Voskuil of dupuis

EERLIJK IS EERLIJK. Niet iedereen houdt zich afzijdig. Kader Abdolah schrijft in zijn columns in de Volkskrant regelmatig over vluchtelingen. En in de aanloop van de verkiezingen componeerde hij een vlammend protest tegen Bolkestein. De schrijfster Lydia Rood heeft onlangs uit solidariteit met de hongerstakers in de Agneskerk de laatste vier dagen meegestaakt. Maar idealisten als Abdolah en Rood spelen in het politieke debat amper een rol. Ze worden met gemak overschreeuwd door types als Heleen Dupuis. Met haar pleidooi om de grenzen tijdelijk te sluiten tot de boel weer op orde was, wist de ethica en aanstaande liberale senator voor de VVD beroering te wekken. Abdolah en Rood wekken eerder meewarigheid. Om gehoord te worden lijkt het noodzakelijk om onbetamelijke dingen te zeggen over vluchtelingen of migranten. Dat getuigt immers van lef. Het betekent dat iemand de durf heeft om impopulaire maatregelen te bepleiten en het onzegbare te zeggen.

Mensen die zich verzetten tegen impopulaire maatregelen laden daarentegen snel de verdenking op zich dat ze laf zijn of, nog erger, politiek correct. Het engagement van Sartre en andere linkse intellectuelen kwam later in een kwaad daglicht te staan omdat ze vuile handen hadden: ze bleken gretig bereid de zonden van de communisten met de mantel der liefde te bedekken. Hedendaagse idealisten wordt het tegenovergestelde verweten: ze durven geen vuile handen te maken. Ze steken hun kop liever in het zand voor de pijnlijke waarheid en vermijden noodzakelijke maatregelen. Het dragen van het hart op de juiste plaats vormt geen garantie voor het vinden van de juiste toon in het debat. Over de vraag wat de juiste manier is om te interveniëren in het publieke debat over asielzaken en wat de kracht en beperkingen zijn van schrijvers en intellectuelen werd door Vluchtelingenwerk en De Balie op 5 februari een debat gehouden tussen de schrijvers Kader Abdolah, Lydia Rood, Anil Ramdas en de jurist Thomas Spijkerboer. ABDOLAH EN ROOD zijn letterlijk het meest uitgesproken. Ze malen er niet om dat hun acties en geschriften worden afgedaan als politiek correct. Beiden zeggen ook dat hun engagement niet een kwestie is van een keuze, maar van een innerlijke dwang. Ze zouden hun zelfrespect verliezen als ze zich niet zouden uitspreken. Rood: ‘Ik begrijp niet hoe schrijvers kunnen schrijven alsof de rest van de wereld niet bestaat. Ze sluiten zich op in hun eigen binnenwereld. Ik heb de gekste verwijten gekregen. Dat ik wilde afvallen voor Kerstmis. Dan zie ik in de ogen van degene die dat zegt dat die verwijten voortkomen uit schuldgevoel, verkapt schuldgevoel, omdat ze zelf niets doen.’ Rood en Abdolah pretenderen niet dat ze de oplossing hebben. Ze willen slechts een gezicht geven aan mensen die in de beleidsdiscussie een abstractie zijn of als voer van statistieken opdraven. Abdolah heeft meesterlijke columns geschreven over de absurditeiten van het beleid, over een inburgeringslerares die haar leerlingen op het hart drukt toch vooral bij de Aldi en niet bij Albert Heijn boodschappen te doen. Lydia Rood probeert hetzelfde te doen door de verhalen op te tekenen van de hongerstakers in de Agneskerk. Rood zegt dat het werkt. Zelfs taxichauffeurs en naar Koffietijd kijkende dames zijn volgens haar niet immuun voor de schrijnende verhalen van haar medehongerstakers. Anil Ramdas heeft zo zijn twijfels. 'Ik geloof heilig in sentimentele verhalen. Zo is de wereld veranderd. Harriet Beecher Stowe, Charles Dickens. Het moeilijke punt is dat die sentimentele verhalen het meest effectief zijn als ze uit onverwachte hoek komen. Als ik ze schrijf, denkt iedereen: daar heb je die braverik weer. Maar stel dat ze van Hofland komen, of van Mulisch of Maarten Huygen. Ons probleem is dat we voorspelbaar zijn van hier tot gort.’ Ramdas sluit aan bij Richard Rorty. De Amerikaanse filosoof heeft geschreven dat De negerhut van Oom Tom van Harriet Beecher Stowe meer heeft bijgedragen aan de emancipatie van de zwarten in Amerika dan de universele verklaring van de rechten van de mens. Door De negerhut konden witte Amerikanen zich identificeren met de zwarte slaven. Pas na deze identificatie kunnen mensenrechten geldingskracht krijgen. Daarvóór werden zwarten beschouwd als een ander soort mensen. HET IS NIET dat politici niet naar schrijvers en intellectuelen willen luisteren. Kok vroeg, toen enkele maanden geleden de opvang van asielzoekers vastliep, juist expliciet om hulp. Wie een betere oplossing had moest het maar zeggen. Kok en Cohen zouden luisteren. Ze stelden maar één voorwaarde: wie meepraat moet de problemen van het kabinet serieus nemen. De critici moeten oplossingen bedenken voor de vastgelopen opvang van asielzoekers en erkennen dat we de grenzen niet open kunnen zetten. En daarin schuilt de crux. Want wat valt er dan nog voor kritiek te geven op restrictieve maatregelen? Rood en Abdolah willen geen oplossingen bieden. Ze willen aanklagen en discussie uitlokken. Het gevaar van dit onbereflecteerde idealisme is dat het averechtse effecten heeft. Volgens Thomas Spijkerboer was Kader Abdolah, toen hij in de aanloop naar de verkiezingen in debat ging met Bolkestein, voor de liberaal de gedroomde tegenstander. Hoe meer Abdolah een emotioneel, moreel appèl formuleerde en alle asielzoekers vrijheidsstrijders noemde, hoe makkelijker Bolkestein zich kon voordoen als de pragmaticus. Abdolah: 'Als Bolkestein iets zei, moest ik reageren. Maar dan probeer ik dat op een literaire manier te doen. Niet op een politieke. Ik wil een beetje toveren.’ Met zijn opstelling versterkte Abdolah de tegenstelling tussen wat noodzakelijk is en wat wenselijk, tussen de realist Bolkestein en de idealist Abdolah. Het morele appèl wordt zó krachtig geformuleerd dat het onmogelijk ingelost kan worden. De probleemoplossers krijgen zo ironisch genoeg de vrije hand. Ze kunnen de morele kritiek makkelijk als onrealistisch terzijde schuiven, zoals ook Kosto vorig najaar deed in een interview in Vrij Nederland: 'Het asielprobleem is in wezen onoplosbaar. Al die mensen die menen het zo goed te weten, moeten zelf eens een weekje op de stoel van de staatssecretaris gaan zitten. Dan zouden ze hun kritiek wel temperen.’ Abdolah en Rood denken dat het aanzetten tot meer discussie altijd beter is. Maar als het debat gevoerd blijft worden in de oude termen levert zo'n inspanning niets op. Volgens Spijkerboer is het dan vooral een egotrip: 'Als een wethouder Hekking schuift de geëngageerde voor zijn onderwerp. Zichzelf belangrijker vindend dan het onderwerp.’ Het begrip wordt zo niet groter, maar kleiner. NIEMAND BETWIJFELT dat er vluchtelingen zijn met schrijnende verhalen. De tijd waarin de gevestigden zich niet konden verplaatsen in de marginalen is voorbij. We kunnen ons in principe met iedereen identificeren, maar niet met iedereen tegelijkertijd. Het probleem is alleen dat het debat daar niet over gaat. Het gaat vooral over de beperkte mogelijkheden van Nederland om de vluchtelingen op te nemen. In deze constellatie verandert elk meeslepend verhaal van een individuele vluchteling gemakkelijk in een onderstreping van het restrictieve beleid: 'We moeten streng zijn om te zorgen dat er ook op termijn plaats is voor de “echte” vluchteling.’ In plaats van meeslepende verhalen te vertellen over asielzoekers ziet de idealist zich gedwongen om de noodzaak van het stellen van grenzen te bagatelliseren of om te schmieren over de waardevolle kanten van de komst van de asielzoekers. De tragiek van het vluchtelingendebat is dat het steeds minder over vluchtelingen gaat. Bij de eerste ronde van morele paniek over de stroom vluchtelingen die ons land zou overspoelen, ten tijde van de oorlog in Joegoslavië, ging het nog om de spanning tussen de legitieme motieven van vluchtelingen om hun heil elders te zoeken en de beperkte mogelijkheden van Nederland en andere West-Europese landen om hen op te vangen. Daarna werden de motieven van de vluchtelingen in twijfel getrokken. Onder aanvoering van Elsevier en de VVD gaat het debat nu echter alleen nog maar over de vraag of Nederland niet het braafste jongetje uit de Europese klas is. Het onrecht geldt nu niet meer de vluchtelingen, maar Nederland, dat een onevenredig deel van de 'vluchtelingenlast’ moet dragen. In dit debat is geen plaats meer voor verhalen van individuele vluchtelingen. De door Rorty bepleite strategie van de sentimentele verhalen is hier misplaatst, omdat er niet zozeer sprake is van onverschilligheid alswel van onmacht. Anil Ramdas bepleit daarom een andere strategie. Hij wil de dilemma’s der politici serieus nemen. Nederlandse schrijvers en intellectuelen deinzen daarvoor terug. Dus is sinds de verharding van het asieldebat onder leiding van Kosto links sprakeloos. Ramdas: 'Er waren geen schrijvers en denkers die met Kosto konden sparren, jongleren. Dat spel is het talent van de schrijver. Je moet je inleven in de meest idiote situatie en er dan mee vandoor gaan. Geen oplossingen aangeven, maar het speelterrein vergroten.’ Hij wil zich identificeren met mensen die vinden dat Nederland vol is om dan te doordenken wat dat betekent voor de verantwoordelijkheid van Nederland voor de rest van de wereld. Schrijvers en intellectuelen hebben in het verleden niet alleen het debat beïnvloed door mensen in de marge een stem te geven, maar ook door nieuwe termen te munten voor het debat. Zo is op dit moment het uitgangspunt voor het beleid dat Nederland onaantrekkelijk moet worden gemaakt. Dat veronderstelt dat vluchtelingen graag in Nederland willen zijn. Dat is natuurlijk een jammerlijk misverstand. Vluchtelingen willen niet hier zijn, maar juist ergens anders wég zijn. Het is daarom beter om de Nederlandse verantwoordelijkheid voor mensenrechten te erkennen en toch alternatieven te bieden voor de komst naar Nederland. Waarom is het niet mogelijk om een Iraanse arts met steun van Nederland te laten werken in Suriname? DE STRATEGIE OM met de beleidsmakers in gesprek te blijven is echter niet zonder risico. Permanent dreigt het gevaar om in de veronderstellingen van de beleidsmakers mee te gaan. In zijn column van maandag 8 februari betuigt Kader Abdolah steun aan Heleen Dupuis. Hij wil niet dat Nederland met een weifelachtig beleid vluchtelingen lokt om ze dan in eindeloze procedures te laten wegkwijnen. Uit naam van hun psychisch welzijn is hij bereid om met Dupuis mee te gaan en de grens tijdelijk te sluiten. Hij probeert zo het debat weer te laten gaan waar het volgens hem over moet gaan, namelijk het welzijn van de vluchtelingen. Het gevaar is echter groot dat zijn verhaal wordt misverstaan: 'Kijk, zelfs Abdolah vindt dat de grens is bereikt.’ Zo ver hoeft het inlevingsvermogen ook weer niet te gaan, vindt Ramdas. Niet de inhoud van Dupuis’ standpunt moet worden overgenomen, maar haar redeneerstijl. Haar voorstel is natuurlijk onzinnig en onrealistisch, maar het wordt gehoord omdat het simpele oplossingen belooft. In feite is Dupuis veel idealistischer dan haar linkse evenknieën. Het is een klassieke vorm van hoogmoed om te denken dat Nederland de wereldbrand kan beheersen en alle mensen op drift buiten de poort kan houden. Abdolahs bijval voor Dupuis illustreert waarom het op het terrein van de asielzoekers nog moeilijker is om betrokken te zijn dan op andere terreinen. In de discussie is de groep waarover wordt gesproken in principe onbegrensd. Abdolah probeert dit te doorbreken door zich op te werpen als spreekbuis van de in Nederland verblijvende asielzoekers. 'Maar’, zo zegt Spijkerboer, 'begrijp je dan niet dat we dan de grens sluiten voor de broers en zusters van de mensen die nu in Nederland asiel hebben aangevraagd?’ Abdolah verwijt Spijkerboer en Ramdas dat ze hem bang willen maken. Misschien heeft hij niet de juiste toon gevonden, maar liever dat dan dat hij niets had gedaan. En daarmee formuleert hij prangend het probleem van engagement. Schrijvers en intellectuelen zijn bedreven in het meeslepende verhaal en het grote gebaar. Maar daarvoor is in het debat over vluchtelingenzaken geen plaats. Daar geldt bij uitstek 'the art of muddling through’. Als schrijvers en intellectuelen geen roepende in de woestijn willen zijn, waarbij het gelijk van hun hartekreet belangrijker is dan het resultaat, rest hen niets anders dan mee te wikken, mee te wegen. Niet in de taal van de beleidsmakers, maar in een nieuwe taal. Een taal die waarschijnlijk niet de poëtische kracht heeft van Abdolah, noch de utopische kracht heeft van de ideeën van Ramdas, maar die hopelijk politici in staat stelt om op een iets beschaafder manier door te modderen.