JOE JACKSON

Voorman tegen wil en dank

Voor Joe Jackson zou jazz een logisch eindstation zijn. Hij is eerder een bandleider dan een rockgod.

DAAR GAAN ZE, de frêle schoonheid en de mensaap aan haar arm. En daar staat hij, de gevoelige, de verstotene, bij het raam met een mok koud wordende koffie in de hand. Starend. Broedend. Gaat ze echt uit met die hufter? Dat stuk testosteron?
Hij denkt aan het feestje van vanavond. Hij zal zijn haar achterover kammen met spuug en zich ziek van eenzaamheid in een hoek verschansen. Flitsen stroboscopisch licht – spierbundels pakken dames in, om ze thuis weer te mogen uitpakken. ‘Man makes a gun, man goes to war. Man can kill and man can drink and man can take a whore.’ Zijn dát nou de echte mannen? Joe Jackson vroeg het zich af. En wij, de liefdeloze loners, vroegen het ons met hem af.
Jackson wordt niet graag herinnerd aan zijn vroege werk. Aan zijn hits van eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, toen hij de new wave impuls gaf. Laten we die teksten – gekrabbel, naar zijn smaak – vooral niet te serieus nemen. Zeg hem niet dat hij sprak voor alle nerds, voor alle te bleke en te puisterige jongens (en een beetje voor de homo’s). Hij zou naar het plafond staren. Brommen. Nog een sigaret opsteken, of het nu mag of niet, want roken neemt hij bloedserieus. Na een openbaar rookverbod in zijn geadopteerde thuisstad New York verkaste hij naar rookvriendelijker contreien.
Een van de boegbeelden van de new wave staat nu op het North Sea Jazz Festival. Slaat dat ergens op?
Jazeker slaat het ergens op.
De spichtige Brit, die – atypisch voor rockhelden – compositie studeerde aan de Royal Academy of Music in Londen, scoorde in 1979 met het klassieke Is She Really Going Out with Him? zijn eerste hit. Een hele rits platen, singles en tours volgden; hij werd onthaald als de nieuwe angry young man. Dat dat niet de hoek was waarin hij geparkeerd wenste te worden, bewees zijn bekendste plaat, Night and Day (1982). Het was een subtiele ode aan New York, maar vooral aan Cole Porter. Jackson beschouwt de componist van jazz standards als een van zijn leermeesters. Net als Porters tijdgenoten Hoagy Carmichael en George Gershwin. Die voorkeur werd nóg evidenter op opvolger Body and Soul.
Commercieel is Jackson sindsdien geen factor meer. Daarvoor ging hij te eigenzinnig te werk. Wie kocht Will Power (1987), zijn zelfgearrangeerde album met klassieke muziek? Alleen de hardcore fans reisden met Jackson mee langs alle stijlen, uitmondend in Rain (2008), een plaat die een rijpere versie lijkt van Night and Day.
Opmerkelijk: waar de punkiconen opkwamen en verdwenen, houden de iconen van de new wave – Joe Jackson, Elvis Costello, Sting – het nu al dertig jaar uit. Hun geheim is simpel: meer talent en meer diepgang, zowel muzikaal als tekstueel. Hetgeen verklaart waarom de new wave überhaupt ontstond. Het was een soort ‘faux punk’, punk voor mensen die een instrument beheersten, punk voor intellectuelen. Zowel Costello als Jackson en Sting hebben in hun latere carrière uitstapjes gemaakt naar de jazz en de klassieke muziek. Voor Jackson en Sting was jazz, meer dan punk of rock, het muziekdieet waarop ze groot groeiden.
Jackson heeft sinds zijn hoogtijdagen het meest in de luwte geopereerd. Dientengevolge is hij op zijn muzikale exploratie het minst afgerekend door critici, een beroepsgroep die weinig technische muziekkennis bezit, onevenredig veel gewicht toekent aan tekst en attitude, en allergisch is voor iedereen die muzikaal iets pretendeert. (‘Met muzikaliteit kun je de put dempen’, zei zo’n bespreker me ooit. Ik: ‘Waarmee je de put pas écht kunt dempen is amuzikaliteit.’) Voor de muziekkritiek is jazz een scheldwoord. Voor Jackson – een zeer beperkte zanger – zou het een logisch eindstation zijn. Hij heeft altijd de indruk gewekt van voorman tegen wil en dank. Iemand die geschikter is voor de rol van Duke Ellington-achtige bandleider dan voor de rol van rockgod.

Joe Jackson, 13 juli, Nile Zaal, 18.00-19.15 uur