Arthur Weststeijn De radicale Republiek

Voorlopers van Fortuyn en Van Gogh

De Republiek der Verenigde Nederlanden was niet alleen min of meer per ongeluk ontstaan, maar kende ook een tamelijk uniek politiek bestel, waarin de uitvoerende macht werd gedeeld door de Staten van de verschillende gewesten en de stadhouder, een overblijfsel uit het monarchale bestel van de Habsburgers.

Arthur Weststeijn, De radicale republiek, € 19,95

Medium 9789035140240 arthur weststeijn de radicale republiek 178

Deze merkwaardige staats­inrichting leverde nogal eens spanningen op, waar allerlei religieuze verschillen en conflicten nog eens bij kwamen. Het was dus niet vreemd dat er in de Republiek veel werd nagedacht en geschreven over politiek en het ideale staatsbestel. Bekend in dit verband zijn uiteraard Hugo de Groot en Baruch Spinoza, maar minstens even belangrijk in hun tijd waren de geschriften van Johan en Pieter de la Court.

Pieter (1618-1685) en Johan (1622-1660) werden te Leiden geboren als zonen van een Vlaamse vluchteling, die zich wist op te werken tot welgesteld textielfabrikant en -handelaar. Zijn zoons wisten het bedrijf verder uit te breiden, maar ontvingen tevens een gedegen intellectuele scholing en maakten beiden de voor zonen van de elite gebruikelijke grand tour door Europa. Zo voldeden ze beiden in belangrijke mate aan het door onder anderen Barlaeus geformuleerde ideaal van de mercator sapiens, de wijze koopman die zowel handel als filosofie bedrijft en zo het nuttige en het eervolle in zich weet te verenigen. Aanvankelijk was het vooral Johan die de zaken aan anderen overliet en een groot deel van zijn tijd wijdde aan het bestuderen van politiek-filosofische vraagstukken. Bij zijn dood in 1660 liet hij zijn oudere broer een hele reeks geschriften na, die door deze werden uitgewerkt en uitgegeven.

In de theorievorming over de staatsinrichting van de Republiek speelde aanvankelijk, vooral dankzij het werk van Hugo de Groot, de Bataafse mythe een grote rol. Deze hield in dat er in de Lage Landen reeds sinds oeroude tijden sprake was van volksvergaderingen en een prinselijke figuur, die samen het algemeen belang nastreefden. Dat de praktijk minder ideaal was, werd duidelijk in 1650 toen de met monarchale ambities behepte stadhouder Willem II een staatsgreep pleegde en alle macht naar zich toe wilde trekken. Na een mislukte aanval op Amsterdam stierf hij op 24-jarige leeftijd aan de pokken, waarna de regenten van Holland besloten dat er geen stadhouder meer benoemd zou worden. De aanhangers van Oranje legden zich hier echter niet bij neer, zodat er gedurende het gehele ‘eerste stadhouderloze tijdperk’ (1650-1672) een verwoede strijd werd geleverd tussen ‘prinsgezinden’ en ‘staatsgezinden’.

De gebroeders De la Court stonden duidelijk in het laatste kamp, en leverden met geschriften als Consideratien van staat, ofte Politike Weeg-Schaal de theoretische onderbouwing voor wat raadspensionaris Johan de Witt de ‘ware vrijheid’ noemde. Arthur Weststeijn schetst in De radicale Republiek (een bewerking van zijn in 2012 verdedigde Engelstalige dissertatie) op trefzekere wijze de betekenis van het werk van de gebroeders De la Court. Door de gebeurtenissen van 1650 begrepen zij dat abstracte speculaties zoals Hugo de Groot die had geschreven niets met de werkelijkheid te maken hadden, en dat de politiek van de Republiek werd beheerst door botsende belangen. Voorop diende het algemeen belang te staan, dat zij identificeerden met het belang van het rijkste gewest, Holland.

Maar hoe kon dat algemeen belang nu het best gediend worden? Volgens Johan en Pieter de la Court was dat simpel: door de burgers zoveel mogelijk vrijheid te geven om hun eigenbelang na te streven. Onder meer geïnspireerd door het werk van Thomas Hobbes waren zij van mening dat mensen uit pure eigenliefde – omdat ze beseffen dat ze in de ‘oorlog van allen tegen allen’ hun leven nooit zeker zijn – tot de conclusie komen dat ze dienden samen te werken. Anders dan Hobbes waren zij echter van mening dat de soevereiniteit niet moest worden overgedragen aan een absoluut heerser, maar dat een democratische republiek verreweg de beste regeringsvorm was. En in dit bestel was dus voor een figuur als een stadhouder, die altijd eerst zijn eigenbelang zou nastreven en onvermijdelijk monarchale ambities koesterde, absoluut geen plaats.

Omdat zij ook al pleitten voor volledige commerciële vrijheid – ze waren tegen gilden en het reguleren van de textielhandel, en teven de handelsmonopolies van de voc en wic – is het verleidelijk om de twee broers te zien als moderne liberalen. Weststeijn wijst er terecht op dat dit niet terecht is, omdat ze niet geloofden in mondiale vrijhandel en voorstanders van protectionisme door Holland waren, terwijl zij bovendien vonden dat het bestuur moest worden overgelaten aan wijze kooplieden als zijzelf, en de democratie niet zo ver moest gaan dat ook het ‘grauw’ iets te zeggen zou krijgen. Ook hun opvatting dat de staat controle diende te hebben over de kerken – weliswaar met eerbiediging van individuele gewetensvrijheid – wijkt nogal af van hedendaagse denkbeelden over de scheiding tussen kerk en staat.

Interessant is ook dat de gebroeders De la Court er – als een soort voorlopers van Pim Fortuyn en Theo van Gogh – voorstander van waren dat iedereen in het publieke debat precies zei wat hij dacht, waarmee ze dus braken met het humanistische discours waarin geleerde burgers een consensus trachtten te bereiken, terwijl zijzelf slachtoffer werden van dergelijke polemieken. Politiek gezien dolven ze namelijk het onderspit en in 1672 moest Pieter met lede ogen moest aanzien dat er weer een Oranje tot stadhouder werd benoemd.


Arthur Weststeijn
De radicale Republiek: Johan en Pieter de la Court – Dwarse denkers uit de Gouden Eeuw
Bert Bakker, 272 blz., € 19,95