Boek van de Maand: J.M. Coetzee - Portret van een jongeman

Voortijdig middelbaar

De juryleden selecteren uit het boekenaanbod ieder een titel. Deze maand koos Solange Leibovici Irlanda en Natalia van Espido Freire, Jacq Vogelaar Indian Summer van Jens Christian Grøndahl en Sander Pleij Eigen tempo van Rebecca Miller. Pieter van Os koos voor Portret van een jongeman van J.M. Coetzee. Nadat de juryleden elkaars genomineerden hadden gelezen, werd Portret van een jongeman verkozen tot Boek van de maand.

J.M. Coetzee
Portret van een jongeman
Uitg. Cossee
Vertaald door Peter Bergsma
208 blz., € 18,90

Voor grote kunst moet worden geleden, en niet zo’n beetje ook. Doordrenkt met het calvinisme van zijn vaderland Zuid-Afrika, en met de romantische preoccupaties die hij opdeed in de bibliotheken van zijn schooljaren, vertrekt een negentienjarige jongen begin jaren zestig naar Londen. Daar moet het gebeuren, en zal de Zuid-Afrikaan in de voetstappen treden van zijn helden T.S. Eliot en Ezra Pound, mensen van een andere soort dan de provinciaalse stervelingen die hem omringden in zijn jeugd op de Kaap.
J.M. Coetzee tekent zijn portret in het onlangs verschenen Youth, een roman die Coetzee, als cadeautje aan zijn Hollandse uitgever, drie maanden geleden al in het Nederlands liet uitgegeven onder de titel Portret van een jongeman. Het boek heet een autobiografische roman te zijn. En inderdaad, Coetzee woonde tussen zijn negentiende en vierentwintigste in Engeland, studeerde er wiskunde en werkte er later als computerprogrammeur. Hij was nog niet productief als schrijver.
Verder moeten we het doen met de jongeman die in Portret van een jongeman wordt beschreven. In zijn kleine Londense appartement mijmert deze John over de door hemzelf gecreëerde omstandigheden, in de hoop dat ze ideaal blijken voor het ontstaan van Ware kunst, het grote en verheven doel van zijn bestaan. En dan is het wachten geblazen. Wachten op «volmaakte, duistere vrouwen», die een vonk in hem zullen ontbranden die zijn kunstenaarschap vleugels zal verlenen. Wachten op de juiste woorden, op het binnenvallen van «de volzin die hij aan zijn gewicht, aan zijn stabiliteit en balans, onmiddellijk herkent als de zin die door het lot is voorbestemd».
Intussen voert hij een eindeloos gesprek met zichzelf. Het kleinste inicident vormt al aanleiding voor menige overweging over de verhouding tussen scheppen en leven, over literaire roem en de ontberingen en opofferingen die daarvoor nodig zijn. Alleen dode dichters en denkers komen er in die overwegingen genadig van af; voor de levende zielen waarmee hij in aanraking komt reserveert hij een fors dédain, dat tot zijn grote ellende voortdurend door de werkelijkheid op de proef wordt gesteld.
Zo is het een schok voor hem om in de collegebanken te ontdekken dat hij niet de allerslimste is, een overtuiging die hij tijdens zijn schooljaren onwrikbaar achtte. Ook de enkele ervaringen met de in zijn ogen minderwaardige vrouwen die het lot hem wél schenkt, krenken zijn zelfbeeld en fnuiken de verwachtingen van de ontluikende kunstenaar. Soms spreekt de jonge John dagenlang niemand, dagen die hij met een s van stilte markeert in zijn agenda.
Terwijl de jongeman langs boekhandels sjokt en uren stukslaat in de bibliotheek, constateert de verteller: «Hij voelt zich middelbaar, voortijdig middelbaar: zo’n bloedeloze, uitgeputte geleerde met een hoog voorhoofd, wiens huid bij de geringste aanraking schilfert. Nog dieper in zijn hart voelt hij zich een kind, onzeker van zijn plaats in de wereld, angstig, besluiteloos. Wat doet hij in deze onmetelijke, koude stad, waar je je om alleen al in leven te blijven voortdurend moet vastklampen, moet proberen niet te vallen?» Coetzee verwoordt op onnavolgbare wijze hoe zelfhaat en superioriteitsgevoelens een dynamische combinatie kunnen aangaan, vooral in ambitieuze jongemannen die slecht zijn toegerust «op wat de echte wereld wordt genoemd», die mikken op artistieke onsterfelijkheid, maar nog nooit iets noemenswaardigs op papier hebben gezet.
De autobiografische lezing is niet zonder problemen. In het boek geeft Coetzee daar zelf al enkele aanwijzingen voor. Een Zuid-Afrikaanse correspondent in Nederland (tevens medewerker van deze krant) wees erop dat, bijvoorbeeld, Coetzees opvattingen over Nederlandse literatuur wel erg sterk verschillen van die van zijn hoofdpersoon. Coetzee dicht zijn «emosioneel lamsakkige Suid-Afrikaan» de mening toe dat Nederlanders «het saaiste, meest a-poëtische volk ter wereld zijn». Coetzee houdt nu juist veel van Nederlandse literatuur en poëzie, een liefde waarvan hij getuigde in verscheidene artikelen in de New York Review of Books, waarvan enkele onlangs werden gebundeld in het boek Fatal Shores.
Kennis van het leven van de auteur kan de lezing van Portret van een jongeman een merkwaardige draai geven, wat in tientallen besprekingen ook is gebeurd. In het laatste hoofdstuk brengt kritische introspectie de computerprogrammeur uiteindelijk tot het inzicht dat zijn lijden eigenlijk voornamelijk bestaat uit de angst te mislukken, een lijden dat vruchteloos is. Hij realiseert zich dat hij moet ophouden zichzelf vragen te stellen over de juiste omstandigheden en de geschikte gemoedstoestand. Hij moet geen «gezichten meer trekken» bij de gedichten die hij in literaire tijdschriften tegenkomt, niet wachten op het lot, maar gewoon aan de slag gaan. Desnoods incasseert hij een paar keer zijn verlies. «Zo doe je dat, zo gaat het in de wereld toe.»
De autobiografische lezing zegt dat de jonge John na deze bezinning aan het werk gaat. Zo verging het de oude John immers ook. Die kwam pas na zijn terugkeer uit Londen op zijn geboortegrond tot schrijven. En hoe! Inmiddels is hij als enige auteur tot twee keer toe gelauwerd met de Booker Prize en worden al zijn boeken in tientallen talen vertaald, gelezen en besproken. Een happy end.
Maar projecteert een dergelijke lezing niet ten onrechte de kennis van Coetzees leven op de ontwikkeling van de computerprogrammeur uit Portret van een jongeman? Zijn inzicht dat er gewoon moet worden gewerkt, zonder gezeur, leidt immers niet noodzakelijkerwijs tot literaire productie. Als we zijn portret goed lezen, is Coetzees hoofdpersoon defaitistischer dan dat. Ondanks ogenschijnlijke loutering volgt uit de laatste zinnen van de roman ook zijn definitieve ondergang. Onomwonden vertelt Coetzee dat ze zijn jongeman «net zo goed» als zijn Indiase collega-programmeur «met een laken over zijn hoofd» naar buiten mogen dragen. Hij «is verwikkeld in een afmattend eindspel en speelt zich met iedere zet verder de hoek en de nederlaag in». Een dergelijk «sad end» ligt meer in de lijn van deze briljant geschreven, onmiskenbare parel van naargeestigheid.

Rebecca Miller Eigen tempo
Uitg. De Harmonie/ Manteau
174 blz., € 16,25

Eerste zin: «Op een ochtend keek Greta Herskovitz naar de schoenen van haar man en zag toen ontstellend duidelijk dat ze bij hem weg zou gaan.» Hoe gaat ze dit aanpakken en waarom gaat ze weg? — dat zijn de vragen die binnen een normaal verwachtingspatroon vervolgens behandeld gaan worden.
Tweede zin: «Die schoenen waren degelijke, goedkope bruine molières.» Het blijkt om een paar spitse, krokodillenleren flatjes te gaan. En in de eerste zin van de volgende alinea wordt en passent vermeld dat Greta een jaar eerder bij een voorname uitgeverij rondloopt op een paar goedkope pumps.
Deze schrijfster vertelt niet met grote woorden. Het zijn kleine, alledaagse details die haar herkenbare verhalen van nu vertellen.
Zeven verhalen over zeven vrouwen staan er in de bundel Eigen tempo van Rebecca Miller. Greta, Delia, Louisa, Julianne, Bryna, Nancy en Paula — hun namen vormen tevens de titels van de verhalen. Vertrekpunt vormt meestal een hoogte- of dieptepunt in de relationele sfeer. Het levensverhaal van de vrouwen ontrolt zich daarop via de relaties die de hoofdpersoon aangaat en weer afbreekt. Over de kleine Greta Herskovitz, die tegen haar sterke vader opstaat en trouwt met een nietsnut, maar zich op een dag afvraagt hoe die in godsnaam nog van haar kan houden: «Als dat zo was dan kende hij haar niet. Ze stond bol van de ambitie, ze was een geil trolletje, het soort duiveltje dat in de onderste regionen van de hel de vingernagels van woekeraars zit uit te trekken.»
Delia uit het tweede verhaal, is niet minder sterk. Ze ontvlucht met haar drie kinderen haar agressieve man, en begint opnieuw. Wie haar verhaal begint te lezen, wordt zonder omwegen duidelijk gemaakt met wat voor verschijning hij van doen heeft: «Delia Schutt was negenentwintig. Ze had fijn, donkerblond haar en een stevige, zware kont die het opperbest deed in een spijkerbroek. Haar borsten waren zacht, en groot voor haar kleine postuur. Ze had een lichte overbeet en groene knijpoogjes.»
Voor zover haar uiterlijk niet genoeg over haar karakter vertelt, voegt de schrijfster er nog aan toe dat Delia haar sigaretten tussen wijsvinger en duim vasthoudt, ooit in een café een vent in elkaar trimde en op haar 35ste weet dat ze in topvorm is.
Rebecca Miller beschrijft, simpel en droog. Ze heeft niet meer dan een paar rake beelden nodig om haar personages tot leven te wekken. En ze heeft geen grote woorden nodig om hun verhalen te vertellen. Licht scheert ze langs hevige emoties en dramatische gebeurtenissen heen.
Deze bundel, waarvan de eerste helft van de verhalen echt overtuigend is, betreft een debuut. De schrijfster is voorts filmer, en een aantal verhalen is door haar ook als film verteld — «verfilmd» zou vast geen juiste omschrijving zijn: sommige verhalen lezen eerder als de weerslag van een moderne film. Korte scènes worden gecomponeerd tot een compacte geschiedenis. Licht en luchtig verteld laten ze zien hoe terloops eeuwige levensvragen zich in het herkenbare dagelijkse leven manifesteren.
En overigens is Rebecca Miller dochter van de schrijver Arthur Miller. (Sander Pleij)

Jens Christian Grøndahl
Indian Summer
Uit het Deens vertaald door Gerard Cruys (1994)
Uitg. Meulenhoff, 174 blz., € 15,-

Laat ik open kaart spelen: ik heb dit boek niet als boek van de maand genomineerd omdat ik het zo goed vond, integendeel. Maar toen ik begon te lezen, was ik positief bevooroordeeld door de kritiek. In diverse recensies werd de roman van de Deen Grøndahl (1959) heel positief besproken. Het oprakelen van een oude liefde zou subtiel zijn beschreven en geroemd werden de wendbare en diepe zinnen. Hier is zo’n zin: «Had zij me niet vanaf het begin uit de grond van haar gemaltraiteerde hart veracht omdat ik nooit de moed had gehad haar de drek in te duwen, waar de sneeuwklokjes van haar tederheid groeiden, tegen de verdrukking in? Was ik iets anders dan een gevoelige en begaafde maar naïeve jongeman die rimpels had gekregen?»
Aan het woord is een schrijver die na meer dan twintig jaar een vroegere geliefde tegenkomt; ten laatsten male laait het oude vuur, dat al die jaren in hen heeft gesmeuld, in door weemoed getemperde heftigheid op — ja ik kan het ook, als het moet; de titel Indian Summer suggereerde al zoiets.
«Achter mijn rug hadden de jaren elkaar stilletjes verslonden», die zin is niet van mij. «De zwangere Alma op de voetgangersoversteekplaats is zwanger van beelden van zichzelf, die naar binnen toe vluchten naar de illusoire bodem van het perspectief.»
Voorbeelden hoef ik niet te zoeken, je struikelt over zulke zinnen, die op z’n minst één ding illustreren: dat de schrijver geen mededeling kan doen zonder haar quasi-diepzinnig of poëtisch aan te dikken; vandaar de opgepompte zinnen, vandaar de geëxalteerde emoties waarover het gaat. In zoverre is het een perfecte roman, want de manier waarop de herbeleving van oude gevoelens wordt verwoord, is al evenzeer één uitgerekte herhalingsoefening. Natuurlijk «verlustigt» de niet meer zo jonge heer zich aan «lange benen in nauwsluitende, zwarte kousen», bleek de fotografe die hem als debutant op de korrel nam en hém als minnaar uitkoos de «ongekroonde koningin van de stad». Geen cliché blijft de lezer bespaard.
Origineel is dan zijn inzicht: «In de aangeklede pauzes van de liefde was ik een houterige minnaar.» Dat wordt goedgemaakt doordat hij, minder origineel, later in de dochter zijn vroegere geliefde meent te herkennen: «Ik was nog steeds niet bekomen van de gelijkenis tussen hen, maar Becky’s jonge lichaam benadrukte de leeftijd van haar moeder met een wreedheid waar geen van hen erg in leek te hebben.»
Natuurlijk valt hij op de heruitgave van zijn vroegere vlam. Indertijd werd de geliefde Alma van hem afgepikt door zijn vriend, het geniale schilderbeest Gustav. Hoe kon het ook anders, de romantische eenwording van dit mythische paar was onvermijdelijk, de «combinatie van de mondaine schoonheid en de duistere avant-gardekunstenaar». Maar zelfs de geweldenaar zou later voor de allesverterende liefde van de geheimzinnige Alma vluchten, «Alma’s liefde was sterker dan zijzelf», waarna zij bij onze schrijver komt uithuilen. De geniale avant-gardist Gustav heeft hem niet alleen zijn vrouw afgepikt maar ook van zijn literaire ambities afgeholpen, einde «bikkelharde experimenten».
Ooit was de verteller «een moeilijke schrijver», maar hij heeft ingezien dat de kunst voor hém geen noodzaak was. Zijn bestemming lijkt hij te vinden als ideale luisteraar voor gekwelde vrouwenzielen. Hoe verzin je het?
O, ik was vergeten dat het boek ook nog een satirische kijk biedt op het artistieke wereldje van toen en nu, en op het tautologische narcisme van de literaire avant-garde in het bijzonder. Ik vergat zowaar het eigenlijke thema van de roman te noemen, in eigen woorden van de verteller: «Nu was ik allang uitgekwekt met mijn klaagzangen over het pijnlijke gebrek aan symmetrie in de liefde.» Maar ik blijf met de vraag zitten, wat andere recensenten in dit boek hebben gelezen. (Jacq Vogelaar)

Espido Freire
Irlanda en Natalia
Uit het Spaans vertaald door Eugenie Schoolderman
Uitg. Prometheus, 148 blz., € 14,50

Wanneer haar zusje Sagrario na een langdurig ziekbed doodgaat, lijkt de jonge Natalia in een bizarre wereld van schimmen en demonen terecht te komen. Sagrario’s dood is zo dagelijks aanwezig en overheersend, dat haar ouders Natalia in de zomervakantie naar een oom en tante sturen. Deze gaan zelf weg en hun kinderen hebben met een paar vrienden afgesproken het huis op te knappen. Daar ziet Natalia haar neef Roberto terug en zijn vriend Gabriel, op wie zij verliefd wordt, maar raakt zij vooral gefascineerd door haar nicht Irlanda, die alle aandacht naar zich toetrekt en haar jaloezie aanwakkert.
Het verhaal over een meisje dat moeizaam het verlies van haar zusje moet leren verwerken neemt opeens een totaal andere wending. Irlanda blijkt een kwelgeest te zijn, maar doet uiteindelijk niet onder voor Natalia, wier fantasiewereld zo levendig is dat het voor haar de plaats van de werkelijkheid heeft ingenomen.
Irlanda en Natalia is de eerste roman van de jonge Spaanse schrijfster Espido Freire. Deze weet op indringende wijze de intense, vervreemdende ervaring van de adolescentie weer te geven, maar de roman gaat geenszins over het volwassen worden, zoals onterecht op de omslag wordt vermeld. Natalia is juist opgesloten in de adolescentie, en het is de vraag of zij de stap naar volwassenheid zal kunnen zetten. Een gewelddadige, traumatische ervaring die haar nachtmerries bezorgt en bijna in de afgrond doet belanden, zal alleen worden uitgewist als er een herhaling van de gebeurtenis plaatsvindt. Dan pas lijkt Natalia met haar geestverschijningen verder te kunnen leven.
Romans over adolescenten spelen zich vaak af in grote, bouwvallige huizen op het platteland, omringd door geheimzinnige tuinen waar de grillige natuur hun romantische verlangens symboliseert. De ouders zijn vertrokken of onzichtbaar en de jonge mensen kunnen zich overgeven aan hun dagdromen.
In Le Grand Meaulnes van Alain Fournier is de grens tussen droom en werkelijkheid nauwelijks aanwezig, en wordt vooral de poëtische, mistige charme van de adolescentie op nostalgische wijze geïdealiseerd. In De tuin van de Finzi-Contini’s van Georgio Bassani wordt achteraf een voor altijd verdwenen wereld gereconstrueerd dankzij de herinnering aan de joodse broer en zuster die met hun eigenzinnige aantrekkingskracht een onvergetelijke indruk maakten op een verlegen jongen uit Ferrara.
In Espido Freires roman is een aantal van deze bijna traditionele elementen terug te vinden: de in hun eigen wereld levende broer en zuster, de verwaarloosde tuin waar Natalia naar bijzondere planten en kruiden voor haar herbarium zoekt, de mysterieuze zolder en de kisten vol oude kleren, en het alleen zijn zonder volwassenen die de dromen komen verstoren.
Maar het boek vermijdt de romantisering van de adolescentie: het accent wordt hier gelegd op de eenzaamheid, de jaloezie en de wrede verlangens die adolescenten kunnen ervaren. Natalia blijkt, net als het koekoeksjong dat de jonge eksters in de oude laurierboom verdrukt en uit het nest stoot, een gevoelsarm klein monster te zijn dat groter wordt door anderen te doden. (Solange Leibovici)