Vormvaste verkenningen

Er zit voelbaar gebundelde kracht in Marie Kessels’ nieuwe verhalen, gebracht als Ongemakkelijke portretten. Kessels hoort, in schilderstermen, beslist meer bij de expressionisten dan bij de impressionisten. Al offert ze het een niet voor het ander op, want we hebben een binnenkant en een buitenkant. Het is het thema van deze verhalen.

De gevechten tussen binnen en buiten, door Kessels zelf als weinig verheffend getypeerd, worden met triomf en zelfs superioriteit gebracht. Schrijfster redt het wel! Haar wraak, of winst, is het geschreven verslag. De ferme toon camoufleert onhandigheid. Je niet laten kisten is één ding, maar vanzelfsprekend in je vel steken is iets anders. Je hoort het geknarsetand, het spoortje weemoed. De luimen en lagen van de buitenkant, te beginnen met de huid, gaan ten koste van de rust van het gemoed, maar ook dat is niet altijd zo'n lekker dier. Dat is vechtlustig en ronduit hoofs. Zie hoe ijzig onbeweeglijk de slapeloze in het gelijknamige verhaal haar ongemak tegemoettreedt, in tegenstelling tot de gemiddelde ander, die gaat lezen, drinken, woelen. Een prachtig portret. Er zijn vier afdelingen. Dat wekt de suggestie van compleetheid. Een wat onbestemder aantal laat ruimte voor denkbeeldige aanvulling; vier, met tussentitel en al, dat betekent: onderwerp uitputtend behandeld. Dat maakt Kessels niet waar. Als een soort laatste woord voldoet de bundel niet. Er bekruipt de lezer eerder een gevoel van willekeur. De eenheid die er is, het bindmiddel, wordt uiteraard verzorgd door de vormvaste pen, de stijl van de schrijfster. Die loochent zich nergens. Over het falen van vormvastheid gaan deze verhalen. Of het nu puisten betreft of nog algemener zaken als bloed, haren of zweet - in de sectie ‘Puur natuur!’, een tussentitel die wijst op een zekere hilarische inslag - of welk lichamelijk ongemak ook, de droom van een onfeilbaar pantser wordt aangetast. Het staat er met zoveel woorden: 'Nee, voor zo'n hopeloze zwemmer is het meesterschap van de vormvaste soort niet weggelegd.’ Kessels’ schrijfstijl is dicht, veroverd op veel los materiaal. Er is geen moeilijk woord bij maar het soortelijk gewicht is hoog, een residu van intelligentie en gevoeligheid. De schrijfster kan, laten we dit vaststellen, wel degelijk rekenen op haar binnenste, te weten hoofd en hart, waar de buitenkant het wellicht laat afweten. Ik heb het over de 'ik’ die de schrijfster wenst op te voeren: ze beschrijft deze als 'een zenuwpees’. Op haar binnenste dúrft ze ook te varen, getuige een zinnetje als 'Ik laat iedereen maar praten en trek me terug op mijn favoriete plek, in mijn hoofd.’ Geen boek over behaviourism dus. Van bereidheid tot aanpassing is weinig te bespeuren. 'Het is oppassen geblazen met het koor van stemmen dat zo gemakkelijk de gedachten verwoest.’ Kessels is geestig. Zoals die haar tanden laat zien, dat trekt onweerstaanbaar aan. Een mens bungelt heen en weer aan zijn onbegrijpelijke slinger tussen binnen en buiten, kan de twee niet in harmonie brengen. Concentratie helpt, het hoofd scherp houden, anders word je bot. Dixit Kessels.