Voorzitter naast god

Een nieuwe hemel op aarde - dat bood Mao de westerse bourgeois intellectuelen. Rijken bestonden er niet meer, iedereen was arm. Prachtig. Romantisch. En het kostte slechts tientallen miljoenen mensenlevens
HET MAOÏSME is voor mij altijd een oosters raadsel geweest. Toch kan men het maoïsme ook zien als een typisch westers verschijnsel. In de eerste plaats berustte het maoïsme in China vooral op een uit het Westen geïmporteerde ideologie, namelijk die van het marxisme-leninisme. Het was de Chinese weg naar het socialisme, ook al was daar geen woord Chinees bij.

Het Maoïsme is voor mij altijd een oosters raadsel geweest. Toch kan men het Maoïsme ook zien als een typisch westers verschijnsel. In de eerste plaats berustte het Maoïsme in China vooral op een uit het Westen geïmporteerde ideologie, namelijk die van het marxisme-leninisme. het was de Chineese weg naar het socialisme, ook al was daar geen woord Chinees bij.
Het maoïsme was echter nog op een heel andere manier een westers verschijnsel. De gedachten van Mao konden in het geïndustrialiseerde Westen op een warm onthaal rekenen. Dat is op het eerste gezicht merkwaardig. In het Westen was er immers weinig belangstelling voor wat er in China gebeurde. De arbeidersbeweging heeft nooit steun ontvangen uit China, ook niet toen het wereldcommunisme in 1965 in twee kampen uiteenviel. Anders dan Moskou heeft Peking geen cent gegeven voor de communistische partijen in Europa en Amerika.
De West-Europese en Amerikaanse arbeiders hadden dus weinig reden om hun ideologische heil te zoeken bij Mao. En de boeren moesten van het Chinese boerensocialisme al helemaal niets hebben. Anders dan de Russen, hadden de Chinezen bovendien geen grote rol gespeeld in de Tweede Wereldoorlog, vandaar dat ook de nazi-slachtoffers weinig redenen hadden om bijzondere betrekkingen te onderhouden met Mao Zedong. Nee, in het Westen waren het nu juist de intellectuelen die in Mao hun grote leider zagen. Ze vormden natuurlijk een kleine groep, maar waren niet de eerste de besten: filosofen als Jean-Paul Sartre en Bernard Henri-Levy in Frankrijk, de filmmaker Joris Ivens en Willem Frederik Wertheim in Nederland, in Duitsland Horst Mahler en een leger van jonge advocaten die met de Rote Armee Fraktion sympathiseerden en die later de Koerdische PKK zouden steunen.
WAT MAAKTE MAO zo'n aantrekkelijke man voor deze kinderen uit de bourgeoisie? Die aantrekkingskracht werd gevormd door een potente mix van idealisme en schuldgevoel. ‘Dien het Volk’ was een leuze die misschien wel in het bijzonder aansloeg bij een generatie van rijke jongeren die nog door een dienstbode waren opgevoed en in een tuin speelden die door de tuinman werd bijgehouden. De rollen moesten maar eens worden omgedraaid. De liberale ideologie van vrijheid en gelijkheid waarmee zij grootgebracht waren, verdroeg zich slecht met de sociale ongelijkheid die zij om zich heen zagen. En zo ging Paul - V&D - Rosenmöller als havenarbeider werken om de arbeiders tot opstand aan te zetten, tegen zijn eigen familie.
Deze psychologische verklaring is op zichzelf onvoldoende. Want het verklaart niet waarom Rosenmöller c.s. nu juist de gedachten van Mao zouden moeten aanhangen. Er waren nog zoveel andere varianten van het socialisme voorhanden, ook voor hen die het Russische socialisme niet accepteerden. Je had het titoïsme, het trotskisme, het radencommunisme, het anarchisme en het democratisch-socialisme.
Wat Mao echter zo bijzonder maakte was de oud-testamentische gedaante die hij had aangenomen. Had hij zijn getrouwen niet in een lange mars vanuit een hopeloze stelling in het achterlijke platteland naar de overwinning geleid, zoals Mozes de joden door de woestijn naar het beloofde land had gebracht? Die lange mars en de overwinning op de Guomindang maakte Mao tot een mythische figuur die met eenvoudige boerenwijsheden ('een dood varken is niet bang voor kokend water’) de zwaar bewapende nationalisten had verslagen. Die overwinning was zo onverwacht en zo bijzonder, daar moest een goddelijke bedoeling aan ten grondslag liggen. Dat vond Mao zelf trouwens ook, al raakte hij er langzaam maar zeker van overtuigd dat hijzelf de goddelijke bedoeling was. Hij zag zichzelf als iemand die noch aan wetten noch aan goddelijk gezag gebonden was. Als er al een opperwezen was, dan mocht Mao hem in ieder geval tutoyeren. Mao bood de geseculariseerde jongelui een Ersatz voor hun oude geloof, waar ze zo onverhoeds afscheid van hadden moeten nemen. De Chinese Revolutie was een soort godsbewijs. Er was een nieuwe hemel op deze aarde, maar deze lag, zoals het een hemel betaamt, heel ver weg. Achter Indië.
Niettemin konden er naar die nieuwe hemel excursies worden georganiseerd. Degenen die daarvan terugkwamen hadden de meest indrukwekkende verhalen. Het was er prachtig! Rijken bestonden er niet meer, iedereen was arm. Een sobere armoede die ook het Utopia van More en New Atlantis van Bacon kenmerkte. Een rechtvaardige soberheid die in schril contrast stond met de exuberante rijkdom, die in het kapitalistische Westen bovendien met ongelijkheid gepaard ging. Die romantiek van de armoede had een geweldige aantrekkingskracht op al die welgestelden voor wie armoede een kenmerk was van een onbekende wereld.
IN AMSTERDAM en Parijs stond een naoorlogse generatie sinologen op wier belangrijkste kwaliteit was dat ze geen Chinees spraken. Ook dat paste in een typisch westerse traditie. Aan het begin van de negentiende eeuw had James Mill een twaalfdelige Geschiedenis van Brits Indië geschreven zonder ooit in India geweest te zijn. Hij achtte dat eerder een voordeel dan een nadeel. Alleen door afstand te bewaren kon hij voorkomen dat hij, net als de oriëntalisten, in de ban zou raken van de Indiase cultuur die de vooruitgang alleen maar tegenhield. India was in zijn ogen nu juist een ideale proeftuin voor het liberale ontwikkelingsmodel omdat men daar 'from scratch’ kon beginnen. Het enige wat men hoefde te doen was de parasitaire kaste van brahmanen te vernietigen en de productieve boeren via een op utilitaire leest geschoeid belastingstelsel vrij baan te geven.
Er is een grote mate van correspondentie tussen het denken van James Mill over India en het denken van Willem Frederik Wertheim over China. Beiden werden gedreven door de innige wens de mensheid vooruit te helpen, beiden zagen radicale hervormingen als de enig mogelijke weg naar een betere maatschappij. In zijn idealistische gedaante heeft het Verlichtingsdenken een grote capaciteit om het bestaande te ontkennen en te vernietigen. De tabula rasa is het startpunt van een economisch ontwikkelingsmodel dat aan het Verlichtingsdenken is ontleend. Vernietiging en wederopbouw liggen daarom in elkaars verlengde. De blinde vlek bij de westerse aanhangers van Mao voor de kosten van die vernietiging is niet alleen maar te verklaren vanuit een blind anti-Amerikanisme, zij paste ook binnen het vooruitgangsdenken in de Verlichtingsfilosofie. Zij die de vooruitgang tegenhielden waren niet alleen in politiek-historische zin tegenstanders, zij waren ook in morele zin verwerpelijk en daarom vijanden. Zij hielden de vooruitgang namelijk tegen om bestaande privileges te beschermen en de bestaande uitbuiting in stand te houden. Met zulke laag-bij-de-grondse mensen kon men moeilijk rekening houden. Die moesten verdelgd worden als coloradokevers. Het feit dat in China het 'oude denken’ werd bestreden door de dragers ervan in heropvoedingskampen op te sluiten, leek de maoïstische intellectueel wel het toppunt van humaniteit. Niet de mensen waren slecht, maar hun denkbeelden. Anders dan de Sovjet-Unie kende de Chinese Volksrepubliek geen Goelag.
Pas veel later zouden die intellectuelen schoorvoetend bekennen dat zij geweldig bij de neus waren genomen. Sterft gij oude vormen en gedachten. Een prachtige leus, maar het aantal slachtoffers dat zo gemaakt is loopt in de tientallen miljoenen. De meeste vielen tussen 1966 en 1969, toen het maoïsme in het Westen triomfen vierde.