Philip Mechanicus

Vorm & fles

Zonlicht stroomde, en geheel niet toevallig parallellogramvormig, de kamer binnen. Iets uit het midden, zo veel mogelijk naar het zuiden, zag je de poes liggen.

De poes sliep en droomde en wapperde licht met zijn tenen. Hij laat zijn besnorde wangen beven en maakt kleine zuiggeluidjes. Ik hield drie vingers boven zijn neus, om zijn droom nog spannender te maken. Ze zijn gedrenkt in de vloeibare resten van gebraden slobeend. Langzaam gebraden slobeend. De prikkel is te sterk. Hij wordt, en is daarna, wakker alsof hij nog nooit van zijn leven geslapen heeft. Voor wat hoorde in die tijd nog wat. We marcheren samen naar de keuken waar de resten slobeend voor het oprapen lagen. Hij doet een moord voor slobeend. Ik iets minder.

De eend is op zijn allerlangzaamst en zo lang mogelijk, warm gehouden in rode wijn en olijfolie, en citroenschil en honing. Halve kaneelstok en een struikje laurier. Regionaal verdwaasd Frans met Midden-Oosters zweem. De eend lag met zijn eendenborst omhoog. In de pan. De deksel een beetje scheef er bovenop, op de laagste vlam.

Zo bleef hij liggen en omdraaien was er voor hem niet bij. Tot hij werd opgevraagd.

Aan tafel spraken wij Frans, in die tijd. Echt Frans, geen vakantiefrans.

Wat er ook op tafel kwam, maakte niet uit, we noemden het la becquetance, la jaffe of le tortore. In ons plattebordenfrans zeiden we claper of grainer waar anderen, minder ontwikkeld, van manger spraken. We hadden het nooit over kauwen maar wel morfaler. Viande kenden we ook niet. Altijd barbaque of bidoche op tafel. Stuk brignollet of brigeton erbij en dan bedoelden we brood.

Wie kaas wilde, vroeg om frometon. Meestal calendo. Was Camembert.

Bij drank lag het ook heel eenvoudig. Je had de keuze tussen betterave, picrate, grosquitache of zonder plichtplegingen jaja. Al bleef het allemaal rode wijn.

De jaja ging ook over die eend. Jaja van een goed jaar. Daar vraagt zo’n langzame eend om.