Vormeloos geboren

Leon de Winter, Zionoco. De Bezige Bij, 383 blz., f35,-
DE DUITSE schrijver Hermann Broch schreef ooit dat filosoferen over kitsch veel weg heeft van jongleren met wolken. Hoeveel er ook over kitsch wordt gesproken en gedacht, het blijft een vaag en ongrijpbaar fenomeen. Terwijl waarachtige kunst voor echtheid, waarheid en de juiste maat staat, vertegenwoordigt kitsch onechtheid, onwaarschijnlijkheid, de leugen, de woekering en elk gebrek aan maat. Kitsch is het verlangen een gevoelsmatig effect op te roepen, maar in plaats van dit daadwerkelijk op te roepen, wordt het veel te expliciet en te plat op papier gelegd. Kitsch, daar zijn zij die erover filosoferen het over eens, is overbodige prikkelversterking en artistiek bedrog. Het zijn, dat is duidelijk, allemaal akelig bedoelde maar tegelijk ijle kwalificaties.

ALS IK ZEG dat Zionoco van Leon de Winter een kitscherig boek is, probeer ik dus een wolk vast te pakken. Toch is het nieuwste boek van De Winter in veel opzichten onmiskenbaar onwaarachtig. De stijl is glad, de personages zijn clichematig en ongeloofwaardig, de verhaallijn bestaat uit een woekering van gebeurtenissen, is overvol en buitengewoon onwaarschijnlijk, de filosofische inzet suggereert slechts diepzinnigheid, de roman zit vol sentimenteel effectbejag. En de auteur zit op een wolk, hij zweeft boven het verhaal alsof het wel en wee van zijn personages hem warm noch koud laat.
Neem alleen al de propvolle en volkomen ongeloofwaardige verhaallijn. De hoofdpersoon Sol Mayer is op vijftienjarige leeftijd met zijn vader van Amsterdam naar New York geemigreerd. Na weinig constructieve jonge jaren - studie mislukt, twaalf baantjes, dertien ongelukken, verkeerde vrienden, afglijden naar de lichte criminaliteit, veel drank en vrijblijvend geneuk - raakt Sol Mayer na de dood van zijn vader bekeerd. Hij treedt in diens voetsporen en wordt rabbijn. De bekering heeft niet zomaar plaatsgevonden, er was een heus wonder voor nodig. Het heet dat zijn vader, Mordechai, kortweg Moos Mayer, na een boottochtje is verdronken in een Surinaamse rivier. Na zijn dood verschijnt hij voor Sol en laat hij zijn meegenomen siddoer achter. ‘Het boek was warm en vochtig van het water. Geurend, tropisch rivierwa- ter.’
Het wonder betekent een cesuur in het leven van Sol. Hij trouwt met de steenrijke joodse Naomi, erfgename van een kapitaal van vierhonderd miljoen dollar, en groeit uit tot een gevierd rabbijn aan de Temple Yaakov, de grote liberale synagoge aan de Fifth Avenue in New York. Hij houdt lezingen door het hele land en schrijft scherpzinnige artikelen in joodse tijdschriften.
Hoe succesvol Sol ook is, in het jaar waarin het boek zich afspeelt, verkeert hij in een crisis, 'een volwassen, ouderwetse, gekmakende, alles aanvretende crisis, een tropische storm die hem als een veertje door de lucht liet tuimelen’. Hij twijfelt aan zijn geloof, zijn huwelijk is sleets geworden en wordt niet meer geconsumeerd, hij is bloedgeil op een langbenig zangeresje ('Hij wilde het schuim van haar koffie zijn’) en er spoken voortdurend 'fantasieen over felle neukpartijen’ door zijn hoofd. Kortom, zijn bestaan wankelt.
Hij heeft ook nog eens een vernietigend commentaar geschreven in het liberaal-joodse blad Shalom, over een orthodoxe jood die om de bruidschatten voor zijn dochters te financieren tot kidnapping is overgegaan. Daarmee heeft hij de woede van de orthodoxen op zijn hals gehaald. Zij demonstreren - zwart gekleed, langbaardig en pijpenkrullig - voor zijn huis en sturen maar liefst zes detectives achter hem aan, die al snel zijn uitbundig seksuele affaire met het zangeresje ontdekken.
Daardoor volgt hij andermaal het spoor van zijn vader. Moos Mayer is vanwege een seksueel schandaal Amsterdam ontvlucht - nadat hij is geboekstaafd als 'de Beffer van Amsterdam’ - en is, zoals gezegd, via New York in Suriname beland. Sol, die bekend raakt als 'de Rukker van Manhattan’, vlucht via Amsterdam ook naar Suriname.
IN SURINAME moet hij, net als zijn vader, de joodse gemeenschap nieuw leven inblazen. Maar de crisis is nog allerminst voorbij. Sol grijpt meer naar de rum dan naar de talmoed en dreigt nog verder in de afgrond te vallen. Hij bezoekt een obiaman, een inheemse medicijnman, die zich tot een soort psychotherapeut ontwikkelt - 'Er zijn patronen in uw leven. U blijft dezelfde fouten maken’ - en hem aanraadt dezelfde tocht over de rivier te maken als zijn vader om zich van diens erfenis te verlossen. Sol stort zich in dezelfde cascade als zijn vader en overleeft wonder boven wonder.
Maar de wonderen gaan nog veel verder. Diep verstrikt in het oerwoud en op sterven na dood, wordt hij gevonden door Indiaanse kannibalen. De pan staat al klaar. Sol probeert in alle talen die hij kent de Indianen te overreden. Pas als hij wanhopig in het Hebreeuws God aanroept, heeft het effect. Het zijn namelijk joodse Indianen en, zoals het opperhoofd zegt, 'wij joden eten elkaar toch niet op?’ Met de beste kruiden wordt Sol door de Indianen genezen, want 'elke jood is zo kostbaar in deze wereld dat we alles wilden doen om je te redden’.
En wat blijkt? Zijn vader is helemaal niet dood. Hij heeft de val in de waterval eveneens overleefd en de Indianen gesticht. Hij heeft de Indianen verlaten om de mythische berg Zionoco te beklimmen. Weer gaat Sol achter zijn vader aan en weer is er sprake van een wonder: op de top van de berg treft hij de blind geworden Moos die op de Messias, de Masjiach, wacht. In zijn zoon denkt hij de Masjiach te herkennen en gelukkig sterft hij nadat hij God op Sol heeft gewezen. 'Hij is een lief kind en ik vraag aan je om een beetje voor hem te zorgen.’ Sol sleept Moos de berg af, bezorgt hem een goede joodse begrafenis, rouwt de voorgeschreven zeven dagen en wordt rabbijn van de Indianen.
OVERBODIGE prikkelversterking en artistiek bedrog, het overvolle, onwaarschijnlijke verhaal - dat ook nog eens gaat over het luie zaad van Sol dat Naomi maar niet wil bevruchten, de geilheid van zijn zwager Tom ('zijn lul was groter dan z'n hersens’), liberaal versus orthodox jodendom, de dood aan kanker van een aandoenlijk jongetje, het bezwangeren van een Surinaamse vrouw en het failliet van Suriname - van Zionoco wijst daar al op. Daarbij worden de personages nooit van vlees en bloed. Sol is een miezerige hypocriet die volop uit talmoed en bijbel citeert, maar zich eigenlijk vooral bekommert om de organisatie van zijn overspel. Het contrast tussen zijn geloof en zijn platvloerse neigingen wordt nergens overtuigend. De andere personages blijven al helemaal van bordkarton.
Natuurlijk heeft De Winter helemaal geen 'oprecht’ boek willen schrijven. In een essay over De Winter dat is opgenomen in zijn laatste bundel Conflictstof stelt Carel Peeters dat het schrijverschap van De Winter sinds Kaplan in het teken staat van extremen, van het goedkope en dure, kitsch en literatuur, het banale en verhevene, het lage en hoge. De Winter soldeert de extremen zo lomp aan elkaar dat het effect plat, sentimenteel en bovenal ongeloofwaardig is. Inderdaad belichamen Sol en Moos uitersten: ze zijn rabbijn en rukker respectievelijk beffer, goedkope oplichters en gelovigen. Helaas leveren die uitersten nergens een interessant conflict op en de overtuiging dat mensen goed en slecht zijn, hooggestemde gedachten hebben en een lul, een verheven en een dierlijke ziel, is niet zo bijster origineel.
De 'leugenachtige’ roman van De Winter gaat ook over de leugen. Sol, zo wordt verteld, heeft zich altijd voorgedaan als iemand die hij niet was. Hij is te sjlemielig om misdadiger te worden, te trouweloos om een waarachtige rabbijn te zijn. 'Hij had zich in een korset geperst dat hem een vorm gaf op plekken waar hij, zo vreesde hij, vormeloos geboren was.’ Als jongeling is hij oplichter, als echtgenoot bedriegt hij zijn vrouw en als twijfelende rabbijn helpt hij slechts 'bij de instandhouding van geinstitutionaliseerd bedrog’. Hij spreekt op zalvende toon over hoop en vertrouwen terwijl hij dat zelf geenszins kan opbrengen.
HOE LEUGENACHTIG de inzet van Zionoco ook is, de lezer, althans deze, wordt ook bedrogen. Want na het lezen van de 383 bladzijden die de roman telt, is het mij te enen male onduidelijk wat De Winter met het boek heeft voorgehad. Heeft hij de tragiek van een crisis en een noodgedwongen Vatersuche willen schilderen? Het boek mist elke tragiek. Heeft hij een satire willen schrijven over hedendaags joods leven? Het boek wordt nergens geestig of bijtend. Of een satire op het joodse samenhorigheidsgevoel - 'Elke jood is zo kostbaar in deze wereld’ - en het naieve geloof in de komst van de Masjiach? Heeft het boek een filosofische bedoeling? De van zijn geloof gevallen Sol ontdekt aan het eind dat het leven niet zonder metafysica kan - 'Als God niet bestond, moest Hij worden uitgevonden.’ Maar dat besef dringt door in zo'n absurd, wonderbaarlijk verhaal dat het nauwelijks serieus genomen kan worden. Nee, ik blijf naar de wolken grijpen. Zionoco is onecht, onwaarschijnlijk en smakeloos - dus kitsch.