Christine D'haen

Vormen uit vormen

In haar autobiografische ‘Kalkmarkt 6: De Stad & Het Begin’ beschrijft Christine D'haen dat zij de Martha en Maria van het gedicht wil zijn, de werkende dienares en de luisterende zieneres.

REEDS BIJ LEVEN het hier en nu ontstegen te zijn, is slechts weinigen gegeven. Zwaar gelovigen en grote dichteressen, daar houdt het ongeveer wel mee op. Beide categorie
ën, die elkaar niet toevallig nogal eens overlappen, berichten in extatische bewoordingen van sferen waarnaar het opstijgen of afdalen voor de niet-ingewijden een bijna onhaalbare kaart lijkt. Sterker nog: de blijvende aantrekkingskracht van de po
ëzie van dichteressen als Hadewych en Anna Bijns schuilt in die evocatie van een vergeestelijkt leven waarvan wij gewone stervelingen slechts glimpen kunnen vatten. Meer anekdotische en retorische dichtkunst, zoals die van dichteressen als Marie Boddaert en Henriette Roland Holst, blijkt een beperktere houdbaarheid te hebben, zij het bij leven een groter publiek.

De hermetische aard van de poëzie van Christine D'haen (1923), die in 1992 de Prijs der Nederlandse Letteren ontving en het jaar daarvoor de Anna Bijns-prijs, maakt de autobiografische notities die ze sinds ongeveer tien jaar met enige regelmaat publiceert des te interessanter. Voegen die notities iets toe aan haar werk, vormen ze een verduidelijking, geven ze een antwoord op de vraag wie Christine D'haen is? Allemaal vragen van een boertige geest, zo blijkt eens te meer na lezing van het enige maanden geleden verschenen Kalkmarkt 6: De Stad & Het Begin.

Goed, enig patroon wordt langzaam maar zeker duidelijk, maar over het geheel genomen wordt het mysterie D'haen er niet kleiner op. Wat ook wel weer geruststellend is, want aan gewone stervelingen was toch al geen gebrek.

Het grootste mysterie is dat van de kiem van haar dichterschap in een milieu dat niets met schone kunsten of geletterdheid van doen had. Het Begin, zoals zij dat noemt. In haar eerste prozawerk, Zwarte sneeuw (1989), schrijft ze daarover: ‘Ik ging op mijn vaders bureau een versje leren dat ik voor mijn moeder op zou zeggen. Door dat rijmend vers kon ik mijn vader en moeder behagen.’

De behaagzucht maakte plaats voor innerlijke noodzaak. In Een paal, een steen (1996) beschrijft ze haar groeiende existentiële eenzaamheid. 'Kafka had een obsessionele relatie met zijn vader, Proust met zijn moeder. Ik bestond alleen te midden van zes mensen,
met Liefde en Gedichten.’ Ze verlangde ernaar, los van alle bindingen, louter tot een ideeënwereld te behoren. 'Ik verliet de voorstad, het huis, mijn ouders en jonge zussen, ik nam mijn koffertje, ik ging naar de hoofdstad en daarna naar een vreemd land.’



DAT KOFFERTJE keert terug in Kalkmarkt 6: De Stad & Het Begin. Maar eerst lezen we hierin over haar idyllische tijd in Amsterdam, aan de Kalkmarkt in de Nieuwmarktbuurt, in het jaar 1947. Ze is overtuigd van het verlangen dichter te worden, maar dan wel een dichter waarvoor studie is vereist.

Ze leeft in een soort woongroep. 'Wie zich vrij kon maken en zin had in wat gezelligheid ging naar de woonkamer, bij elkaar zitten en De Groene Amsterdammer bespreken.’ Those were the days. Voordat ze daadwerkelijk iets op papier zal zetten, overdenkt ze hoe haar bijdrage eruit zal moeten zien en wat voor dichteres ze zal zijn. 'Martha en Maria van het gedicht zou ik zijn, de werkende dienares en de luisterende zienares.’

Het zal haar taak zijn om de voorvaderen in haar werk herboren te laten worden. 'Het gedicht dat ik zou maken kon niet lijken op de andere contemporaine, het kon niet passen in de enge korte tijd van nu; dat nog nooit geziene gedicht zou al het oude in zich bevatten. Het moest het oude ontwikkelen, er de consequenties uit afleiden, erop vari
ëren en ook verbeteren, de fouten herstellen, vormen vormen uit vormen.’

Programmatische woorden die, in het licht van D'haens klassieke oeuvre bezien, geheel bewaarheid zijn geworden.



In Edinburgh, 'De Stad’, het tweede deel van het boek, volgt ze een leerschool in de po
ëzie, samen met andere aspirant-dichters die zich in haar ogen verliezen in een teveel aan adjectieven. Ze dicht in het Engels, het Frans, het Duits. Alles beter dan 'dat arme, klankloze Nederlands’. Het referentiekader van D'haen is van meet af aan opmerkelijk 'groots’: Michelangelo, Hölderlin, Plato, zij bevolken haar universum en vormen de maat der dingen. Helaas vereist het dagelijks leven enige broodwinning. 'Hoe kan ik echter,
die elk moment moet luisteren of mij de Muze bezoekt en iets toefluistert, haar verraden en in de wereld aan de wereld gaan werken?’ Ze behelpt zich met tijdelijke baantjes, in godsnaam geen beroep, totdat het moment daar is. 'Het gedicht kwam.’

Keren we terug naar 'Het Begin’, het derde en laatste deel van dit episodische levensverhaal. Het Begin 'is het koffertje, dat ik beneden breng, en ga vullen met weinig kleren; ik ga vertrekken’. Haar vader staat voor de kachel, zonder woord en zonder verbod. Van het voorstadje van Gent vertrekt ze naar Brussel; materieel houdt ze zich in leven met lesgeven, spiritueel met de dienstbaarheid aan de Muze. Haar overgave is die van de novice,
klaar om de gelofte af te leggen. Ze zal geen wereldse rollen meer op zich nemen en ze zal zonder materiële bezittingen leven. 'Ik ben vrij, maar net de meest onvrije, want altijd in onverbiddelijke dienst.’

Uiterlijk beleeft ze niets, innerlijk alles. Haar levensdagen, 'die korte tijdsspanne’, wil ze besteden aan het verwerven van het hoogste goed op aarde: schoonheid en kennis. Haar critici dienen om haar ervan te vergewissen dat ze er nog lang niet is. Haar verhouding tot de poëzie zou nóg zuiverder moeten zijn. Een echt groot dichter zal ze niet worden, daarvan is ze overtuigd. Het ontbreekt haar naar eigen zeggen onder meer aan het écht mystieke vermogen raadsels te duiden.

Haar inzet is er niet minder om. Als een moderne mystica doemt Christine D'haen op uit sommige passages, vol opofferingsbereidheid aan het hogere streven. 'Als ik een sexueel gevoel krijg, is mijn eerste beweging niet: laat ik het wegdoen, maar wel: een gedicht!’ (Uit: Zwarte sneeuw)



EVENALS DE beide vorige publicaties autobiografisch proza, Zwarte sneeuw en Een paal, een steen, is Kalkmarkt 6: De Stad & Het Begin een onnavolgbare mengvorm van dagelijkse anekdoten en lyrische bespiegelingen. Zo intiem als die zijn, een van bloed doordrenkt matras wordt niet geschuwd, de figuur van de dichteres blijft wezenlijk onkenbaar en onaantastbaar. D'haens proza blijkt evenveel witregels te bevatten als haar poëzie. Van het wegzetten van het geleefde en gedroomde leven in voorvallen en overwegingen is in deze autobiografische notities dan ook geen sprake. Wel van het oproepen van een bezield kunstenaarschap dat zich aan aardse wetten lijkt te onttrekken. Het raadsel van haar gedichten heeft standgehouden.




Christine D'haen, Kalkmarkt 6: De Stad & Het Begin. Uitg. Meulenhoff, 119 blz., ƒ27,90