Redes Hirsi Ali, Lubbers, Erasmus en Thorbecke

Vraaggesprek, manifestatie, Lof der Zotheid, redevoering

Ayaan Hirsi Ali (2004): Vraaggesprek in ‹NRC Handelsblad›

Tweede-Kamerlid Ayaan Hirsi Ali moest na de moord op Theo van Gogh onderduiken. Op 29 november 2004 sprak ze in een vraaggesprek met NRC Handelsblad over emancipatie en islam.

«Jodendom en Christendom, die twee religies zijn mensvriendelijk gemaakt. En de uitdaging voor de liberalen, voor de mensen van de Verlichting die geloven in de Rede, is de islam. Het wachten is nu op een politieke, intellectuele elite die zo met elkaar gaat samenwerken dat ze zich hierop focussen. Ik heb het over een ideologische strijd. Ik denk dat de islamitische morele ideologie gedoemd is te mislukken. Ik zal alles, maar dan ook alles wat in mijn kleine machtje ligt doen om daaraan mee te helpen. Zonder geweld! Waar zijn nou die mannen bang voor? (…) Ik wil graag onderscheid maken tussen de islam als moreel stelsel en de moslims. De moslim is een mens, een individu. En die heeft een kans. De Verlichting biedt die kans. Die zegt: neem kennis van het alternatief en kies. Maar de mensen uit het oude paradigma willen dat niet inzien, dat is hun zwakte. Het is goed bedoeld en engelachtig maar als radicale moslims het hier voor het zeggen hebben, dan zullen ze Cohen niet sparen. (…) Cohen die de buurt bij elkaar wil houden door de moskee te gebruiken voor integratie, leeft in het Nederland van Ooit. (…) Van Mierlo leeft helemaal in het land van Ooit. Het is Madurodam, mini-Nederland, onaangeraakt door de problemen van de echte wereld.»

Ruud Lubbers (1985): Volkspetitionnement tegen plaatsing kruisraketten: De bittere vrede

Op 26 oktober 1985, vlak voor de «deadline» van 1 november voor het definitieve kabinetsbesluit tot plaatsing van 48 kruisraketten in Nederland, sprak premier Ruud Lubbers op de slotmanifestatie van het Komité Kruisraketten Nee terwijl de demonstranten hem met geschreeuw en gefluit overstemden of hem de rug toekeerden.

«Mag ik beginnen u geluk te wensen. Er zijn mensen die kritiek op uw actie hebben uitgeoefend. Ik heb dat nagelaten. Vrede en toch wapens, zelfs kernwapens, is een bittere vrede, een vrede die oproept tot weerstand, bezinning en gebed. Tot waar gaat het met een nucleaire afschrikking om de vrede en waar begint de waanzin van overbewapening? Wij moeten toch ooit weg uit die koude oorlog, ooit komen tot vreedzame betrekkingen. Je zou dat vijandbeeld zo graag aan gruzelementen slaan. Maar toch, alleen wijken voor druk en dreigementen, zou dat wat helpen? Wat heb ik gehoopt en gebeden dat we het wonder alsnog zouden beleven. De balans wordt pas op 1 november opgemaakt, maar uw inzet, mijn inzet, is niet voor niets geweest.

Hoop doet leven. Ook na 1 november.»

Erasmus (1511): Lof der zotheid

Terwijl de strijd tussen Reformatie en Contrareformatie in volle hevigheid losbarst, kiest de Augustijner monnik en geleerde Erasmus geen partij. Hij drijft in zijn Lof der zotheid (1511) de spot met de aanmatiging van alle theologen.

«In theologenland schrijft de wet toch voor dat je de hemel, dat wil zeggen de heilige schrift, als een huid moet uitspannen? Bij de heilige Paulus staan toch woorden die een verdediging van de heilige schrift vormen maar dat in hun eigen context niet doen (als we Hieronymus, die vijf talen kende, mogen geloven). Hij verdraait namelijk het opschrift op een altaar dat hij in Athene toevallig ontdekt had tot een bewijs voor het christelijk geloof, door het hele begin weg te laten, dat zijn zaak geschaad zou hebben, en er alleen de laatste woorden van te nemen, namelijk ‹aan de onbekende god›, en die dan ook nog niet precies, want het hele opschrift luidde: ‹Aan de goden van Azië, Europa en Afrika, onbekende en vreemde goden›. Vermoedelijk volgen de kinderen der theologie momenteel massaal zijn voorbeeld door links en rechts vier of vijf woordjes uit hun context te rukken, ze desnoods een beetje te verdraaien, en dan voor hun eigen doel einde in te zetten, ongeacht of het voorafgaande en volgende iets met hun betoog te maken hebben, of er zelfs mee in strijd zijn. En dat doen ze zo heerlijk schaamteloos dat juristen vaak jaloers zijn op de theologen.»

Johan Rudolf Thorbecke (1844): Redevoering over staatsburgerschap

Terwijl de revolutionaire woelingen van 1848 in Frankrijk en Duitsland zich aankondigen, verdedigt de liberale leider Johan Rudolf Thorbecke in mei 1844 het algemeen kiesrecht in een geruchtmakende redevoering: Over het hedendaagsche Staatsburgerschap.

«In het oog der wet onzer dagen is men zonder bezit niet zelfstandig. Die niet heeft of in zijn onderhoud naauwelijks kan voorzien, hangt van anderen af. Zijn blik, gebonden aan de eigen dagelijksche behoefte, kan zich tot de algemeene zaak niet verheffen. Men wordt geroepen om te stemmen in de onderstelling, dat men een eigen wil hebbe. Hoe zou hij, die niet vrij is, die niet over zooveel uitwendig goed gebiedt om zich zelven te helpen, kunnen regeren? De wet wordt dus, al ontzegt zij het stemmen aan hen, welke de noodige vrijheid missen, het stelsel van algemeene stembevoegdheid niet ongetrouw.

Onder één beding echter. Het verkrijgen van een genoegzaam bezit moet doorgaans allen, het moet niet enkel sommigen mogelijk zijn. De klasse der bezitters mag niet een ontoegankelijke, of voor de anderen naauwelijks toegan kelijke stand zijn. Wanneer het stemregt, door wie ook uit geoefend, het karakter van gemeen regt verliest, om dat van een voorregt te erlangen, gaat men tegen de streek der hedendaagsche vaart lijnregt in.

(…)

Vergeet niet, zegt gij, tusschen eisch en vervulling tijd in rekening te brengen. Verg niet, dat reeds het levende of de eerstvolgende geslachten in het nieuwe staatsrechtelijke plan ten volle passen, mits men de mogelijkheid, hoe verwijderd, ontware. Aan de pas ontloken plant vraagt men geen bloem noch vrucht; de vraag is slechts, of zij groeikracht hebbe.»