Voorvallen en navallen

K. Schippers, De vermiste kindertekening. Uitgeverij Querido, 152 blz., f34,90
MEESTAL GELDT het als een negatieve kwalificatie als je dat wat je zojuist hebt gelezen niet kunt navertellen. Het ‘waar gaat het in godsnaam over?’ ligt dan in de mond bestorven. Als iets niet valt te parafraseren of te comprimeren is het te overvol, te onbenullig of te onbegrijpelijk, wil de pasklare gedachte.

Welnu, de verhalen en beschouwingen van K. Schippers zijn moeilijk na te vertellen, maar een diskwalificatie is het in zijn geval geenszins. Schippers heerst over het kleine en stille gebied van ijle bewegingen, vluchtige houdingen, gebeurtenissen die vervliegen voordat je ze hebt kunnen opmerken, ‘halfsensaties die vaak alweer zijn weggeglipt voor je ze hebt kunnen betrappen’. Hij richt zijn blik op dat wat door iedereen onbelangrijk wordt gevonden, op dat wat zo vanzelfsprekend, zo alledaags is dat het bijna nooit bewust wordt gezien, op 'de bijgebouwen van de ervaring’. En zijn voorkeur gaat uit naar juist die kunstenaars die oog hebben voor het meest onopgemerkte, het allergewoonste, het vaagste voorval. De lezer van het werk van Schippers moet kortom even geduldig en onbevangen zijn als de waarnemer die hij zelf is.
IN ZIJN NIEUWSTE boek, De vermiste kindertekening, heeft Schippers een twintigtal verhalen en beschouwingen, vooral over beeldend kunstenaars, bijeengebracht. Het opmerkelijke is dat daarbij nauwelijks sprake is van aparte genres: de beschouwingen worden sensitieve verhalen over de zintuigen, met name de blik; de verhalen poetische verhandelingen over zintuiglijkheid.
In het titelessay bijvoorbeeld schrijft Schippers over een schilderij van de zestiende-eeuwse Italiaanse schilder Giovanni Caroto met daarop het portret van een lachende jongen. De jongen laat trots een zwart-wit tekening zien van een onbeholpen krasserig poppetje. Het opmerkelijke is dat de eeuwenoude streperige kindertekening in niets verschilt van de poppetjes die in deze tijd worden getekend. Wij weten dat kindertekeningen kennelijk een eigen, gesloten circuit vormen, zo legt Schippers uit, omdat Caroto iets afbeeldde wat in zijn tijd door iedereen onbelangrijk werd gevonden. Pas door moderne kunstenaars wordt de kindertekening immers als inspirerend genre gezien.
Van de eigen, tijdloze wetten en smaak die uit de kindertekening spreken, gaat Schippers soepel over op een studie van Iona Opic over de ongeschreven regels waaraan het vermaak op de kinderspeelplaats is gebonden. Om zich ten slotte te verplaatsen in het door Caroto geschilderde kind en zich regelrecht aan de fictie over te geven.
In het laatste verhaal van de bundel, 'Geleende roem’, vertelt een ik-figuur over een kunstenaar die de huizen in de stad tot zijn onderwerp heeft gemaakt. Hij spreekt voorbijgangers op straat aan en vraagt ze de huizen waar ze ooit hebben gewoond met viltstift aan te geven op een stadsplattegrond. De plekken uit de biografie van een mens vormen, als ze door lijnen zijn verbonden, een grillig patroon op de kaart. De ik zet, om de kunstenaar te helpen, zijn moeder en haar buurvrouw met viltstift aan het werk. Op een tentoonstelling van de later beroemd geworden kunstenaar meent hij de schetsen van de buurvrouw te herkennen. Waar 'De gemiste kindertekening’ overvloeit in fictie, nadert 'Geleende roem’ de beschouwing over moderne kunst.
VEEL VAN DE beschouwingen in De vermiste kindertekening concentreren zich op wat Schippers 'de vouw van een ogenblik’ noemt, dat wat altijd gebeurt zonder dat het in de herinnering wordt opgeslagen.
In 'Verzwegen bewegingen’ weidt hij uit over de foto’s die de jonge dichter-tekenaar Jean Cocteau maakte van zijn vrienden in Parijs. Uit de dagboeken van de diplomaat Henri-Pierre Roche en Cocteau zelf is goed op te maken wat de vrienden op een bepaald tijdstip deden: lunchen, converseren, grappen maken. De kiekjes van Cocteau laten zien wat eigenlijk de moeite van het vastleggen niet waard is. Hij toont zijn vrienden niet in statige groepsportretten, maar bevriest ze op achteloze momenten: een onderonsje op de rand van een trottoir, het oversteken van een straat op de rug gezien, de weg die een sigaret, geklemd tussen duim en wijsvinger, maakt. Hij laat het allergewoonste zien:
'De door Cocteau betrapte momenten zijn slank en lenig, staan voor het dunste voorval, misschien kan er beter van een naval worden gesproken, iets dat steeds weer gebeurt zonder dat iemand het er ooit over heeft. Het gaat te snel om onderwerp te kunnen worden van een levensbericht, al zijn die microgebeurtenissen nog zo in de meerderheid.’
In 'Tina’, over de Amerikaanse kunstenaar Joseph Cornell, spreekt Schippers over 'la metaphysique d'ephemera’, een term van de Franse dichter Gerard de Nerval, de metafysica van het kortstondige. Cornell struinde dagelijks over straat om materiaal te verzamelen, ging van snuisterijenwinkel naar uitdragerij om op ongebruikelijke voorwerpen te stuiten: schelpen, veren, vlindervleugels, een opgezette papegaai of een babypiano. Die merkwaardige rekwisieten, die hij al improviserend bijeensprokkelde, bracht hij op een gegeven moment onder in kijkdozen die hij aan bewonderde personen wijdde. Het gaat bij Cornell echter niet om het resultaat, de kijkdoos, maar om de weg ernaartoe, om de verhouding die hij tot de voorwerpen heeft. Hij is, schrijft Schippers, op zoek 'naar het ogenblik waarop het voorwerp z'n hardheid verliest, zich ontvouwt en dan iets prijsgeeft dat anders in een strakke plooi verborgen zou zijn gebleven’.
'De vouw van het ogenblik’ wordt niet alleen betrapt in verhandelingen over kunstenaars, Schippers probeert het ook op te roepen in zijn verhalen. In 'Avondkleding’ is een arts aan het woord die het liefst alles wil weten van willekeurige voorbijgangers, van passanten die je normaal gesproken weer vergeet zodra ze uit je blikveld zijn verdwenen. Als arts komt hij, door de huisbezoeken bij patienten, daartoe volop in de gelegenheid.
De patiente die hij in het verhaal opzoekt is een pianiste die als ze ’s middags haar pillendoosje ziet niet meer weet of ze ’s ochtends haar medicijnen wel heeft geslikt. De gebaren waarmee ze het doosje opent zijn zo onopvallend dat ze haar dreigen te ontgaan. Hoe kan een strategie worden bedacht, vraagt de arts zich af, waardoor het onbenullige pillendoosje promoveert tot een onvergetelijk voorwerp: 'Hoe konden vingers bij een doos tot een virtuoze choreografie worden verleid, hoe kon ze die zo bewegen dat er tien, twaalf minuten later nog schaduwen van die gebaren in haar gedachten opdoken?’
SCHIPPERS IS in De vermiste kindertekening niet alleen gefascineerd door 'de wonderen van het kleinste’, maar ook door dat wat onzichtbaar is, dat wat zich uitstrekt tussen je oog en het voorwerp dat je waarneemt: ruimte. In 'De belegering van de ruimte’ schrijft hij over de Deense schilder Vilhelm Hammershoi, die curieuze schilderijen maakt van kamers waar niets speciaals je blik trekt. Je ziet open deuren, kamers die zigzaggend in elkaar overgaan, de schouders en nek en het haar daarboven van een vrouw, de spijlen van een stoel van achteren gezien: 'Het zijn beelden uit het dagelijks variete van de bewegingen waar niemand iets aan heeft. Je ziet ze wel, maar het is de moeite niet waard om er in een gesprek over te reppen.’
In 'Bodem’ noemt Schippers de ruimte tussen de blik en de dingen 'het niemandsland tussen oog en voorwerp’. Je ziet het niet, je slaat die pure ruimte over, en toch is ze de voorwaarde om iets te kunnen zien. Ook hier gaat het weer om dat wat zo vanzelfsprekend is dat je het vergeet.
De verhalen en beschouwingen van Schippers zijn, anders dan hier wordt gesuggereerd, eigenlijk niet na te vertellen. Ze verdampen als je ze tot een paar zinnen terugbrengt. Maar dat Schippers een tedere en nauwgezette kijker is, moge duidelijk zijn. Hij is in De vermiste kindertekening wat hij consequent in zijn hele werk is: de minnaar van het allergewoonste en meest nabije. En of hij nu zijn eigen blik centraal stelt of de blik van de door hem bewonderde kunstenaars geduldig volgt, de blik van de lezer krijgt er ook een tik door, verschuift lichtelijk, neemt de werkelijkheid anders waar.