CRISISVOORSPELLERS

Voorzien maar nog lang niet verholpen

In allerlei media wordt de kredietcrisis verhelderd door economen die de crisis niet zagen aankomen en die geen structurele verklaring geven. Wat zeiden economen die wél tijdig aan de bel trokken?

AAN DE VRIJE VAL waaraan de borreltafelwaarde van het predikaat ‘econoom’ begonnen is, lijkt geen einde te komen. Terecht: niemand kan worden afgerekend op het ontberen van een glazen bol, maar economen houden er in hun werk een foutmarge op na die nergens anders acceptabel zou zijn. Een studie uit 2002 naar het vermogen van economen om recessies te voorzien, concludeerde dat hun falen ‘vrijwel totaal’ was: van de zestig nationale recessies die plaatsvonden in de jaren negentig hadden economen er twee zien aankomen en in beide gevallen hadden zij de ernst van de naderende recessie enorm onderschat. Bij de huidige financiële crisis is het onvermogen even compleet. Net zo onbevredigend is het dat de verklaringen van de huidige crisis het cirkeltje van de financiële markten zelden verlaten: ‘toxische producten’ besmetten de markt, die vervolgens ‘opdroogde’, enzovoort.
Enkele prominente economen zagen de crisis wél aankomen, en voerden ook externe oorzaken aan waarom het mis zou gaan – de sleutel voor het voorkomen van een nieuwe recessie, of in ieder geval het anticiperen daarop. Probleem is alleen dat de verklaringen voor de crisis, en daarmee de remedie tegen de volgende, nogal uiteenlopen.
Volgens de Hongaarse Amerikaan George Soros ligt de oorzaak van de crisis in marktfundamentalisme en leenverslaving, en ligt de oplossing in het verbreiden van zijn inzichten. Niemand heeft er ooit aan getwijfeld dat de ‘Slayer of the Sterling’ een fantastische speculant was, maar Soros wil ook als een Groot Denker worden gezien. Hij publiceerde daarom boeken met economische wijsheden, die echter op weinig waardering van economen konden rekenen. Met voorspellingen van een naderende mondiale economische crisis zat hij er in 1987 en 1998 flink naast. Maar nu rehabiliteert Soros zich: vorig jaar al voorspelde hij een grote recessie voor de Amerikaanse economie en in mei publiceerde hij The New Paradigm for Financial Markets, waarin hij een ‘superluchtbel’ beschreef, die over een spanne van 25 jaar op de financiële markten was ontstaan en die op knappen stond.
Volgens Soros’ theorie bereiken markten niet van nature een evenwichtsprijs door afstemming van vraag en aanbod, zoals de traditionele economische theorie voorschrijft, maar zorgt de menselijke psyche ervoor dat marktschommelingen altijd extreem worden versterkt. Het verbreiden van die wijsheid, en het insnoeren van de markt, zal tegen een herhaling helpen. Maar eerst zal de bel in de Chinese economie nog knappen, stelt Soros, en zal de wereld na een diepe recessie verder gaan zonder een standaardmunt, zoals eerst het pond en daarna de dollar die was, en zal geld duurder zijn voor iedereen: voor banken, landen en consumenten.

Een andere grote naam die al jaren geleden onder waarschuwende artikelen verscheen, was die van de Amerikaanse Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz. De schuld van de crisis: George Bush en zijn ‘war of choice’ in Irak. Bush koppelde die volgens Stiglitz aan een desastreus financieel beleid. In zijn rekensom gaan de kosten van de Irak-oorlog voor de VS oplopen tot drie biljoen dollar – directe kosten, uitgestelde kosten zoals gezondheidszorg, gemiste investeringen en een olieprijs die volgens Stiglitz mede door de Irak-oorlog zo hard steeg.
Om alles te betalen liet de regering-Bush de teugels los in de financiële sector, mocht de Fed (het Amerikaanse stelsel van centrale banken) geld bijna gratis uitlenen en liet Bush de staatsschuld uit de pan rijzen. Een onhoudbare situatie natuurlijk, maar volgens Stiglitz hoopte de regering-Bush simpelweg ‘dat de dag van de waarheid na [de verkiezingen van] november 2008 zou liggen’. Stiglitz kan met genoegen vaststellen dat dát Bush in ieder geval niet is vergund. Maar een quick fix is er volgens Stiglitz niet: de VS, en de wereld, zullen nog lang betalen voor Amerika’s misstappen onder de slechtste president ooit.
Als dit al niet somber klinkt, dan doen de voorspellingen van de man die door The New York Times ‘Dr. Doom’ wordt genoemd dat wel: de van oorsprong Iraans-joodse, in Istanbul geboren, in Tel Aviv en Italië opgegroeide en in de VS gepromoveerde Nouriel Roubini. In 2006 was hij nog relatief onbekend toen hij een groep IMF-economen voorspelde dat in de komende maanden en jaren de huizenmarkt, het consumentenvertrouwen en het financiële systeem zouden instorten en dat door die crisis hedgefondsen zouden omvallen, investeringsbanken failliet zouden gaan en hypotheekbanken Fannie Mae en Freddie Mac bedreigd zouden worden. Oftewel: exact wat er dit jaar gebeurde.
Roubini kwam op een opzienbarende manier tot die conclusie. Hij bestudeerde financiële crises in ontwikkelingslanden en ontdekte dat steeds dezelfde kenmerken vlak voor de val aanwezig waren: een consumptiepatroon dat de werkelijke inkomsten vele malen overtrof, een leenwoede met grote leningen in het buitenland, een graaimentaliteit in de top van het bedrijfsleven en slecht overzicht en roekeloos speculeren in de bankwereld. Het volgende land dat aan die kenmerken voldeed: de Verenigde Staten. ‘De VS gedroegen zich als de grootste emerging market van allemaal’, concludeerde hij.
En die markt gaat inzakken met een wereldwijde recessie tot gevolg, wat overheden en centrale bankiers nu ook doen. De komende jaren zullen werkloosheid en inflatie hoog zijn en de groei laag. In politiek opzicht zullen de gevolgen al even groot zijn: ‘Dit zou wel eens het begin van het einde van het Amerikaanse imperium kunnen zijn’, zei Roubini in augustus tegen de Times. Zijn recept is puur pragmatisch door de crisis laveren en daarna de broekriem aantrekken. Over het Amerikaanse reddingsplan was hij uitgesproken bitter. ‘Het is een schande’, schreef hij op zijn weblog. ‘Een reddingsboei voor roekeloze bankiers en investeerders die kleine leners niets helpt en veel kost. Het is een nieuw voorbeeld van privatiseren van winsten en socialiseren van verliezen.’
Ook fel tegen de reddingspogingen van overheden is de Amerikaan Charles Morris. Hij voorzag de crash vroeg, maar zoekt de oorzaken binnen het systeem. Anderhalf jaar geleden begon hij aan een boek dat dit jaar uitkwam en accuraat The Trillion Dollar Meltdown heette. De schuldige: een ziek Amerikaans financieel systeem dat overconsumptie en excessief lenen in de hand werkt. En als het een persoon moet zijn, dan de aanjager van dat zieke systeem, de gelauwerde voormalige centrale-bank-directeur Alan Greenspan.
Aangemoedigd door zeer lage rentepercentages (oftewel: bijna gratis geld om mee te experimenteren) hebben banken volgens Morris hun kernactiviteit, het maken van transacties voor klanten, ingeruild voor gokken met geleend geld. Iedereen danste rond het vreugdevuur mee: huiseigenaren die hun overwaarde opconsumeerden, hedgefondsen die vele malen hun eigen waarde mochten lenen, pensioenfondsen die spaargeld in het systeem stopten, rating agencies die het risico van een financieel product moeten vaststellen. De enige oplossing volgens Morris is banken kapot laten gaan en op een lager consumptieniveau doorleven.

Het probleem met deze zieners is dat zij allemaal vrij precies het tempo en de vorm van de huidige crisis hebben voorspeld, maar dat ze andere redenen aanvoeren en andere remedies voorschrijven. De steunmaatregelen die verschillende landen nu treffen, beoordelen ze volstrekt verschillend. Roubini stond bijvoorbeeld vierkant achter de opeenvolgende renteverlagingen die de Amerikaanse centrale bank doorvoerde, terwijl daar volgens Morris precies het probleem lag. Stiglitz steunde het Amerikaanse reddingsplan van zevenhonderd miljard dollar, Roubini was er laaiend over.
Nog lastiger wordt het als de analyses erbij worden betrokken van economen die weliswaar het tijdstip en de vorm van de huidige crisis niet precies voorspelden, maar die de afgelopen jaren wel, tegen de stroom in, bleven hameren op de fundamentele zwakte van de Amerikaanse en internationale economie. Een van hen was Walden Bello, een Filippijns kopstuk van de antiglobaliseringsbeweging. Zijn analyse: de wereldeconomie liep als een trein van de Tweede Wereldoorlog tot halverwege de jaren zeventig, omdat het verdiende geld ook daadwerkelijk een investeringsbestemming vond in de VS, het Westen en Japan. Maar vanaf de jaren zeventig groeide de productie, en daarmee het verdiende geld, terwijl er geen zinvolle bestemming meer voor was. Het overvloedige kapitaal brak weliswaar overal ter wereld lokale markten open en de Amerikanen consumeerden zich suf, maar er bleef een geldoverschot. Dat geld hoopte zich vervolgens maar op in opeenvolgende, steeds grotere ‘luchtbellen’ tot de onvermijdelijke klap. En die is nu.
Bello’s analyse staat weer lijnrecht tegenover die van voormalig IMF-econoom Kenneth Rogoff. Die luidt ook al jaren de noodklok over de zwakte van de dollar, Amerika’s leenverslaving en de veel te hoge import. Hij voorspelde eerder dit jaar ook een ‘once-in-a-lifetime economic and financial mess’. Maar voor Rogoff zijn mondialisering en marktwerking geen vieze woorden. Het ‘waren de juiste ideeën in de jaren negentig en het zijn de juiste ideeën nu’, meent hij. Het probleem is voor hem nu juist dat sterke instituties, zoals centrale banken, op correcte marktwerking moeten toezien.
Dat is allemaal weer veel te conventioneel voor de Italiaanse econome Loretta Napoleoni. Zij deed veelgeprezen onderzoek naar de verborgen economie waar terroristen op leunen. Ze ging daarna spectaculair met het idee van een zwarte economie aan de haal. In haar boek De schurkeneconomie, dat deze week in vertaling uitkomt, stelt ze dat de westerse economieën allemaal zwarte economieën zijn, waar schurken het gebrek aan toezicht misbruiken – van drugsdealers tot hedgefondsmanagers. Haar recept: harde straffen voor de witteboordencriminelen, omarmen van oosterse filosofie en invoering van een sharia-economie.
En zo kan de lijst nog wel even doorgaan, van critici van investeringsmodellen tot marxisten. Maar zelfs als het een minderheid zou zijn die niet miskleunt, dan nog blijkt economie een dismal science, met te uiteenlopende analyses en recepten onder de goede voorspellers. De economen van de Chicago-school zitten daar niet meer bij, de vrijemarktideologen die decennialang het hoogste woord voerden over economische zaken. Zij likken hun wonden nu zelfs de Amerikaanse minister van Financiën, een voormalig zakenbankdirecteur in een neoconservatieve regering, zinsneden voortbrengt als: ‘Het rauwe kapitalisme is dood.’