Buitenland

Voorover leunen

Qua in memoriams heb je goede, nog betere, en die van Hunter Thompson. Zijn mat- en schoppartij tegen de nagedachtenis van de Amerikaanse president Richard Nixon is buitencategorie afrekening. Elke keer dat ik het lees, moet ik al lachen bij de kop en de aanhef. ‘He Was a Crook’, schreef Thompson. ‘Onderwerp: De Dood van Richard Nixon. Notities Bij het Overlijden van een Amerikaans Monster (…) Hij Was Een Leugenaar en een Lafaard en Had Op Zee Begraven Moeten Worden.’ En zo duizenden woorden voort.

Afgelopen week kregen Amerikaanse journalisten de kans om hun eigen gram te halen op Donald Rumsfeld, de voornaamste architect van de Irakoorlog. ‘88-jarige Oorlogsmisdadiger Dood Gevonden’, ging de linkse The Nation bijvoorbeeld los, boven een woedend stuk over Rumsfelds extreme ideologische starheid tijdens een oorlog die overduidelijk fout liep. Interessanter was een rustiger, gelaagder, maar even bittere bespreking door journalist George Packer in The Atlantic: ‘Hoe Donald Rumsfeld het verdient om herinnerd te worden.’

Packer beschrijft Rumsfeld als ‘de voornaamste pleitbezorger van elke ramp’ in de jaren na 11 september 2001. ‘Op elk moment waarop de Amerikaanse regering een verkeerde afslag overwoog, stond Rumsfeld vooraan met zijn harde glimlach – fronsend, spottend met de voorzichtigen, zijn land dieper in de problemen duwend.’ De verkeerde afslagen waren achteraf duidelijk: oorlog in Irak altijd als een hoger doel beschouwen dan het verslaan van al-Qaeda in Afghanistan; een overeenkomst weigeren met de Taliban en hen laten hergroeperen; de onnodige invasie van Irak op basis van hopeloos optimistische verwachtingen; de crimineel incompetente nalatigheid daarna. Met de woorden ‘vrijheid is rommelig’ deed Rumsfeld de gewelddadige chaos af – en de verantwoordelijkheid ervoor – waar Irak in wegzonk na de Amerikaanse invasie.

Ter nagedachtenis aan Donald Rumsfeld

Packer heeft het recht verdiend om over Rumsfeld te oordelen. Hij was als verslaggever lange perioden in Irak en Afghanistan en sprak met honderden Irakezen, Afghanen en Amerikaanse soldaten. Hij beoordeelt Rumsfeld als een nog slechtere minister dan Robert McNamara, de architect van de Vietnamoorlog. McNamara had volgens Packer één eigenschap die hem boven Rumsfeld uit tilt: zelfreflectie. Net als een hele generatie Koude-Oorlogstrijders meende hij dat Vietnam een cruciaal strijdperk was om het wereldcommunisme te stoppen. McNamara’s verdienste was dat hij steeds helderder zag dat hij het verkeerd had, en dat de VS niet konden winnen; zijn ‘onvergeeflijke lafheid’ was dat hij dat voor zichzelf hield. Rumsfeld, daarentegen, koppelde gebrekkig beoordelingsvermogen aan onwrikbaar zelfvertrouwen. ‘Hij ontbeerde de moed om aan zichzelf te twijfelen’, oordeelt Packer. ‘Hij ontbeerde de wijsheid om van mening te veranderen.’

Packer schrijft hier niet alleen over Rumsfeld, maar ook over zichzelf, en over de VS als geheel. Net als een grote meerderheid van de Amerikanen en hun vertegenwoordigers was Packer in 2003 voorstander van de invasie van Irak. Hij schreef er een boek over, The Assassin’s Gate, dat tegelijkertijd een reconstructie van het invasieplan was als een reportagereis door Irak en een persoonlijke verantwoording voor zijn foute oordeel en inkeer. Dat is ook een bespiegeling over de kloof tussen een Amerika dat bereid is zichzelf de maat te nemen en een Amerika dat uitschreeuwt dat het zich nooit voor Amerika zal excuseren, en daar trots op is.

Beide kampen kunnen immense schade doen, zoals de oorlogen in Irak en Vietnam leren. Misschien zit er dan hoop in lerend vermogen, zoals Packer suggereert, of in deemoedigheid. In ieder geval is het belangrijk om de waarschuwing te zien, het gevaar dat het soort mannen als Rumsfeld vormt in de buurt van de macht. Al in 1998 had Rumsfeld (die overigens bijna vice-president was geweest onder Reagan) een invasieplan voor Irak opgesteld. Een jaar later loodste hij dat als Iraq Liberation Act door het parlement. In 2003 had hij het voorwendsel én de positie om het uit te voeren. Voor zijn aantreden als minister van Defensie vertelde Rumsfeld de aanstaande president George W. Bush in 2000 hoe belangrijk het was dat de VS principiële agressie aan de dag legden in de wereld. ‘Ik liet er geen twijfel over bestaan dat als er iets gebeurde ik hem onder druk zou zetten om voorover te leunen en niet achteruit’, zei Rumsfeld. ‘De president zei onomwonden dat hij dat ook wilde. We hadden een heldere overeenstemming.’