Waar vind je nog, waar vind je nog een echt… strijdkoor?

Voorwaarts en niet vergeten

Bij de demonstraties tegen kernwapens en apartheid in de jaren zeventig en tachtig waren strijdkoren niet weg te denken. Sommige bestaan nog en zoeken hun weg in het nieuwe actieklimaat: ‘Het gaat niet meer zoals vroeger met een wijzend vingertje.’

1983, Vredenburg, Utrecht. Manifestatie van Komitee Zuidelijk Afrika. Een optreden van James Phillips met Nederlandse koren © Jan Stegeman / Nederlands Instituut voor Zuidelijk Afrika / Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis

Zomaar een maandagavond in de Haagse Barthkapel. Even voor achten druppelen ze binnen: vijftigers, veel zestigers, een enkeling die jonger is. Er wordt op koekjes getrakteerd. Dan roept Pim Brackenhoff de aanwezigen bijeen, die hun mappen te voorschijn halen. Hij begint op de piano en de koorleden zetten Groenland in: ‘De mens heeft alles mooi bedacht/ maar de natuur nooit hoog geacht/ De aarde is ons nou wel zat/ en braakt en zucht en rochelt wat/ dan heb je nog zo’n ecotop/ daar kan geen soap meer tegenop/ Na twee jaar gaan ze verder praten/ holle woorden, lege vaten.’

Dat Nederland een rijk koorleven heeft zal geen nieuws heten – zeker tien procent van de Nederlanders zingt in een koor, een van de hoogste percentages van Europa. Minder bekend is dat er tussen de honderden close-harmony-, pop-, kerk- en Bach-koren ook enkele strijdgroepen bestaan die over maatschappelijke thema’s zingen. Het Haagse Jan en Alleman, momenteel geleid door dirigent Pim Brackenhoff, is een van de oudste, opgericht in 1974. Ooit was dit één groep in een landschap van zo’n zestig koren en zeker vijftienhonderd zangers. Nu zijn er nog een stuk of tien strijdgroepen over, die elkaars werk goed kennen en geregeld materiaal uitwisselen. Groenland is vrij recent geschreven door Frank Edam, de stuwende kracht achter het Alkmaars Straatorkest, een van de andere nog actieve strijdmuziekgroepen. Ook Jan en Allemans Ilse Berens schrijft regelmatig nieuwe teksten, over de maatschappelijke kwesties van vandaag: de klimaatcrisis, de teloorgang van de verzorgingsstaat, de zelfverrijking van banken na de economische crisis.

Deze koren zijn blijven doen waarmee ze al in de jaren zeventig begonnen: de linkse strijd voor gelijke rechten, vrede en internationale solidariteit ondersteunen met strijdbare muziek. Maar nu het activisme een totaal ander gezicht heeft gekregen dan het in de jaren zeventig en tachtig had, moeten de strijdkoren opnieuw hun plek in het maatschappelijke landschap zien te vinden. ‘Het gaat niet meer zoals vroeger met een wijzend vingertje’, zegt Frank Edam, ‘en we staan ook niet meer met de vuist omhoog op de barricade’.

De jeugd lijdt onder een ‘Grote Matheid’. Die twee woorden spoken door het medialandschap in de jaren zeventig, nadat in 1974 Henk Hofland er in het kerstnummer van de Haagse Post zijn tijd mee definieert. Jonge mensen hebben volgens Hofland hun activisme verloren. De jongeren die tussen 1965 en 1971 het politieke landschap hadden opgeschud, in de gedaante van provo, Kabouter, Maagdenhuisbezetter en Vietnamdemonstrant, lijken te zijn opgebrand.

Achteraf gezien is het gemakkelijk praten, maar het blijft toch eigenaardig hoe ver een scherpe politieke analist als Hofland er in dit geval naast blijkt te zitten. Rond 1974 komt er namelijk een groep jonge mensen op – late babyboomers en vroege generatie X’ers, geboren tussen pakweg 1950 en 1960 – die het activisme de jaren daarna tot ongekende hoogte doet opstuwen. Niet de jaren zestig vormen immers het hoogtepunt van massademonstraties in Nederland, maar de jaren zeventig en vroege jaren tachtig, waarin onder meer de vredesbeweging en de milieubeweging honderdduizenden mensen op de been krijgen.

Zingen en yellen horen er voor deze demonstranten altijd bij. De meesten komen niet verder dan het bedenken van wéér een nieuwe tekstvariant op Tararaboemdiee, afgestemd op de kernreactor waar ze nu weer naar afreizen: ‘Eet nooit een appeltaart/ uit de buurt van Dodewaard/ daar krijg je kanker van/ onder je hersenpan.’ Maar het activistische klimaat van deze tijd zet ook een flink aantal twintigers in heel Nederland aan tot de oprichting van allerlei progressieve koren en bandjes. Het hangt in de lucht, de interesse voor strijdbaar Nederlandstalig liedrepertoire: Bots scoort met ‘socialistiese’ popmuziek en folkmuzikanten ontdekken de Nederlandse volksliedtraditie. Tegelijkertijd hebben vooroorlogse en inmiddels sterk vergrijsde arbeiderszangverenigingen als De Stem des Volks en Morgenrood, die al zeker sinds de vroege twintigste eeuw bestaan, in de jaren zeventig hun beste tijd gehad. Oude linkse strijdliederen als De Internationale en Morgenrood worden in die periode soms nog wel gezongen, maar maken weinig meer los.

De klassenstrijd heeft in de loop van de tijd immers een ander gezicht gekregen. Het gaat in het publieke debat bijvoorbeeld minder over schrijnende klassenongelijkheid. De strijdkoren-nieuwe-stijl ontwikkelen een eigen repertoire rond de nieuw-linkse thema’s van hun tijd: over het opkomende feminisme gaat het, over loonproblemen van werkende jongeren, over kraken. Koren en popgroepen worden steeds vanzelfsprekender de muzikale omlijsting op demonstraties. Actievoeren en muziek gaan hand in hand. Soms voeren professionele orkesten de strijd aan – denk aan De Volharding met Louis Andriessen en Willem Breuker – maar deze muziekcultuur wordt toch vooral door amateurs bepaald. Ze treden overal op: in buurthuizen en vormingscentra, op partijbijeenkomsten en politieke festivals. Maar het allerliefst daar waar de actie is: op straat.

Jeugdloon is diefstal
Jeugdloon is winst
En daarom willen wij voor alles wat we doen
Toevallig veel meer, veel meer poen

(Jeugdloon; tekst en muziek Wim van de Meeberg)

Dat de twintigers van Jan en Alleman al een paar jaar na de oprichting op de podia van grote manifestaties komen te staan, is vooral te danken aan Wim van de Meeberg, de vader van huidig koorlid Arno van de Meeberg. Als professioneel muzikant werkt Wim vaak samen met geëngageerde kleinkunstzangers als zijn eigen broer Rob, Frits Lambrechts en Nelly Frijda. Daarnaast dirigeert hij Jan en Alleman tot aan zijn dood in 2000, en is hij verantwoordelijk voor een groot deel van het koorrepertoire. Wim is een fenomeen: op praktisch alle foto’s staat hij – met een haardos die zich niet in de plooi laat dwingen – luidkeels zingend, zittend achter de piano of voortmarcherend met zijn accordeon. Hij heeft niet alleen de muziek, maar ook de politiek met de paplepel ingegoten gekregen, als telg uit een muzikale familie die actief lid is binnen de Communistische Partij van Nederland (cpn). Zodoende beschikt hij over veel culturele en politieke contacten waar het koor van kan profiteren.

In de beginjaren wordt Jan en Alleman via Wim op allerlei cpn-bijeenkomsten uitgenodigd om te komen zingen. Organiseren, dat kunnen de cpn en de communistische krant De Waarheid in die jaren als geen ander. Op Waarheidfestivals en 1 mei-vieringen wordt een spectaculair cultureel programma neergezet; Jan en Alleman staat dan mooi tussen de Vlaamse groep Internationale Nieuwe Scène en het Nationaal Ballet geprogrammeerd. ‘Ik ben wel eens bij de 1 mei-viering van de psp geweest, maar die stelde werkelijk helemaal niets voor’, zegt Ilse Berens. ‘Dat waren drie geitenharensokken en een botaniseertrommel.’

Terwijl de linkse politieke partijen elkaar op dat moment op kleine verschillen bevechten, vinden ze elkaar tegelijkertijd in één begrip: solidariteit. Geen term vat zo goed de linkse hoop en ambities van die periode samen. Niet alleen zijn mensen op links in die jaren solidair met elkáár, ze zetten zich ook gezamenlijk in voor een betere wereld. Solidair zijn ze met de arbeidersklasse, al loopt het aantal koorleden uit die groep snel terug. ‘In het begin hadden we nog verschillende huisvrouwen en een elektricien, maar die verdwenen algauw’, zegt Berens. ‘Daar kwamen mensen voor terug die iets in de publieke sector deden: onderwijzers, verpleegkundigen.’

‘Ik hield in Jan en Alleman wel altijd stijf mijn bek dicht bij de lied­regel “Lenin is ons voorgegaan”’

Solidair zijn de koorleden ook met onderdrukte mensen in het Chili van Pinochet en met de zwarte Zuid-Afrikaanse bevolking onder de apartheid, al bestaat het koor vrijwel volledig uit witte Nederlanders. ‘Eigenlijk zijn alle strijdkoren die ik ken bijna helemaal wit’, zegt Frank Edam van het Alkmaars Straatorkest. ‘We hebben even een Iraanse en een Syrische vluchteling in het koor gehad. Maar de taal stond ze in de weg: onze meeste liedjes zijn in het Nederlands. Ze waren na een jaar of twee wel weer vertrokken, terwijl de meeste andere koorleden gerust vijftien of twintig jaar blijven.’

De koren vormen hechte vriendenclubs. Edam is al sinds midden jaren tachtig actief bij het Straatorkest; Berens en Van de Meeberg behoren tot de eerste lichting van Jan en Alleman, stapten er in de jaren negentig uit, maar keerden later weer terug. Berens: ‘We zien elkaar gewoon graag, er is een enorm sociaal verband.’ Maar naast het groepsgevoel wordt ook de individuele vrijheid hoog aangeslagen. ‘Alles wat naar dogma ruikt, daar willen we met Alkmaars Straatorkest niets mee te maken hebben’, zegt Frank Edam. ‘Vroeger was dat al zo. Voor specifieke acties die door een politieke partij georganiseerd worden, laten we ons wel uitnodigen als we achter de doelstelling staan. Maar zodra iemand ons voor een verkiezingsbijeenkomst uitnodigt, weigeren we dat. We willen ons niet met een partijstandpunt identificeren.’

Zit dat niet anders bij Jan en Alleman, een koor dat vanuit cpn-leden en in overleg met het districtsbestuur van die partij ontstond? Arno van de Meeberg schudt zijn hoofd bij de suggestie. ‘Nee, nee, we zijn nooit een partijkoor geweest, het initiatief kwam écht van ons. We waren gewoon een groep activistische jongeren waarvan er toevallig een aantal actief was bij de cpn. Het koor koos juist de naam Jan en Alleman om te benadrukken dat iedereen welkom was.’ Zo heeft oud-psp’er Ilse Berens dat ook ervaren: ‘Al hield ik wel altijd stijf mijn bek dicht bij de liedregel “Lenin is ons voorgegaan”.’

Voor de strijdkoren is het een zegen dat zich in de vroege jaren tachtig onderwerpen aandienen die op steun van bijna het gehele politieke spectrum kunnen rekenen. In heel West-Europa groeit de opvatting dat er een einde moet komen aan de kernwapenwedloop. Het worden drukke jaren voor de meeste strijdkoren. ‘Toen de Hollanditis toesloeg, hebben we verschrikkelijk veel gezongen’, zegt Van de Meeberg. ‘We hadden gerust twee optredens per weekend, en op 1 mei soms zelfs drie.’

Vooral de vredesdemonstraties in Amsterdam (1981) en Den Haag (1983) weten verschillende ideologische groepen te verenigen. Linkse en christelijke organisaties slaan de handen ineen voor de strijd tegen de kruisraketten; in beide manifestaties lopen pakweg een half miljoen mensen mee. In 1981 legt een fotograaf Jan en Alleman vast wanneer het met de trein vanuit Den Haag op het perron van Amsterdam aankomt. Uit volle borst zingend trekt de groep door het station, Wim van de Meeberg met zijn accordeon voorop. De foto zal nog als spread in een fotoboek over de demonstratie terechtkomen. ‘Die treinreis was een magisch moment’, zeggen Berens en Van de Meeberg. ‘Onze trein was zó vol dat de locomotief het bijna had begeven. Het was ongelooflijk en het stemde ons ook een beetje lacherig: gaan al deze mensen ook naar de demonstratie? Het leek de EO-jongerendag wel, maar dan met allemaal mensen met wie wij het eens waren.’

Het hoogtepunt voor Jan en Alleman volgt twee jaar later. Het is aan Wim van de Meebergs goedgevulde adresboek te danken dat het koor samen met Nelly Frijda en Jules de Corte het Vredeslied mag opnemen in de Vara-studio. Het nummer is speciaal voor de vredesdemonstratie in Den Haag geschreven en wordt aan de vooravond van de bewuste dag als single verkocht. ncrv’s actualiteitenprogramma Hier en Nu komt het koor opzoeken tijdens een repetitie en Jan en Alleman mag komen zingen in het radioprogramma In de Rooie Haan van de Vara. Op 29 oktober 1983 staat het koor vervolgens tegenover een zee van tienduizenden, honderdduizenden mensen.

Berens: ‘We voelden dat hier geschiedenis werd geschreven. En we hadden toegang tot de artiestentent, waar ook mensen als Frans Halsema rondliepen.’ Bram Vermeulen en Herman van Veen treden die dag ook op, en Klein Orkest schrijft speciaal voor deze gelegenheid Over de Muur, dat een jaar later tot een klassieker zal uitgroeien. Een uitgelaten Joop den Uyl zegt tegen de nos-camera’s: ‘Links is vaak natuurlijk verschrikkelijk fanatiek en heftig en ook bedroefd… maar hier zie je toch ook iets heel leuks en bevrijdends.’

Raketten links, raketten rechts
Raketten oost, raketten west
Eén zo’n bom, en niemand rest

Wij vechten tegen de wapens
De wapens van de macht
Wij vechten tegen de waanzin
Doe mee met al je kracht

(Vredeslied; muziek Gilius van Bergeijk, tekst Jules de Corte)

Lijdt de jeugd nu dan toch echt onder een Grote Matheid – en wordt de strijdkoorcultuur daar het slachtoffer van?

Terwijl in de eerste helft van de jaren tachtig de strijd tegen kruisraketten de actievoerders verbindt, gebeurt in de tweede helft iets vergelijkbaars met de strijd tegen de apartheid. Met flashmobs avant la lettre worden dan aandeelhoudersvergaderingen van Shell verstoord. ‘In de jaren tachtig ben ik met Wim en vele anderen van het koor een aantal keren eendagsaandeelhouder van Shell geweest’, zegt Arno van de Meeberg. ‘We wilden dat Shell zich uit Zuid-Afrika terugtrok. Als je aandeelhouder was, mocht je de jaarlijkse aandeelhoudersvergadering bijwonen. Eenmaal binnen gingen onze truien uit en kwamen er Zuid-Afrika-shirtjes te voorschijn. En op een teken begonnen we dan strijdliederen te zingen.’ Berens: ‘Door ons hebben ze de regel aangepast dat één aandeel voldoende was om bij de vergadering te mogen zijn.’

De koorleden gaan ver in hun engagement, maar zien er ook af en toe de lol van in. Frank Edam herinnert zich dat een groep Straatorkestleden vanuit Alkmaar afreisde naar een Shell-aandeelhoudersvergadering. ‘Het was op een zondag in de tijd dat veel pompstations die dag nog dicht waren. Iemand moest nog tanken en wilde dat bij het tankstation om de hoek doen. “Maar die pomp is van Shell!” riep iemand anders uit. Vervolgens lagen we op de grond van het lachen en zijn we gewoon bij Shell gaan tanken.’

1981. Het koor Jan en Alleman arriveert zingend in Amsterdam voor de Vredesdemonstratie, met Wim van de Meeberg op zijn accordeon © Ad Volker / Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis

Sommige momenten lenen zich perfect voor een symbolische interpretatie. De publieke begrafenis van Joop den Uyl op 30 december 1987 is zo’n moment. De Stem des Volks – inmiddels zo’n negentig jaar oud – zingt De Internationale en andere strijdklassiekers en Frits Lambrechts verplettert de aanwezigen met zijn a capella versie van Bertold Brechts klassieker Solidariteitslied: ‘Voorwaarts en niet vergeten/ waaruit onze kracht bestaat/ bij honger en bij eten/ voorwaarts en niet vergeten/ de solidariteit’. Inzicht in de eigen krachten kan links wel gebruiken, want het is op dat moment allerminst duidelijk welke kant het met het socialisme op zou moeten gaan. Wim Kok heeft een jaar eerder het pvda-fractievoorzitterschap van Den Uyl overgenomen. Hij zal niet de vooroorlogse sociaal-democratie à la De Stem des Volks gaan overnemen, noch het nieuwere links van Den Uyl. Maar wat wel?

In de jaren negentig wordt duidelijk dat hij en zijn pvda vooral heil zien in een Derde Weg die in 1994 tot Paars leidt. In 1995 spreekt Kok zijn beruchte woorden uit dat het een bevrijdende ervaring kan zijn om ideologische veren af te schudden, in een lezing die naar Joop den Uyl is vernoemd. Enigszins ironisch is het wel.

Tezelfdertijd moet ook de cpn een grote veer laten. De partij smelt op 24 november 1990 met psp, ppr en evp samen tot GroenLinks. ‘Een aantal cpn’ers bij Jan en Alleman was enorm teleurgesteld over de opheffing van de partij en had er ook moeite mee dat er steeds meer andere mensen binnen het koor kwamen in wie ze zich niet herkenden’, vertelt Ilse Berens. ‘Ze waren hun identiteit al kwijt en dan stroomden ook nog eens allemaal nieuwe leden toe… verre van arbeiders… tweede huizen, dat soort dingen. En dan wel links zingen.’

Waar vind je nog, waar vind je nog een echte socialist?
De een staart in z’n navel en de ander werd boeddhist.
Of heeft tijdens z’n egotrip de aansluiting gemist…
Op socialisten sluit de rijen…

Waar vind je nog, waar vind je nog een echte socialist?
Ik heb nog niks vernomen maar we blijven optimist.
Probeer ’s bij Madame Tussaud, of open eens een kist.
Hallo, hier Hilversum, hier is de VARA…

(Socialist gezocht; muziek Wim van de Meeberg, tekst Ilse Berens)

Ook andere politieke dossiers zien er plots anders uit. Het besluit van december 1987 dat de plaatsing van kruisraketten definitief niet doorgaat en de vrijlating van Nelson Mandela in februari 1990 worden door de strijdkoren een beetje als hun overwinningen gevierd. Maar deze ontwikkelingen stellen de groepen tegelijkertijd voor levensgrote problemen. Waartegen kan nog gestreden worden? Frank Edam noemt de dingen waarover strijdgroepen in de jaren negentig zongen ‘van een zachtere orde’ dan die in de decennia daarvoor. ‘We keerden ons niet langer tegen apartheid of tegen nare dictaturen, maar tegen Schiphol. Ook belangrijk, maar toch iets anders.’ Van de zestig koren die er op het hoogtepunt in 1988 zijn, is na tien jaar nog de helft over. De groepen die blijven bestaan, verleggen hun accenten: ze richten zich in navolging van de geliefde Zuid-Afrikaanse traditie op de wereldmuziek of vinden nieuwe inspiratie in de folkscene.

Ook Jan en Alleman zoekt nieuwe wegen. Het koor heeft zich langzaamaan in een richting ontwikkeld die aan de kleinkunst doet denken, een genre waar Berens uitstekend in thuis is. ‘Een paar klassiekers als Bella ciao blijft het goed doen, maar over het algemeen spreken humoristische en maatschappijkritische liedjes een grotere groep mensen aan.’

Het vinden van de juiste toon is echter lastig geworden. Het belerende moet eraf, het mag wel wat vrolijker allemaal. Maar wat kun je in deze tijd nog zeggen? Dat is een vraag die verschillende strijdkoren bezighoudt. De tijden zijn veranderd, zo bemerkt Frank Edam: ‘Tegenwoordig zou het bij anti-racismeliedjes vaak gaan over de vraag: wat kun je als wit persoon zeggen over zwarte mensen? Het is steeds een kwestie over en vanuit wie je wel en niet kunt zingen. Dat was voor ons in de jaren tachtig helemaal geen vraagstuk. Wij stonden solidair achter niet-witte bevolkingsgroepen, maar vroegen ons niet af of we paternalistisch bezig waren.’ Ook het Eindhovense strijdkoor Lopend Vuurtje lijkt te worstelen met manieren om de huidige thema’s over te brengen. Het koor wil graag een beeldende choreografie bij een lied over slavernij. Op de repetitie heeft een koorlid een riem omgedaan waaraan touwen zijn bevestigd. Ze staat in het midden tussen andere koorleden, die telkens aan de touwen trekken wanneer het woord ‘slavernij’ in het lied voorkomt. Het koorlid in het midden wordt daardoor weerloos heen en weer geslingerd, steeds harder naarmate het lied vordert. Enkele koorleden geven aan niet te durven trekken, uit angst hun medelid pijn te doen. ‘Zoek de lol ervan op om iemand even uit balans te brengen!’ roept de dirigent.

Berens en Van de Meeberg zien een grote versnippering in het huidige actielandschap. Thema’s die de afgelopen jaren sterk aan zichtbaarheid hebben gewonnen, zoals het slavernijverleden, lijken niet de samenbindende kracht te hebben van de onderwerpen uit de jaren tachtig. Dat geldt ook voor het milieu, een thema dat de gemoederen van steeds meer burgers en politici bezighoudt. ‘Dat thema heeft zich niet maatschappelijk samengebald. In de jaren tachtig waren er uiteenlopende politieke kwesties en losse demonstraties, maar overkoepelende organisaties brachten die wel samen. Nu zijn er allemaal losstaande acties vanuit verschillende milieugroepen die zich niet verenigen om één grote manifestatie te organiseren.’

Want ze zijn er in dit decennium wél weer, nieuwe acties: denk aan de Irakdemonstratie aan het begin van deze eeuw, aan Occupy in 2011 en aan het vrij recente protest tegen de handelsverdragen van ttip en ceta in 2016. Toch leiden ze niet tot een terugkeer van de strijdmuziek naar de straat. Sommige koren treden af en toe nog op bij een actie, maar ze organiseren nu vooral hun eigen concerten, voor hun eigen trouwe publiek. Daar is niet uitsluitend de afname van het aantal demonstraties de oorzaak van, volgens Berens. ‘Het publiek is ook veranderd. Als we voor drie man en een paardenkop moeten spelen die niet echt luisteren en ons optreden uitzitten tot we klaar zijn, dan denken we algauw: laat maar. En laten we wel zijn, wij zijn ook grijze senioren aan het worden.’ Van de Meeberg: ‘In gedachten wil ik best wel weer zo jong zijn, maar je merkt toch: die wederzijdse affiniteit is er niet.’

Lijdt de jeugd nu dan toch echt onder een Grote Matheid – en wordt de strijdkoorcultuur daar het slachtoffer van? Frank Edam weet het niet goed, maar is niet pessimistisch over de toekomst van zijn groep. De vernieuwing gaat langzaam, maar elk jaar sluiten er zich wel weer een of enkele nieuwe leden bij het Alkmaars Straatorkest aan. Ilse Berens is somberder over de toekomst. ‘In Nederland gaan mensen voortdurend met een trend mee. Als iets niet meer bon ton is, dan willen mensen er ook niks meer mee te maken hebben. Er is weinig gevoel voor traditie.’ Van de Meeberg heeft nog hoop. ‘Als je de trend die je nu ziet doortrekt, dan denk je: die heropleving van het strijdlied gaat er nooit komen. Maar trends gaan nooit in een rechte lijn.’ Verbergt de protestmuziek zich misschien in een nieuw jasje, bijvoorbeeld in dat van de hiphop? Berens denkt van niet. ‘De hiphop houdt geen contact met groepen in de samenleving die niet van hiphop houden. Het blijft een niche.’

Als we na het gesprek met Berens en Van de Meeberg naar buiten lopen, wijst Berens naar een eind verderop. ‘Daar heeft Jesse Klaver laatst een nieuw huis gekocht. Een oud pand, niet zo milieuvriendelijk. Maar hij laat het wel hélemaal renoveren en klimaatneutraal maken.’ De linkse leiders van vandaag denken de juiste weg gevonden te hebben: in deze dagen zou een beter milieu niet bij solidariteit beginnen, maar bij jezelf.


Carmen Verhoeven is onderzoeksmasterstudent Nederlandse literatuur en cultuur aan de Universiteit Utrecht, Laurens Ham is docent-onderzoeker aan dezelfde universiteit. Hij schrijft een geschiedenis van Nederlandstalige protestliedjes sinds 1966, die in 2020 verschijnt