Kristiaan de Wachter

Vorst voorspeld

Kristiaan de Wachter, De reigerdans

Uitg. Bert Bakker, 96 blz., ƒ31,95

Mooi boekje, goed uitgegeven, hardcover, sfeervolle omslagfoto, de auteur heeft een leuk hoofd, kosten noch moeite gespaard. De prijs is dan ook 31,95 gulden, voor nog geen honderd pagina’s geen onaanzienlijk bedrag. Het is duidelijk dat van de debutant veel wordt verwacht: «Kristiaan de Wachter bezingt de natuur en het lot in schijnbaar alledaagse dingen, de weemoed en het verlangen in quasi-alledaagse mensen.» Helaas, het begin is al meteen mis. Met personificaties van de natuur weet ik mij nooit zo goed raad: de zon heeft bloed gegeven aan al wat groen is, de kikkers in de tuin van de Bonjeans hebben zich verslapen, de zomer heeft zich in het seizoen vergist en ervaren visser Paul Bonjean vraagt zich af wat de vissen wel zullen vinden van de zomer in de lente. Niet veel waarschijnlijk.

Paul Bonjean maakt zich gereed voor de eerste viswedstrijd van het seizoen. Hij heeft zelfs een uur eerder de brouwerij waar hij werkt verlaten om zich mentaal voor te bereiden. Zijn vrouw Lechenne is met de scooter en het pekineesje Kiki op stap, maar de wortelstamppot met boerenworst staat klaar op het fornuis. Lechenne schijnt te lijden aan een mengeling van manisch-depressieve buien vermengd met hysterische aanvallen, maar de laatste tijd gaat het beter: ze is van de pillen en de therapeuten af en wie weet is ze klaar voor de moederrol. Ze geeft zich volledig over aan haar nieuwe hobby: het achterhalen van verre familieleden die zij het liefst bij begrafenissen op het spoor komt.

De tuin blijkt vol te zitten met kikkertjes die Lechennes slaap verstoren en wanneer Paul zijn nieuwe rubberen laarzen uit de garage haalt, merkt hij dat er een kikkertje onder het voorwiel van zijn Nissan terecht is gekomen. Zo plat als een dubbeltje, en dat doet hem aan zijn vader denken die een jaar eerder aan een hartaanval is overleden. Een interessante associatie, die bij hem echter pijnscheuten in de hartstreek veroorzaakt.

Lechenne komt thuis met een mooie zwarte jurk voor de begrafenis waar zij de volgende dag met haar moeder naartoe zal gaan. Terwijl de wortelstamppot lekker op het gas pruttelt, stormt pekinees Kiki binnen met het platgewalste kikkertje in de bek. Een gil en het is weer zover: Lechenne ligt met weggedraaide ogen haast levenloos op de bank, Kiki blaft opgewonden en in de keuken ligt de boerenworst luidruchtig te sudderen.

Ruzie. Paul wil de volgende dag gaan vissen, Lechenne wil dat hij haar en haar moeder naar de begrafenis in Brugge brengt. Maar het komt weer goed en Paul kan zoals gewoonlijk na het eten lekker op de wc gaan zitten met de krant die Lechenne hem vergevingsgezind komt brengen. «Gaat het wel, schat? Je ziet een beetje witjes.» «Ja, ja. Even drukken en het voelt weer stukken beter.» Door mijn hoofd flitsen beelden van Oboema en José, die weten ook altijd na de meest gewelddadige scheldpartijen weer tot elkaar te komen.

Toch gaat het niet best met Lechenne, die tot afschuw van Paul weer een pil neemt. Van woede denkt hij zijn eerste hartstilstand te krijgen, want hij verafschuwt psychiaters met hun gekleurde pilletjes. Verstijfd van de pijn gaat hij naast zijn vrouw op bed liggen. ’s Nachts kwaken de kikkers oorverdovend als een misplaatst tragisch koor en Paul besluit dat er een einde aan het lawaai moet komen. Dóód moeten ze! En dan gebeurt er iets dat zo afschuwelijk is, zo angstaanjagend, zo verschrikkelijk, dat ik het niet kan vertellen. Het is zeker niet alledaags, laat staan quasi-alledaags. Laat ik alleen verklappen dat Paul Bonjean ’s morgens fris uitgeslapen de boterhammen met zelfgemaakte eiersalade verorbert die Lechenne voor hem had klaargezet. Hij warmt een potje babyvoeding op voor Kiki en gaat nog even zijn visspullen na. De zon schijnt, de buurvrouw groet hem vriendelijk. Er was vorst voorspeld, maar dat zal er wel niet voor de volgende dag zijn.

Is dit hartverscheurende drama een allegorie van het huwelijk, een postmodern sprookje over de oorlog tussen de seksen? Staat de onverschillige Paul, die zijn vrouw vooral liefheeft om haar seksuele aantrekkingskracht, model voor de man, die zijn gang wil gaan en niet veel meer van het leven verlangt dan vissen en rustig kunnen kakken terwijl hij de krant leest? Is de liefdevolle, sexy maar hysterische Lechenne de vrouw? Is dit boek een doorleefde kritiek op het falen van de psychotherapie? Of gaat het om een parodie die aan de ironie voorbijgaat, en kunnen we via de boterhammen intertekstuele parallellen trekken met Godfried Bomans’ meesterwerk Pa Pinkelman en Tante Pollewop? Verwijzen de kikkers misschien naar een vergeten fabel uit de Oudheid? Waar is de weemoed, waar wordt naar verlangd? Wat wil Kiki? En vooral, wie is de geheimzinnige reiger uit de titel van het verhaal?