Voortgang

Ik ben de nieuwe buren gaan haten. Het is eigenlijk niets voor mij om over te gaan tot die uiterste fase van afkeer. Ik ben er het mens niet naar – maar ja, dat denken natuurlijk alle mensen over zichzelf, tot ze in de juiste omstandigheden zijn en hun stemming zien omslaan. Overigens ben ik er nog niet erg goed in – je hebt types die heel kil en beheerst kunnen haten, soms jarenlang. Mijn haat is onwenniger, een beetje amateuristisch nog. Mijn haat gaat gepaard met samengeperste lippen en rode vlekken in mijn hals. Gemompelde verwensingen. Passief-agressieve zuchten. Toch voel ik de laatste maanden met regelmaat een echte dikke, schuimende woede omhoog borrelen waar niets meer aan te relativeren valt. Onvervalste bloeddorst.

Toen de nieuwe buren – sympathieke dertigers – het grote huis hiernaast kochten, had het er nog alle schijn van dat het een overzichtelijke verbouwing zou worden. De elektriciteit moest worden aangepast, qua isolatie moest er flink wat gedaan worden en ook de kozijnen zouden vervangen worden. Begrijpelijke keuzes bij een wat ouder huis. Ik kende het pand goed – de vorige bewoner was een heerlijke Britse die mij altijd dear of love noemde en regelmatig uitnodigde voor thee.

Maar het werd geen overzichtelijke verbouwing. Het werd een bouwput die nu al anderhalf jaar ruimte biedt aan een leger werklieden. Een rommelende vulkaan van balken en bakstenen die stof omhoog werpt en puin uitspuwt. Een echoput vol gierende boren, beukende sloophamers en hersendodende slijptollen. Overdag ratelen de apparaten, soms zo hard dat praten niet meer mogelijk is. Laat staan denken. Laat staan schrijven. Er zit geen patroon in de overlast – en je zou denken dat de paar dagen rust die mij zo nu en dan ten deel vallen helend zijn, maar het tegenovergestelde is waar. De hele dag wordt wachten: wanneer begint het weer, kan ik nu nog iemand bellen, kunnen de kinderen een tekenfilm kijken, kan ik nog even gaan slapen?

De herrie trekt in het hoofd als bouwstof in tapijt – zo wordt overlast geïnternaliseerd. Er valt niet te ontkomen aan de allesverslindende voortgang. De nieuwe buren zelf wonen intussen elders – in afwachting van de oplevering. Ze vinden het allemaal erg vervelend, want het zijn, zoals gezegd, sympathieke dertigers die er óók niets aan kunnen doen. Er waren steeds dingen. Rottende balken, een breuk in een leiding, een toplaag die onverwachts vervangen moest. Het kost allemaal veel geld en veel tijd, dat hadden zij ook liever anders gezien. En ik begrijp het. Ik wil verdraagzaam en begripvol zijn. Toch droom ik de laatste tijd steeds vaker van een woeste bestorming, gevolgd door een bloederige bijlmoord op zowel de buren als alle borende bouwvakkers. Schuldig of niet, ze gaan er allemaal aan. Rood kleuren de muren, ledematen vliegen door de pas betegelde badkamer, darmen kronkelen de pas geplaatste trap af. Daarna is er slechts de zoete, zalige stilte. Het zwijgen van alles. Tot het zover is plaats ik mijn stoel voor een verzachtend gedicht van Vrouwkje Tuinman. In haar regels ligt het beloofde niets, blauwogig en breedzwijgend. Ooit breekt het uit.

VA-ET-VIENT I

Met aandacht hebben we onze stoel geplaatst. Twee stoelen.

Er was geadverteerd: hier uitzicht op het niets. En inderdaad:

blauwogig en breedzwijgend glimpte het ons toe. Niets.

We wisten er niks over te zeggen.

Voor en om het niets: een hek. Pas op! zegt het hek. Niet passeren,

niet proberen aan te raken. Alleen zitten, kijken. Straks breekt het uit.

Ondertussen gefluister. Van meer en minder en nog minder,

bijna niets, ook voor mij. Ook voor ons.

‘Zei je wat?’ vroeg ik. ‘Nee,’ zei jij.

Vrouwkje Tuinman, uit: Vitrine (Nijgh & Van Ditmar, 2004)