De zelfanalyse van de PVDA

Voorwaarts, weer vergeten

De laatste twintig jaar moet de PvdA na bijna elke verkiezingscampagne zelfonderzoek doen. Elke keer is het resultaat hetzelfde. De partij bedoelt het goed, maar doet het slecht. De conclusie van de commissie-Vreeman is daarop geen uitzondering. Het is een uiting van een diepe crisis.

Toen pvda-leider Wouter Bos vorige week tijdens een persconferentie in woord de verantwoordelijkheid nam voor de gemaakte fouten die hadden geleid tot de negen zetels verlies van zijn partij in november vorig jaar, begon hij ineens over de hoofden van de journalisten heen het Nederlandse volk toe te spreken. De gratis zendtijd liet hij zich niet ontnemen, de openbaarmaking van het rapport van de commissie-Vreeman werd immers door televisiecamera’s geregistreerd. Na wat oppepjargon sloot Bos af met de woorden: voorwaarts, niet vergeten. Dat klonk wat vreemd uit zijn mond. Van de gebezigde retoriek, bedoeld om de kiezer te paaien, was dit welhaast de meest loze belofte. Want uit het rapport dat de Tilburgse burgemeester Ruud Vreeman en zijn commissie net op tafel hadden gelegd, blijkt nu juist dat de pvda al decennialang steeds weer vergeet als ze voorwaarts wil gaan. Waardoor ze steeds weer dezelfde soort fouten maakt, ook in de bijna vijf jaar dat Bos nu de leiding heeft. Of is het eigenlijk een moedwillig vergeten, om te maskeren dat de partij niet bij machte is daadwerkelijk te vernieuwen en te veranderen?

Kijk eens mee naar het volgende. De commissie-Vreeman die het recente verkiezingsdebacle van de pvda in opdracht van het partijbestuur onderzocht, komt in haar rapport De scherven opgeveegd met tien opdrachten aan de partij. Onder de opdracht ‘Voer permanent campagne’ staat deze oproep: ‘Meer in het algemeen moet de pvda haar basis in de samenleving verbreden.’ Een kleine twintig jaar geleden, toen de partij een mooie overwinning boekte maar buiten het kabinet bleef (de zogeheten ‘overwinningsnederlaag’), waren de zinnen weliswaar langer, maar was de boodschap in essentie dezelfde: ‘Want de partij heeft een geringe en zeker geen georganiseerde machtsbasis in het maatschappelijk leven.’

Voormalig pvda-leider en premier Wim Kok was de voorzitter van de commissie die dit in 1988 in het rapport Bewogen Beweging constateerde en als probleem zag. Voor de goede orde: de pvda had toen 52 kamerzetels, negentien meer dan nu. Grote concurrent anno 2007, de SP, naar wier basis in de samenleving door menig pvda’er jaloers wordt gekeken, was toen nog niet eens in de Tweede Kamer vertegenwoordigd.

Kok en de zijnen riepen destijds ook op wethouders en gedeputeerden gerichter in te zetten voor de partij, Vreeman en co schrijven: ‘Mobiliseer wethouders en raadsleden’. Negentien jaar geleden heette het dat ‘de pvda belang heeft bij een rechtstreekse betrokkenheid van en associatie met kunst en kunstenaars’. Nu schrijft de commissie-Vreeman dat ‘de band met de creatieve elite van intellectuelen en kunstenaars minder innig is dan voorheen’ en roept ze op tot revitalisering.

Destijds vond de commissie onder leiding van Kok dat de pvda voor de kandidatenlijst moest gaan rekruteren buiten de geijkte paden. Thans vindt Vreeman dat weer, maar dan met de kanttekening dat kandidaten uit de zorg en het onderwijs in tegenstelling tot negentien jaar geleden inmiddels ook als verambtelijkte vertegenwoordigers worden gezien.

Toen constateerden Kok en de zijnen dat ‘een partij die praat over veranderingen in de samenleving op zich nog weinig verandert’. Ook nu pleit de commissie-Vreeman voor een ‘krachtiger koppeling’ tussen beginselen en beleid.

De grote vraag is dus waarom het de pvda al jarenlang niet lukt om, in de woorden van de commissie-Vreeman, de interne partijorganisatie en campagnestructuur te verbeteren, zich politiek-ideologisch te herprofileren en de rekrutering en opleiding te moderniseren. Daarop geeft De scherven opgeveegd geen antwoord.

Dat rapport oogt in eerste aanleg weliswaar erg kritisch, maar is eigenlijk niet kritisch genoeg: het blijft halverwege steken. Zo klinkt het hard als Vreeman en de zijnen constateren dat de partij niet één duidelijke lijn of richting kent, dat er een gebrek was aan onderling vertrouwen, dat de boekjes van Bos wegens een tekort aan soortelijk gewicht weinig losmaakten, dat hij te weinig tegengas kreeg, dat kernpunten in het verkiezingsprogramma niet solide in elkaar staken, dat de campagneorganisatie inflexibel was en ga zo maar door. Maar al die constateringen roepen vooral een nieuwe vraag op: waarom was er geen duidelijke lijn, geen onderling vertrouwen, geen boekje met inhoud, geen interne kritiek, geen solide verkiezingsprogramma?

Maar voor een grondiger onderzoek van dat waarom is een blik op het verleden vereist. De partij en haar leider willen echter verder. Vandaar ook dat Vreeman in zijn rapport begint met tien opdrachten aan de partij. Voorwaarts immers.

Dus is er de oproep tot een verdieping en verbreding van de inhoudelijke partijvernieuwing, omdat wordt geconstateerd dat de vernieuwing tot nu toe te veel een papieren exercitie is gebleven en het de top niet lukte de discussie hierover aan te zwengelen. Maar de vraag is waarom dat mislukte. Zonder antwoord daarop lijkt Vreeman op een atletiekcoach die langs de zijlijn schreeuwt dat het harder moet, maar geen idee heeft hoe hij zijn pupil daadwerkelijk harder kan laten lopen.

De commissie-Vreeman roept ook op de richtingenstrijd binnen de partij in alle scherpte te gaan voeren en voegt daar als een bezorgde ouder aan toe dat het niet de ambitie moet zijn daarna één winnaar uit te roepen. Maar het rapport komt niet met een antwoord op de vraag waarom die richtingenstrijd de afgelopen jaren ook al niet in alle hevigheid is gevoerd. Misschien bleef deze wel uit omdát er geknokt dreigde te gaan worden tot er wel één winnaar uit de bus zou komen. Mogelijk hangt die knokpartij juist in de lucht, omdat het samengaan van de vele richtingen binnen de partij door de veranderingen in de samenleving en de opkomst van een partij als de SP veel problematischer is geworden dan voorheen. Dat Vreeman die vele richtingen aanprijst als een bron van kracht lijkt meer een bezweringsformule dan een feitelijke constatering.

Schreef de vorige commissie, die de verkiezingsnederlaag van 2002 onderzocht in een eveneens hardhandig rapport, De kaasstolp aan diggelen, trouwens niet dat de partij juist in een periode van oppositievoeren zo’n richtingenstrijd het best kan voeren? Dan wordt immers niet van fractie en partij gevraagd de bewindslieden niet voor de voeten te lopen met heftige interne debatten. De afgelopen vijf jaar is van die positie volgens Vreeman dus onvoldoende gebruik gemaakt. Maar nu de pvda weer in het kabinet zit, ziet partijleider Bos juist het regeren als een pré om die strijd tot een goed einde te brengen. Omdat de partij volgens hem nu direct kan laten zien wat de concrete daden zijn die daaruit voortvloeien.

Bos wil voorwaarts. Dat is duidelijk en van hem uit bekeken begrijpelijk. Want wat er in het rapport staat, zou hij niet hebben overleefd als de pvda geen regeringsverantwoordelijkheid had gedragen en veel partijleden om die reden menen dat de partij zich geen leiderschapscrisis kan veroorloven. Niet dat met het wegsturen van de partijleider het probleem zou zijn opgelost. Was het maar zo gemakkelijk voor de pvda. Dat is het juist niet, de crisis zit dieper, de partij is al jaren zoekende.

Maar ook Bos heeft de afgelopen vijf jaar de partij niet op een duidelijke koers gebracht. Dat was hij door verkiezingsoverwinningen in 2003 en 2006 en door gunstige opiniepeilingen even vergeten. Waarom? Een hypothese: omdat hij het premierschap belangrijker vond dan alles waar de partij al jarenlang op papier naar streeft.