Voyeur van vingerspel

Tekst op de achterflap: ‘Een man wordt wakker naast een jonge vrouw die sprekend lijkt op zijn jeugdliefde. Een nachtmerrie begint.’ Zo kun je deze roman inderdaad samenvatten, maar dan sla je wel de eerste 170 bladzijden over waarin nog geen sprake is van een nachtmerrie, laat staan van een jonge vrouw die sprekend op een jeugdliefde lijkt. Sterker nog, die eerste bladzijden verhalen van een ouderwetse, mooie jeugdliefde. Hoe die ontstond en bloeide en met een klap tot een einde kwam. En wat daarna gebeurde.

De clichés loeren bij dit thema uiteraard vanaf alle straathoeken. Kun je hier als inventief romanschrijver nog iets van bakken? Helemaal als je Huub Beurskens heet en een uitvoerig en belangwekkend romanoeuvre op je naam hebt staan waarin schijn vrijwel altijd bedriegt? Romans die bovendien vaak een spel spelen met literatuur en waarheid?

Ja dus. Hij kreeg het indrukwekkend voor elkaar. Hij vertelt het verhaal van de scholier Lino Nomellini die tijdens een excursie naar Artis het meisje Inés Conde Torres ontmoet en het is meteen raak. Zo hoort dat natuurlijk. ‘En toen raakte een van haar vingers een van mijn vingers, of andersom, heel licht, per ongeluk. Nee, per geluk. Haar middelvinger kwam zomaar tegen mijn middelvinger, die zich niet terugtrok, maar die zich kromde, zoals de hare zich niet terugtrok maar zich kromde, om aan de mijne te haken zoals de mijne zich aan haar vinger haakte.’ Je ziet het allemaal voor je. Beurskens maakt ons voyeur van vingerspel, van liefdesspel, van jongens- en meisjesspel. Van verliefdheid. En hij geeft aan dit oude spel een nieuw verlangen mee, hij zet al zijn stilistisch vernuft in om er iets van te maken, iets moois, vol details, vol warmte, en barstens vol zinnen die de gevoelens van dit stel in wonderbaarlijk licht zet. Het kan dus, dit uitgekauwde thema superieur in beeld brengen.

Het heeft niet alleen met de stijl te maken. Beurskens maakt van zijn scholieren geen etherische wezens die zich buiten de wereld opstellen. De setting is concreet, de gebeurtenissen zijn volstrekt invoelbaar. Alles speelt zich af in een herkenbaar Amsterdam-Noord, met het ‘Waterlantcollege’, het Vliegenbos daar, ijssalons, Tuindorp Oostzaan, al die plekken die ik me maar al te goed herinner, ik woonde er enige jaren, en waar Beurskens zijn verteller, Lino Nomellini, volkomen terecht liefdevol over laat schrijven.

Ik ben natuurlijk maar een gewone lezer. Wat kunnen mij de ontwikkelingen van literatuur, het literaire debat en het literaire circus schelen wanneer ik een roman als deze lees. Of het wel realistisch is of niet, of postmodern, of geëngageerd of actueel of geschreven door een jong talent. Of een bestseller. Als het maar deugt en mijn verlangen aan het werk zet en mijn eigen jeugdliefdes oproept en mijn eigen buurten en ijssalons. Wat een opluchting dat Beurskens dit thema zo liefdevol en luchtig, maar ondertussen ook tragisch en breekbaar voor ogen tovert.

En dan ineens is Inés verdwenen. Je zag het als lezer, kenner en liefhebber van dit thema natuurlijk aankomen, dit kon niet goed gaan. Zij gaat met haar ouders naar Spanje op vakantie en Lino met zijn moeder naar Italië. Ze beloven elkaar brieven en kaartjes te schrijven en die bij terugkomst aan elkaar te laten lezen. Maar Inés komt niet terug. Haar huis is leeggehaald, de familie vertrokken. Ze is spoorloos. En de rest van zijn leven blijft Lino naar haar zoeken (zoals het hoort). Overal. Hij wordt hoboïst, reist veel, en altijd zoekt hij naar Inés. Wat is er gebeurd, waar is ze? Waarom?

Lino woont ondertussen als oudere man in Parijs en daar ziet hij op een dag, terwijl hij op internet voor de zoveelste keer op zoek is naar Inés, een foto van een jong model dat sprekend op haar lijkt. Ze showt op internet kleding voor een warenhuis. Hij gaat uiteraard op zoek, alles zoals het hoort. Beurskens zou Beurskens niet zijn wanneer hij niet uitvoerig de kleding beschrijft die dit model showt. Absolute hoogtepunten van de roman, Beurskens’ woordenschat op het gebied van vrouwen- en mannenkleding grenst aan het bizarre. ‘Ze droeg haar zwarte mini-jurk met gesmokte halsopening en mouwen of, zo stelde ik me het ter afwisseling voor, dat kersenrode topje met glanzende biesjes van satijn en ton-sur-ton inzet onder de buste en de riempjessandalets met slangenprint, plateauzool en het ritsje erachter.’ En dit is dan nog een klein voorbeeld. Geweldig! Kan ik hier bij de schrijver een cursus in volgen?

Lino spoort haar op en gaat met haar naar bed. Dan zijn we al voorbij pagina 170. En de raadsels van Inés’ verdwijning krijgen hier een wat mij betreft bevredigende oplossing. Mooi gedaan. Lino gaat Inés dus verderop terugvinden, dacht ik, nog helemaal in de ban van de leesdroom waarin de schrijver me terecht had laten komen. Maar dan. In de rest van de roman zet Beurskens ineens de rem erop. Weg mooi, intens, romantisch, sentimenteel en knap verhaal, weg alles wat literatuur zo schitterend kan maken. Ineens blijkt het anders in elkaar te zitten. Waarom? Vond de schrijver het allemaal toch te larmoyant? Moest er engagement in? Waarom hield hij niet tot het einde vertrouwen in de vertelling die hij zo fraai onder woorden bracht? Waarom mocht ik geen verlangende lezer blijven?

Daar zat ik dus met de gebakken peren.

De laatste honderd bladzijden moest ik erin gaan geloven dat Lino slachtoffer is van een of andere dwaze terreurgroep, met een flauwekul­doelstelling die ik niet eens durf te formuleren. Vervolgens komt een volstrekt oninteressante rechercheur aan het woord die zijn onderzoek naar die terreurgroep aan een tekenleraar van het Waterlantcollege heeft gegeven, die er een verslag van heeft gemaakt. En dat verslag was dan de roman. Et cetera. Postmodernisme. Literatuur als spiegelpaleis. Niets is waar en ook dat niet. Flauwekul en literaire clichés. En Lino komen we alleen nog als zombie tegen.

Ik geloofde er dus allemaal niets van. Ik geloofde alleen, en dan met huid en haar, in de eerste tweehonderd bladzijden van dit boek. Daarin toonde Beurskens zich een bevlogen, sentimenteel, geestig en meesterlijk schrijver. De rest vergeten we.

Huub Beurskens
De hemelse kamer
Wereldbibliotheek, 333 blz.,
€ 24,90