met ons en onze menselijkheid heeft gedaan.

Waar mogelijk richt Sontag onze blik op de dubbelzinnigheden in de aard van de fotografie. Oog in oog met het tegenstrijdige, dat is wanneer ze het scherpst is. Het humanistische zelfbeeld van de documentairefotografie van het midden van de twintigste eeuw, dat wat volgde op een periode van meer esthetische aspiraties, moet het ontgelden. Het zijn niet die verheven ambities waartegen ze zich keert, het is meer dat er zo ontzettend veel contradicties en paradoxen moeten worden genegeerd om er zo’n eenduidig en nobel zelfbeeld op na te kunnen houden.

‘Fotograferen is de meest verleidelijke vorm van mentale vervuiling’

Het boek veertig jaar na verschijning lezen is beseffen hoeveel en hoe weinig er is veranderd en daarmee zien hoe Sontags gedachten destijds al haar eigen moment wisten te overstijgen. Het is niet alleen dat de grote fotografen wier werk ze fileert nog altijd de grootheden zijn voor wie we, zodra er een retrospectief wordt georganiseerd, ook nu nog in de rij staan. Het is ook dat de alomtegenwoordigheid van de fotografie waar het haar om te doen is een soort voorloper lijkt van de alomtegenwoordigheid die we nu ervaren. Iets kan feitelijk niet ‘alomtegenwoordiger’ worden, maar je kunt je moeilijk aan de indruk onttrekken dat dat precies is wat er is gebeurd.

Neem het idee dat fotografie een duplicaatwerkelijkheid toevoegt die ‘ons het gevoel (geeft) dat de wereld meer beschikbaar is dan in werkelijkheid het geval is’. Hoe kan dat over een wereld gaan waarin de oprichters van Instagram om en nabij de min tien jaar oud waren? En vervolgens: ‘De behoefte om door foto’s de werkelijkheid bevestigd en de eigen ervaring versterkt te zien is een esthetische consumptiedrang waaraan iedereen momenteel verslaafd is. Industriële samenlevingen maken hun burgers tot fotojunkies; fotograferen is de meest verleidelijke vorm van mentale vervuiling.’

Er is een moment, tegen het einde van het eerste essay, waarin Sontag in een andere modus lijkt te glijden. Tussen al het geweld van de intellectuele afstandelijkheid en onderzoeksdrang, de grote greep en de aandacht voor de kleinste details, vangen we plots een glimp van iets heel anders. Ze schrijft over de eerste keer dat ze werd geconfronteerd met beelden van het absolute kwaad waartoe de mens in staat is, iets wat ze ervoer als een soort openbaring. In een boekhandel in Santa Monica zag ze in juli 1945 voor het eerst beelden uit Bergen-Belsen en Dachau. ‘Niets van wat ik ooit later heb gezien – noch op foto’s, noch in het werkelijke leven – heeft mij weer zo scherp, zo diep en zo direct getroffen.’ Het was een lijden waarvan ze maar weinig begreep en waaraan ze niets kon doen. Maar toen ze naar de foto’s keek ging er iets in haar kapot. ‘Er was een bepaalde limiet bereikt; niet de limiet van het afgrijzen. Ik voelde me ongeneeslijk bedroefd en gekwetst, maar een deel van mijn gevoelens begon te verstarren, een deel stierf af, en een ander deel huilt nog steeds.’

Het is dit eerste essay waarop ze kort voor haar dood nog eens terugkwam. In Regarding the Pain of Others (2003) gaat ze dieper in op de aard en de rol van beelden van het gruwelijke dat de mens de mens aandoet en de gevolgen van de grote verspreiding van die beelden. Ze twijfelt openlijk aan dat wat ze eerder schreef, maar toch voelt het niet als terugkomen op eerdere gedachten. Het is meer dat het denken is doorgegaan, dieper is geworden naarmate het meer paden heeft bewandeld – het zijn haar ervaringen in Sarajevo tijdens de Balkanoorlog die een cruciale rol lijken te spelen in haar veranderende gedachten. Ook in 2003 publiceerde ze een kort essay getiteld On Photography (The Short Course). Het is, in veertien korte alinea’s, een destillaat van haar ideeën. Fotografie valt samen met de moderne manier van de wereld zien: in fragmenten. De werkelijkheid kent geen grenzen, kennis geen einde. Bieden foto’s kennis? Sontag zegt van niet. ‘Maar een ding is zeker, wat betreft deze moderne manier van ervaren – het zien, en de opeenhoping van de geziene fragmenten, kan nooit worden voltooid.’ Fotografie, zegt Sontag in feite, is eindeloos – net als het denken erover. Maar met Over fotografie heeft dat laatste wel een beginpunt gekregen.