Het beste van 2018: Muziek

Voorportaal van het einde

Eigenlijk wilde ik schrijven over die twee dagen in juni, waarin Jay-Z en Beyoncé samen twee avonden in de ArenA optraden, en een paar meter verderop, in de Ziggo Dome, vier avonden Roger Waters. Ik ging de maandag naar Waters, en de dag erna naar de familie Carter.

Waters speelde het nummer Pigs. Dat nummer duurt twaalf minuten. Het publiek was muisstil. Bij Jay-Z en Beyoncé duurde de live-versie van een nummer soms maar een minuut, en dan gingen ze weer verder: ze hadden in totaal 45 nummers te spelen deze avond.

Waters speelde voor veertigers, vijftigers, zestigers en zeventigers met de aandachtsspanne die daarbij hoort, Beyoncé en Jay-Z voor tieners, twintigers en dertigers met de bijhorende attention span. Bij Waters stond de zaal vol jeans en zwarte bandshirts, de ArenA rook naar een club.

Het engagement van Waters is onontkoombaar. Het is engagement van de Michael Moore-school: simplistisch, schematisch, manipulatief, maar effectief en amusant. Het engagement van Jay-Z en Beyoncé is sporadischer en subtieler. Vrijblijvender, misschien ook – al lijk je, vergeleken met Donald Trump afbeelden met een Hitler-snor, al snel vrijblijvend.

Maar hoe groot de verschillen ook: Waters aan de ene kant en Beyoncé en Jay-Z aan de andere kant vertegenwoordigen de top van artiesten die op megaschaal optreden en dat ook waarmaken: het zijn visuele spektakels, concerten die de belevenissamenleving omarmen zonder aan muzikaliteit in te boeten. Goed, bij beide shows zag en hoorde ik een band spelen, maar zou ik niet durven beweren dat alle muziek en vocalen daarvan afkomstig waren. Maar kennelijk geldt ook: andere schaal, andere afspraken.

Wat me eigenlijk vooral trof, is het feit dat in die paar dagen op hetzelfde stuk van de Bijlmer drie, misschien zelfs vier generaties van muziek genoten, en dat geen enkel cultuurpessimistisch betoog daartegen stand zou houden. Het was niet sneu of pathetisch dat de 74-jarige Waters nog steeds zijn Pink Floyd-klassiekers stond te spelen, want hij deed het vol soms zelfs met verbeten overtuiging, en er valt werkelijk niets af te dingen op de muzikaliteit, het charisma en de klasse van Beyoncé en Jay-Z. In die paar dagen in de Bijlmer werd samengevat hoe breed het palet van goede popmuziek is, in leeftijd, in stijl, in publiek, in beleving. In alles, behalve in betekenis.

Daar wilde ik over schrijven. Tot ik donderdag naar Bruce Springsteen ging op Broadway, zijn op twee na laatste theatershow van wat ooit begon als acht weken, maar uitgroeide tot 236 shows. Die show staat nu op Netflix.

Het is het tegenovergestelde van Waters en Jay-Z en Beyoncé. 975 toeschouwers, een paar spotjes en een glas water. Bruce Springsteen op Broadway is het meest ontroerende, grappige, innemende, betekenisvolle, persoonlijke popconcert dat ik ooit heb gezien. Van een zanger die een heel oeuvre heeft gebouwd met de verhalen van gewone Amerikanen en hun zorgen, terwijl hij zelf nog nooit een gewone baan heeft gehad. ‘That’s how good I am’, grapt hij erover, zoals hij veel grappen maakt, maar niets weglacht.

Een man, zijn gitaar, zijn piano en bij twee nummers zijn vrouw, en een berg verhalen. Meer is het niet. Het is genoeg. Vanwege de kwaliteit van de schrijver, vanwege de kwaliteit van de verteller, vanwege de strakke regie (regisseur van de show, uiteraard: Bruce Springsteen).

Die een leven lang heeft nagedacht over zijn rol als zanger, als echtgenoot, vader, zoon, Amerikaan, en uiteindelijk ook als icoon, en nu zijn conclusies deelt. Die Trump niet hoeft te noemen of af te beelden, omdat Trump uiteindelijk een passant is en zijn eigen oeuvre niet, maar die wel uit de grond van zijn hart zegt dat hij oprecht dacht dat sommige strijden waren gestreden, en sommige demonen van de Amerikaanse droom waren begraven.

Het raakte me in het bijzonder omdat Springsteen nadrukkelijk de rekening opmaakt van zijn leven, en veel praat over ouder worden en het steeds geringere aantal ‘blank pages’ dat erom schreeuwt gevuld te worden. In Dancing in the Dark zong hij ooit: ‘You sit around getting older/ There’s a joke here somewhere and it’s on me.’ Nu zingt hij daar tussendoor: ‘When I figure it out, I’ll let you know.’

Deze show is zijn prachtige voorportaal van het einde. Dat is de enige belofte van popmuziek die een leugen blijft: eeuwigheid.


Bruce Springsteen op Broadway is nu te zien op Netflix