50 jaar Afrika Een geschiedenis van hoop en wanhoop

Voorspoed versus doem

Afrika keek dit jaar terug op een halve eeuw onafhankelijkheid. Het optimisme van de eerste jaren werd een paar keer hard de grond in geboord. Er is nieuwe hoop, met dank aan China. Maar ook over de Chinese vriendschap groeien de twijfels.

‘DIT STANDBEELD blaast nieuw leven in onze gezamenlijke bestemming. Afrika is groots gearriveerd in de 21ste eeuw en meer dan ooit klaar om zijn lot in eigen handen te nemen’, zei Senegals 83-jarige leider Abdoulaye Wade eerder dit jaar, bij de onthulling van het vijftig meter hoge Afrikaans Renaissance Monument. Tot Wade’s ergernis kreeg het reusachtige standbeeld van een man, vrouw en kind niet de ontvangst die hij in gedachten had. Het werd bespot als het eerste neostalinistische bouwwerk van de 21ste eeuw, moslims waren boos om de schaars geklede vrouw, christenen om de gelijkenis met Christus die Wade in het standbeeld zag. Maar vooral was er kritiek op het prijskaartje van 25 miljoen euro en Wade’s claim op 35 procent van alle entree-inkomsten, vanwege zijn 'intellectueel eigendomsrecht’ op het monument. Meer dan voor Afrika’s wederopstanding en onafhankelijkheid dient het standbeeld sindsdien als monument voor de verkwisting, megalomanie en hebzucht van Afrika’s heersende klasse sinds het continent zich losmaakte van zijn koloniale meesters.
Het jaar 1960 geldt als de 'Big Bang’ van Afrika’s onafhankelijkheid: zeventien landen verklaarden zich in dat jaar zelfstandig, waaronder beide Congo’s, Somalië en Nigeria. Nog eens veertien andere landen deden dat in de jaren rond 1960. Er kwam een enorme hoeveelheid optimisme en energie vrij onder presidenten als Kwame Nkrumah van Ghana en Julius Nyerere van Tanzania: leiders met een uitstraling door het hele continent. Het bleek het begin van een cyclus waarin hoop en wanhoop over Afrika elkaar telkens zouden afwisselen.
De eerste dromen werden verstoord doordat onafhankelijkheid niets bleek te helpen tegen etnische rivaliteit, machtshonger en slecht bestuur. Democratie bleek niet met een pennenstreek ingevoerd en een aantal leiders, onder wie Nkrumah en Congo’s Lumumba, werden met staatsgrepen afgezet. In 1967 brak Afrika’s eerste burgeroorlog uit in Nigeria, die de toon zette voor wat meer landen onder de Sahara te wachten stond: er vielen meer dan een miljoen doden, Afrikaanse landen stonden hopeloos verdeeld en machteloos toe te kijken, terwijl Europese en Aziatische machten zich er schaamteloos in mengden. Veel Afrikaanse naties voelden toen al het gewicht van de molensteen die zij zichzelf om de nek hadden gehangen, in de vorm van grote nationale industrieën, betaald met leningen. Pan-Afrikaanse vergezichten verdwenen snel en de landen spraken af niets aan de koloniale grenzen te veranderen. De mooiste glans was al snel van de onafhankelijkheid af.
In de jaren zeventig sloeg het tij om. Stijgende grondstofprijzen gaven Afrikaanse landen armslag en de kans op nieuwe investeringen. De 'Afrikaanse dageraad’ was volgens sommigen nu echt aangebroken. Maar het geld vloeide vooral naar slecht renderende projecten en naar de zakken en buitenlandse rekeningen van iedereen die zich via familie en connecties de overheid in kon werken. Het gaf heersende klieken overal een extra reden om nog resoluter aan de macht vast te houden en verergerde zo Afrika’s problemen met democratie en openbaar bestuur. In een reeks staten escaleerden burgeroorlogen, aangejaagd door geld en wapens uit de Verenigde Staten of de Sovjet-Unie. Toen de grondstofprijzen weer zakten, dook voor het eerst de term 'verloren continent’ op.
De vraag of Afrikanen zelf of hun voormalige koloniale meesters verantwoordelijk waren voor de Afrikaanse tegenspoed werd onderwerp van verhitte discussies. En daarmee een taboe, tot woede van dwarse denkers als de Franse filosoof Pascal Bruckner. Nog altijd laten westerlingen dat debat liever over aan Afrikanen zelf. Hoe pijnlijk de verhoudingen liggen, blijkt uit het feit dat alleen de grootste polemisten zich minachtend over Afrika durven uit te laten. Zoals de schrijver Evelyn Waugh, die in 1960 concludeerde dat Afrika bedekt was met 'wreedheid en onrecht’. Pas een halve eeuw later kwam er een vervolg in die richting, toen gepatenteerd ruziezoeker V.S. Naipaul dit jaar in The Masque of Africa de rol van bijgeloof in de levens van Afrikanen op de korrel nam - en en passant strooide met dubieuze citaten: 'Het is lastig om een menselijk begrip van Pygmeeën te krijgen, om hen als individuen te zien. Misschien waren ze dat ook niet.’

TERUG NAAR de slingerbeweging tussen hoop en wanhoop. Begin jaren negentig werd er weer gesproken van een 'nieuwe lente’ in Afrika, toen voormalige rebellenleiders de macht grepen in enkele van Afrika’s meest geplaagde landen en aantoonden dat ook daar goed bestuur en economische groei mogelijk waren. Yoweri Museveni en Meles Zenawi bouwden in Oeganda en Ethiopië stabiele staten op in landen die enkel bekend waren door massamoord en hongersnood; Nelson Mandela werd een mondiale held. Maar het nieuws uit Afrika werd al snel beheerst door de genocide in Rwanda en de burgeroorlogen in Sierra Leone, Liberia en Congo.
De jaren negentig waren verder het decennium van globalisering en snelle, wereldwijde economische groei. Aan Afrika onder de Sahara ging die groei echter grotendeels voorbij. Er waren wel Afrikaanse succesverhalen die werden weggedrukt, zoals de stabiele vooruitgang in Botswana en Mauritius. Maar over het geheel genomen is het gat tussen de Afrikaanse landen en de rest van de wereld groter geworden in de halve eeuw van hun onafhankelijkheid. Op de Human Development Index van de Verenigde Naties, een maatstaf voor levensstandaard en ontwikkeling, bevat de laagste categorie 42 landen, 35 ervan liggen onder de Sahara. Wie in algemene termen over Afrikaanse democratie, mensenrechten en openbaar bestuur wil praten, ontkomt niet aan sombere verhalen. 'Het belangrijkste principe voor veel Afrikaanse leiders’, schreef The Economist, 'lijkt na vijftig jaar democratie nog steeds te zijn: verrijk jezelf en houd de macht vast tot de volgende bende het paleis bestormt.’
Maar volgens sommigen gaat Afrika een voorspoediger periode in. 'Geen enkel land heeft zo'n grote invloed gehad op de politieke, economische en sociale structuur van Afrika als China sinds het nieuwe millennium’, schreef de econoom Dambisa Moyo vorig jaar in haar invloedrijke boek Dead Aid. Moyo veegt de vloer aan met de westerse 'obsessie met democratie’, de belerende en desastreuze recepten die zij Afrika aanreiken en vooral met de ontwikkelingshulp waarmee het Westen Afrika de put in heeft geduwd. 'Tussen 1970 en 1988, toen de hulpstromen naar Afrika hun top bereikten, groeide armoede in Afrika van elf procent tot een verbijsterende 66 procent’, schrijft ze.
In het hoofdstuk 'De Chinezen zijn onze vrienden’ beschrijft Moyo de verademing die China vormt: geen hulp, gesubsidieerde leningen en opgeheven vingertjes, maar commercieel verantwoorde investeringen. Senegals Abdoulaye Wade beschreef het verschil dit jaar in Le Parisien: 'Als ik een project gefinancierd wil krijgen, pak ik de telefoon en stuur ik een gezant naar Peking. Binnen twee maanden heb ik een antwoord. Als ik hetzelfde wil van Frankrijk, de VS of de Wereldbank, duurt het vijf jaar.’ En aan inmenging in hoe iemand anders zijn land bestiert, doet Peking niet.
Nu wil het toeval dat Afrika’s leiders zetelen op ’s werelds rijkste continent aan grondstoffen, iets waar het snel groeiende China een ongekende honger naar heeft. Het resultaat is dat in heel Afrika op een ongekende schaal wegen worden aangelegd, mijnen geopend en bouwprojecten van start gaan onder Chinees beheer. De commerciële activiteit is zonder weerga in de Afrikaanse geschiedenis. En dat is terug te zien in cijfers: de meeste Afrikaanse landen kenden sinds 1997 een gemiddelde economische groei van boven de vijf procent, onder meer te danken aan handel met China. Veel Afrikaanse leiders spiegelen hun land bovendien liever aan een land dat zich recent uit zijn eigen armoede heeft gewerkt dan aan voormalige heersers waar ze onder de oppervlakte allerlei ideeën als die van Waugh en Naipaul vermoeden.
Maar de twijfels over de baten van China’s vriendschap groeien. De Amerikaanse schrijver Patrick French reisde dit jaar dwars door Afrika om de impact van China’s penetratie te zien. Hij kwam vooral door desolate, straatarme streken waar soms achter muren Chinese industrie Afrika’s grondstoffen opdiept en afvoert, met enkel tijdelijke contracten voor handwerkers als spin-off voor de omgeving. Daar is tegenin te brengen dat China vaak betaalt in natura: met de aanleg van wegen, ziekenhuizen en havens. Zoals bij een Chinees-Congolees contract waarin China zich verplicht tot de bouw van honderden klinieken, ziekenhuizen en scholen, twee universiteiten, 2800 kilometer spoor en 3200 kilometer snelweg. 'Dit wordt de basis waarop onze economische groei zal worden gebouwd’, zei een Congolese minister voor het parlement.
Daarop valt veel af te dingen. Bij de ziekenhuizen, scholen en dergelijke gaat het alleen om de gebouwen. De eerste snelweg, vernam French, zal wellicht van Kinshasa lopen naar een afgelegen uithoek in de jungle, waar de man die het contract namens Congo had afgesloten toevallig net een paleisachtige residentie had laten neerzetten. Een tweede stuk weg werd aangelegd naar het immense privé-domein van de regionale politiechef. En French tekent de gevolgen op van een soort goldrush van Chinese koperzoekers tussen 2003 en 2008: het liet de stad Lubumbashi achter met een soort kraterlandschap van verlaten mijnen en legioenen onbetaalde werkers. De Britse schrijver Peter Hitchens keerde in 2008 met soortgelijke desillusies terug van een soortgelijke reis naar Afrika. 'Hoe China een nieuw slavenrijk in Afrika creëerde’, noemde hij zijn weerslag.
Sommige Afrikaanse intellectuelen sluiten zich bij Hitchens en French aan, anderen zien in hun reportages de stuiptrekkingen van een afgesloten tijdperk. How the West Was Lost: Fifty Years of Economic Folly heet het boek dat Dambisa Moyo volgend jaar zal uitbrengen. Voor haar gaat de slingerbeweging nog altijd duidelijk omhoog.