Vooruitblik

Louteringsberg van Marcel Möring, de biografie van Gerard Reve, de vierde dichtbundel van Paul Bogaert. Naar welke nieuwe boeken zien de critici van Dichters & Denkers uit?

Over de rand van plagiaat

Als we de najaarsaanbiedingen van de diverse uitgeverijen mogen geloven, staan ons de komende maanden weer uitsluitend de meest opwindende, duizelingwekkende, uitzonderlijke en ongelooflijk meeslepende romans, respectievelijk monumentale pageturners van internationaal zeer geliefde meestervertellers te wachten. De Bezige Bij, in alles de grootste, is ook de hardste schreeuwer. Wie in de veeldelige reclamefolder van deze uitgever gewoon een goede roman, een mooie dichtbundel of een interessant essay zoekt, komt bedrogen uit. Materiaal voor een studie naar de inflatie van de superlatief ligt er voor het oprapen. De kwalificaties in de eerste zin van dit stukje dienen de aanprijzing van één boek, het eerste in de afdeling vertaalde literatuur.
In diezelfde folder wordt ook een boek aangekondigd van Hans Magnus Enzensberger, die 11 november tachtig wordt. ‘De Bezige Bij eert hem met een omvangrijke keuze uit zijn allerbeste en allerscherpste essays’, maar vergeet erbij te zeggen dat het hier om een uitgebreide herdruk gaat van een (door mij) samengesteld boek uit 1990. Ook het in de folder afgedrukte omslag is twijfelachtig, om niet te zeggen: op of over de rand van plagiaat. Het lijkt als twee druppels water op de streepjesomslagen van de essayreeks van Cossee, waarin een paar jaar geleden nota bene Enzensbergers ‘psychologie van de zelfmoordterrorist’ De radicale verliezer is verschenen.
Naar nieuw, althans grotendeels onbekend werk van Enzensberger kijk ik het meest nieuwsgierig uit. Suhrkamp kondigt drie uitgaven aan. Allereerst de briefwisseling met Uwe Johnson, de ‘scherpzinnige dialoog tussen twee totaal verschillende naturen’. In de reeks filmedities verschijnt een dvd-box met de belangrijkste filmische getuigenissen ‘van, met en over’ Enzensberger. Ten slotte verzamelt Suhrkamp bijna duizend pagina’s Over literatuur, een nietszeggende maar toch veelbelovende titel, aangezien er na Brecht, Benjamin en Adorno nauwelijks een auteur is te vinden die zo intelligent over de mogelijkheden en beperkingen van literatuur in het tijdperk van haar schaamteloze commercialisering heeft nagedacht als Enzensberger. Het zou me niet verbazen als er onder de niet eerder gepubliceerde stukken ook een is waarin hij op boosaardig ironische wijze de overspannen taal in folders als die van De Bezige Bij fileert.
CYRILLE OFFERMANS

Waar we nog altijd maar weinig van weten

Naar sommige boeken zie je uit omdat je weet dat die er toe doen. Je hebt ze weliswaar nog niet gelezen, maar velen voor jou wél en er wordt nog steeds naar verwezen. Een (nieuwe) vertaling kan dan een goede aanleiding zijn om ze eindelijk eens te gaan lezen.
Dat geldt bijvoorbeeld voor de Historiën van Tacitus, waarvan Vincent Hunink een nieuwe vertaling heeft gemaakt (Athenaeum-Polak & Van Gennep) en Kants Kritiek van het oordeelsvermogen (Boom), waarmee Jabik Veenbaas en Willem Visser hun vertaling van de drie grote ‘kritieken’ voltooien.
Naar nieuwe boeken ben je vooral nieuwsgierig omdat vorig werk van de auteur je beviel of het onderwerp je interesseert. Bladerend in de najaarsprospectussen stuit ik vooral op boeken in de laatste categorie.
Heel benieuwd ben ik naar het boek over de grootste krant van Nederland, omdat pershistorici dikwijls de neiging hebben te schrijven over bladen die ze zelf graag lezen en zodoende de populairste kranten en weekbladen negeren. Mariëtte Wolfs Het geheim van De Telegraaf (Boom) zal op de kaart van het Nederlandse medialandschap een grote witte vlek inkleuren. Ook bij Boom verschijnt van de hand van Robin te Slaa en Edwin Klijn een kloeke studie over de eerste jaren van de NSB, een club waarvan we nog altijd betrekkelijk weinig weten.
Ook nieuwsgierig ben ik naar Arcadiërs van de Republiek van Rob van der Laarse (Bert Bakker), een cultuurgeschiedenis van de Nederlandse aristocratie tussen 1500 en 1800. Omdat de aandacht meestal uitgaat naar de stedelijke elites zal dit duizend pagina’s tellende boek zeker in een leemte voorzien.
Wat betreft de biografieën die gaan verschijnen ben ik het meest benieuwd naar Chopin van Adam Zamoyski (Balans) en Bernhard: De jonge jaren van Annejet van der Zijl (Querido). Twee bestsellerauteurs over wier voorgaande werk ik niet echt heel enthousiast was, maar die nu een onderwerp te pakken hebben dat mij zeker interesseert.
En uiteraard kijk ik met zekere spanning uit naar Erger dan oorlog, een geschiedenis van de genocide, van Daniel Goldhagen (De Bezige Bij). Zijn Hitlers gewillige beulen was eigenlijk een erg slecht boek, maar hij lokte daarmee wel een belangrijk debat uit. Afwachten dus.
ROB HARTMANS

De destructieve wereld van mannen

De witte walvis van het komende boekenseizoen is voor mij de roman Blood’s a Rover van James Ellroy (1948). Het is het laatste deel van zijn Underworld USA-trilogie en ik voorzie een pijnlijk afscheid. ‘America was never innocent. We popped our cherry on the boat over and looked back with no regrets.’ Het zijn de openingszinnen van het eerste deel American Tabloid (1995) en de bijl gaat er meteen in. Waar hebben we het over: de Verenigde Staten, 1958-1963, CIA, FBI en de maffia maken elkaar het hof, machtsmisbruik is nog een modewoord voor liberals. Belangrijke spelers: Howard Hughes, Jimmy Hoffa, J. Edgar Hoover, Fidel Castro, Robert en John F. Kennedy.
Was Ellroy vóór American Tabloid een succesvol auteur van beter dan gemiddelde, donkere crime novels, na die roman had Amerika er een nieuwe literaire uitdager bij. Een die er niet voor schroomde termen als masterpiece en Great American Novel in zijn mond te nemen. Beide begrippen had hij te vroeg geuit. Zijn eerste meesterwerk zou pas de opvolger blijken, het overweldigende The Cold Six Thousand (2001). Ik kocht een duur, gebonden exemplaar bij de Leidse boekhandel Kooyker toen ik nog nauwelijks nieuwe boeken kocht. Het was mijn eerste kennismaking met het proza van Ellroy, maar ik besefte onmiddellijk dat hier iets ingrijpends gebeurde. Ik kwam tot ijzeren inzichten over genadeloosheid en de taal van geweld, over de aantrekkelijke en destructieve wereld van mannen. In The Cold Six Thousand is Kennedy dood en ontbrandt de oorlog in Vietnam. En dan die stijl: seeing is believing. Ik noem Ellroy vaak mijn James Joyce.
Afsluiter Blood’s a Rover zal de periode 1968-1972 bestrijken. Ellroy noemt het boek een ‘ghastly tale of political malfeasance and imperialistic bad juju’. De geschiedenis verandert niets aan de toekomst. Dat begreep ik pas nadat ik Ellroy had gelezen.
GUSTAAF PEEK

Soms gruwelijk, nooit sentimenteel

Dit najaar verschijnt van de Friese dichter Elmar Kuiper een eerste Nederlandstalige bundel. Geen vertalingen, maar in het Nederlands geschreven gedichten. Met zijn beide Friese bundels had hij mij meteen te pakken. Met die heel eigen toon die nuchter klinkt en verrast met hoekige wendingen en prettig absurde regels als ‘de afdeling mens is dicht// een charmant exemplaar heeft de een of andere behoefte’. In Kuipers gedichten kunnen beelden over elkaar heen tuimelen ‘als speelse honden’. Soms waan je je daardoor lezer van een scenario, een script van een film met een intrigerende en ongrijpbare onderstroom. Vaker stapten dichters van hun ‘memmetaal’ over in een andere taal – benieuwd hoe anders Elmar Kuipers Nederlandse gedichten zijn (Hechtzwaluwen, Augustus).
Voor Het gedicht gebeurt nu (De Arbeiderspers) maakte dichter en P.C. Hooftprijswinnaar Eva Gerlach een ‘kieskeurige’ selectie uit eigen werk. Veel indruk maakte destijds haar bundel Dochter met secure en vormvaste gedichten over de breekbare band van een moeder en haar jonge kind: ‘Wereld die ik haar aanpraat, zekerheden/ vaster en talrijker dan ik bezit’. In de dertig jaar dat Eva Gerlach publiceert is zij tot de belangrijkste dichters van Nederland gaan behoren. Een met een volstrekt eigenzinnige poëzie, die een grote nieuwsgierigheid naar menselijke emoties en drijfveren laat zien. Dat leidt tot fascinerende, soms gruwelijke waarnemingen en regels, nooit sentimentele gedichten. Hopelijk is het behalve een kritische ook een ruime selectie geworden.
Tot slot: drie jaar terug overrompelde de Ierse dichter Seamus Heaney een bomvolle grote zaal van de Rotterdamse Schouwburg nog met heldere gedichten als De man van Tollund, waarin een turflijk het woord krijgt over de wereld van nu. Deze herfst verschijnt bij Meulenhoff een nieuwe bundel van Nobelprijswinnaar Heaney: District en Circle, in vertaling van Hanz Mirck.
Janita Monna

Nog lang niet klaar met de zusjes

De vette lokroepen in de aanbiedingsbrochures voor het nieuwe boekenseizoen beloven weer onwaarachtig veel moois van oude bekroonde en nieuwe aanstormende talenten, waaronder Neerlands taalprinses Laurentien: lekkere voorleesboeken, integere tienerdrama’s, sprookjesachtige winterverhalen, ‘eindelijk’ een nieuw kinderboek van de auteur van Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht, gloednieuwe stripgedichten, stapels psychologische jeugdthrillers die ‘leesplezier, spanning en huivering’ garanderen (een nieuw subgenre binnen de jeugdliteratuur) en een ‘grootse’ familiekroniek.
Vanwege het vaak hoge soapgehalte en het te opzichtig etaleren van door neurotische egotrippers veroorzaakt familieleed begin ik niet automatisch van enthousiasme in mijn stoel te stuiteren bij de aankondiging van een familiekroniek. Zeker niet wanneer het een vervolg blijkt en aldus een never-ending-story van een treurig soort doet vermoeden.
Maar een nieuw, hopelijk net zo gelaagd, meeslepend en filmisch verhaal over de onvergetelijke Limburgse zusjes Fing, Muulke en Jes die met hun broers, ‘de Pap’ (type onverbeterlijke optimist) en ‘Oma Mei’ met haar ‘uilenoog’ in 1937 verhuizen van Sittard naar het aan Duitsland grenzende spookhuis ‘van de negen open armen’ aan het einde van de winderige ‘Sjlammbamms Sahara’, zie ik reikhalzend tegemoet.
In 2005 kondigde auteur Benny Lindelauf al aan dat hij nog lang niet klaar was met de zusjes en genoeg materiaal over had voor een afzonderlijk te lezen tweede deel na Negen open armen. Dat is nu onderweg als De hemel van Heivisj en begint aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog: vreemde dingen gebeuren en vermeende geesten verschijnen en verdwijnen.
Zal Lindelaufs nieuweling net zo mysterieus, verrassend en authentiek ‘Limburgs’ zijn als zijn onvolprezen voorloper? Ondanks het inbrengen van de oorlog? Zal Fing, vanuit wier perspectief ook dit verhaal verteld wordt, je wederom meenemen in haar eigenzinnige meisjeswereld? Wat voor rol zullen oude familiegeschiedenissen ditmaal spelen? En wie is Heivisj? Zeker is dat zijn of haar hemel eindelijk een hemel biedt om naar uit te kijken.
MIRJAM NOORDUIJN

Assen, de plek des onheils

Een niet nader te noemen BN’er werd in een of ander tv-programma eens gevraagd te laten zien wat het intelligentste voorwerp was dat ze in huis had – waarop ze prompt naar haar boekenkast liep en met De ontdekking van de hemel aan kwam zetten. Magisch vond ze het, zoveel ideeën, iemands hele herseninhoud tussen twee kaften gevangen.
Misschien tegen beter weten in denk ik dat nog steeds bij elk van de talloze boeken die ieder seizoen door mijn handen gaan: dat hier een magisch totaalboek aan zou komen. Veel totaalboeken – iemands hele hebben en houden op een paar honderd bladzijden – verschijnen er niet in Nederland, dus als er eentje staat aangekondigd is het oppassen geblazen.
Dis van Marcel Möring was zo’n boek, maar nooit kon het me erg interesseren. Synopsis, recensies en vormgeving gaven me het beeld dat dit eerder was gedaan en vooral ook wel eens beter was gedaan – totdat ik de Engelse vertaling in mijn handen had. In a Dark Wood, heette het. Veel beter dan Dis, en veel beter vormgegeven: een sinistere gotische tekening van een donker bos, met een ijzige stroom op de voorgrond.
In het Engels klinkt het onbekender. Opeens klinkt Assen, de plek des onheils, veel duisterder, opeens klinkt het verhaal van een wandelende jood op de dag van de lokale TT veel aanlokkelijker.
Komend seizoen staat het vervolg op Dis – het moet een trilogie worden, à la De goddelijke komedie – aangekondigd: Louteringsberg. Met op het omslag een variant op die prachtige Engelse uitgave. Ga ik met plezier lezen.
JOOST DE VRIES

Meedogenloos eerlijk

Paul Bogaert debuteerde in 1996 met de op z’n Engels uit te spreken titel welcome hygiene. Het was poëzie die we nog niet kenden, lieflijk en pijnlijk, ruw en toch beheerst. Er leek een meedogenloze eerlijkheid vanuit die gedichten te spreken. Dat paradoxale laat zich in z’n meest directe vorm illustreren door een gedicht getiteld dek me toe:

Zeg me dat het tijd is, zeg me dat ik moe
ben, geef niet toe aan verzet,
geef me een washand, de beer die ik ken,
wijs me mijn bed, dek me toe,

ruik naar zeep, vertel mij hoe
prinsessen slapen als bij wonder
en verdwijn maar, ga niet te
ver, stop mij onder, dek me toe,

laat mij alleen, strooi in mijn ogen
geen zand, breng geen lied ten
gehore, verzoen mij niet met de nacht,
doe wat ik doe, dek me toe.

Het lijkt een kinderliedje, maar het verlangen naar ontroostbaarheid dat uit de derde strofe spreekt, zegt iets heel anders. Dek me toe is een van de mooiste hedendaagse gedichten die ik ken. Heel nonchalant verschuift betekenis in het gedicht. Kijk maar naar de komma in de derde regel van de tweede strofe, die na en niet voor het woord ‘maar’ staat. Bogaerts tweede bundel Circulaire systemen (2002) is een wonderlijk concept, waarin allerlei mogelijke lussen omschreven worden: airconditioning, bloedsomloop, cv, draaideuren, roltrap, ventilator, opwinding et cetera. Bij AUB (2006) leek de kaftillustratie van een vragende hand op een titel. Die bundel sluit af met het prachtige lange gedicht Toespraak, dat ook al gaat over het in slaap gebracht worden.
Waarom ik hooggespannen verwachtingen koester van Paul Bogaerts aangekondigde vierde dichtbundel De Slalom soft, moge duidelijk zijn. Bogaert is een dichter die heeft begrepen dat het sinds Kreatief met kurk van Arjan Ederveen en niet langer mogelijk is een beetje in de lucht te staren en wat poëtische taal uit te kramen. Bogaert is een van de weinige dichters die werkelijk beantwoorden aan de tijd.
ERIK LINDNER

Bessenappel en konijntjes

De biografie van Gerard Reve zou je in zes woorden kunnen samenvatten, aldus biograaf Nop Maas: ‘Hij heeft geschreven, gedronken en gemasturbeerd.’ Gelukkig is Maas langer van stof: dit najaar verschijnt bij Van Oorschot het eerste deel van het leven van Reve, De vroege jaren 1923-1962, in 2010 gevolgd door De ‘rampjaren’ 1963-1975 en De late jaren 1975-2006. Een jaar of tien geleden kreeg Maas, die al ettelijke brievenboeken en het verzameld werk van Reve annoteerde, vier koffers vol paperassen toegestuurd. Hij beschouwde die als een impliciete opdracht van de schrijver en zijn Matroos Vos en ging aan het werk. Een voorpublicatie geeft meteen al een onthulling weg: Gerard had in de oorlog een vriendin, Tine Fraterman. Zij vertelt de biograaf dat Gerard op zijn jongenskamers ‘leuke kleine beestjes’ had staan, waaronder ‘een klein konijntje dat zo nu en dan geliefkoosd werd’. Ze herinnert zich ook de viering van zijn negentiende verjaardag, waarop een lichte smet rustte: de ‘z.g. wijn, die ze moeder hadden aangesmeerd. Het was wel lekker maar niets anders dan een zoet vruchtenstroopje en ze was erg verontwaardigd.’ Het konijntje en de ‘bessenappel’ komen de lezer van De avonden natuurlijk bekend voor; Tine kon Reve voor het ‘winterverhaal’ niet gebruiken.
Een biografie die ook nieuwsgierig stemt, al betreft die een minor writer, is die van Ge’ Vaartjes over Top Naeff, Rebel & dame. Naeff was veel meer dan de schrijfster van de tranentrekkende bakvissenroman School-Idyllen. Ze was een eigenzinnige vrouw, bevriend met Couperus, Bordewijk, Heijermans, en schreef invloedrijke toneelkritieken in De Groene Amsterdammer.
XANDRA SCHUTTE

Hard werken

Een groot deel van de najaarsaanbieding bestaat uit romans die pas voor januari 2010 worden aangekondigd. Dat heeft iets omineus: je kunt er bijna vergif op innemen dat ze nog (lang) niet klaar zijn. Nog even wachten dus, maar ik kijk ernaar uit. Naar de nieuwe roman van Sana Valiulina allereerst, Honderd jaar gezelligheid (Prometheus), die tot nog toe drie totaal verschillende, maar stuk voor stuk interessante, romans schreef. Als ik de omschrijving van dit nieuwe werk mag geloven, zou dit wel eens een zwart-geestige satire kunnen zijn op de Hollandse tijdgeest. Ook Jessica Durlacher en Christine Otten komen in januari met een nieuwe roman, respectievelijk De zoon (De Bezige Bij) en In wonderland (Atlas). Beide schrijvers interesseren me, omdat zij – dit klinkt misschien badinerend maar zo bedoel ik het niet – van die harde werkers zijn, en niet ophouden met nadenken over hun métier. Of ze nu een parel afleveren, of iets wat in de buurt komt van een uitglijder, hun werk is altijd spannend. Hetzelfde geldt voor Désanne van Brederode, van wie ook een lijvige roman wordt aangekondigd, Door mijn schuld (Querido, oktober ‘al’). Er is altijd iets weerbarstigs in haar werk, iets wat aantrekt en afstoot. Benieuwd wat ditmaal gaat overheersen.
MARJA PRUIS

Eten en laten eten

Jonathan Safran Foers Extreem luid & ongelooflijk dichtbij (2005) was de eerste roman die van begin tot eind over 9/11 ging. Te vroeg? Onzin, reageerde Foer in The Village Voice: ‘Te veel mensen wantrouwen kunst.’ Foers vader-zoonroman gaat over verlies en over het zoeken naar de resten van wat voorgoed verloren lijkt. Is er, voor een jongen van amper tien, een sleutel die een opening kan bieden voor een gedrag vol nieuw leven? Zijn derde boek, Dieren eten (Ambo, november 2009), gaat over eetgedrag. Je bent wat je eet maar ook wat je laat staan of niet lust. Voordat hij vader werd was Foer vleeseter. Nu, met twee zoons, is hij vegetariër. In Dieren eten benadert hij de mens als vleeseter vanuit de filosofie, de literatuur en de wetenschap. Maar ook treedt hij op als undercoverjournalist. Die genrevermenging belooft veel meer dan het zoveelste moralistisch traktaat over dierenleed en de alles verslindende mens. Het boek belooft een non-conformistische aanpak. Of Foer iets pittigs te melden heeft over dierenbeschermers die mensenbestrijders blijken te zijn? Vast.
Zeer benieuwd ben ik naar Richard Powers’ roman Generosity: An Enhancement (Contact, oktober 2009). Schrijfleraar Russell Stone raakt in de ban van zijn studente Thassadit Amzwar, een vrolijke vluchtelinge uit het verscheurde Algerije. Waarom oogt deze ‘Miss Generosity’ zo monter en opgewekt? Is het alleen hypomanie of zit er nog iets anders achter haar verbazingwekkende gedrag? Wie Powers’ essay over het menselijk genoom heeft gelezen krijgt een vermoeden. Stel dat er een gen voor geluk bestaat, hoe zit het dan met ons temperament? Generosity: An Enhancement gaat niet alleen over schrijven en leven maar ook over biologie en genenmanipulatie. Hoe ver kan en mag de mens gaan in het reguleren van zijn eigen stemmingen? Wie romans van Powers kent weet dat zijn vertelling ver zal uitstijgen boven de discussie over nature en nurture en dat hij in deze roman met een creative writing-setting de verbeelding zal opzetten tegen de dictatuur van welk gen dan ook.
GRAA BOOMSMA