Vooruitgang

‘De neger, waarde lezer, is de embryonale uitdrukking van het gevoel en in zijn grote onbegrip van plicht en waardigheid sluit hij bijna alle beginselen van de menselijke veredelijking uit. (…) Als een neger recalcitrant of onverschillig tegenover u is, prikkel dan zijn hebzucht en u zult iets van hem gedaan krijgen; hoort u hem daarentegen betuigen van toewijding aan uw zaak afleggen en u groothartig verzekeren van zijn steun, laat hem dan vallen, want vast en zeker zult u spoedig door hem worden bedrogen!’

Dat schrijven de Portugese militairen Hermenegildo Capelo en Roberto Ivens in 1886 in het verslag van hun reis dwars door het Afrikaanse continent. Die hadden zij drie jaar eerder niet voor niets ondernomen. Europa was druk bezig het continent onderling te verdelen en beiden waren eropuit gezonden om te bewijzen dat Portugal ook op de binnenlanden aanspraak kon maken. Zo zou er vanuit Angola in het westen een brede Portugese gordel moeten ontstaan naar Mozambique in het oosten. Om hun exploratie met feiten te staven, doen de beide militairen onderweg gerichte observaties: over het landschap, de bodemgesteldheid, planten en dieren en uiteraard ook over de bevolking – en dat is niet opwekkend.

Harrie Lemmens heeft grote delen van het journaal van Capelo en Ivens opgenomen in zijn intrigerende boek De vorst, de soldaat en de reiziger: Vier eeuwen Portugal-Angola (uitg. Atlas). Aan de hand van contemporaine bronnen roept hij daarin de steeds veranderende betrekkingen op tussen de Afrikaanse wingewesten en het Europese moederland. Dat blijkt een duistere geschiedenis vol onbekende tragedies en wapenfeiten. Want welk Nederlands schoolboek vermeldde ooit dat Luanda in de zeventiende eeuw jarenlang onder het bestuur stond van de Republiek? Op instigatie van de West-Indische Compagnie werd de stad veroverd vanuit de Nederlandse koloniën in Brazilië, van waaruit ze ook door de Portugezen weer heroverd werd. De plantages waren er ten dode opgeschreven zonder een regelmatige aanvoer van Afrikaanse slaven.

Zo werd het Angolese avontuur van Portugal in die jaren getekend door twee oorlogen: die met de Nederlanders en die met de formidabele koningin Jinga, die de kolonisator, in wisselende coalities met buurvolkeren en zelfs de ‘Vlamingen’, fel bestreed. In zijn beschrijving van die strijd steunt Lemmens vooral op een zekere António de Oliveira de Cadornega, in wiens memoires de bewondering en afschuw voor deze koningin om voorrang strijden. Zij moet op een natuurlijke wijze ontzagwekkend zijn geweest: trots, meedogenloos en desnoods bereid om haar eigen neefje te vermoorden als daarmee de weg naar de kroon vrijkwam. Ergens halverwege Richard II en Ayaan Hirsi Ali zou zij het voorwerp worden van een uitgebreide mythevorming.

Zo ver is het nooit gekomen met Mvemba Nzinga, die als ‘Dom Afonso’ anderhalve eeuw eerder heerste over het koninkrijk Kongo, toen nog Portugals voornaamste kolonie. Vol waardigheid en goede wil, overtuigd van het katholicisme waartoe hij op jonge leeftijd was bekeerd, richt hij zich in de brieven die Lemmens heeft opgenomen tot zijn ‘broeder’, de Portugese koning, van wie hij er in zijn lange leven niet minder dan vier verslijt. Zo fel en gewiekst als Jinga is, zo tragisch is Afonso. Telkens wordt hij door de Portugezen misleid en gekoeioneerd – maar zijn brieven blijven getuigen van een beheerste hoofsheid, die zich met de beschaafdste Europese omgangsvormen meten kan.

Gaandeweg tekent zich in deze tragische Portugees-Afrikaanse geschiedenis een wrange ontwikkeling af. Want ondanks alle onheusheid dragen de betrekkingen rond 1500 nog een masker van wederzijdse achting dat aan het eind van de negentiende eeuw definitief is afgelegd. Dan heeft vormelijkheid plaats moeten maken voor een no-nonsense die zichzelf uitdrukkelijk als wetenschappelijke rationaliteit naar voren schuift. De verlichte rede van Capelo en Ivens heeft het mensdom inmiddels in biologische rassen weten te onderscheiden en ziet zich tegenover de eigenaardigheden van andere volkeren en levensritmes niet langer geroepen tot enig geduld. Veel meer dan de geloofszekerheid van enkele eeuwen eerder verleent hun wetenschappelijke blik hun het alleenrecht op het onbetwistbare gelijk.

Zo vormt deze Portugees-Afrikaanse tragedie tegelijk de tragikomedie van het Europese denken. Terwijl dat laatste steeds hartgrondiger overtuigd raakte van zijn eigen redelijkheid werd het in dezelfde mate geborneerder. Als dat vooruitgang was, dan kwam zij de taal, de omgangsvormen en de wederzijdse achting niet ten goede. Bij Capelo en Ivens geloof je zelfs je ogen niet meer als zij een enkele keer in hun verslag toegeven: ‘Het type neger van hier is aardig, intelligent en elegant.’