Vraagtekens in plaats van uitroeptekens

HET VERVELENDE van de geschiedenis is dat je haar niet kunt overdoen. Waar natuurkundigen, chemici en biologen eindeloos kunnen experimenteren om hun hypothesen te toetsen, moet de historicus het doen met eenmalige gebeurtenissen, die hij aan de hand van per definitie onvolledig feitenmateriaal moet verklaren. De tot cliché verworden opmerking van Geyl dat geschiedenis een discussie zonder einde is, maakt duidelijk dat een eenduidige, door iedereen geaccepteerde verklaring onmogelijk is. Volgens bèta’s is geschiedenis dan ook geen wetenschap. Misschien is dat ook wel zo. Maar met Orwell zou je tenminste kunnen zeggen: alle historici zijn onwetenschappelijk, maar sommigen zijn onwetenschappelijker dan andere. Er zijn namelijk historici die van het gegeven dat je de geschiedenis toch niet kunt herhalen, gebruik maken om met veel aplomb zeer eenvoudige, ogenschijnlijk overtuigende verklaringen voor historische gebeurtenissen te geven. Het zijn de historici die de vraagtekens vervangen door uitroeptekens.

Dat je de geschiedenis niet kunt herhalen is natuurlijk maar goed ook. Want om de holocaust over te doen ten behoeve van de geschiedwetenschap, dat gaat wat ver. Uitgerekend bij dit onderwerp woedt echter een hevige strijd tussen de meer en de minder wetenschappelijke historici. Het Goldhagen-debat leverde nogal wat onappetijtelijke taferelen op, terwijl bij ons de discussie rond het boek van Nanda van der Zee niet bijster verheffend was. Inzet van dat laatste debat was de oude vraag waarom juist in Nederland verhoudingsgewijs zo weinig joden de bezetting hebben overleefd.
VOOR DIT TRIESTE feit zijn al veel verklaringen gegeven. Van der Zee veegde die vrijwel allemaal van tafel en kwam met een eenvoudig verhaal. De Nederlandse elites in het algemeen gaven door hun volgzame en, waar het de joden betrof, onverschillige houding een allerbelabberdst voorbeeld. Maar pièce de résistance van haar verhaal was de lafhartige vlucht van koningin Wilhelmina, die de weg vrijmaakte voor een ‘burgerlijk’ bezettingsbestuur, dat veel moorddadiger was dan de militaire regimes in België en Frankrijk. In die landen werden de overtuigde jodenjagers uit de nazi-partij en de SS bij hun beulswerk immers gehinderd door over het algemeen brave Wehrmacht-officieren.
Er kleven echter, minimaal, drie bezwaren aan dit verhaal. Om te beginnen hebben Goldhagen en andere historici laten zien dat het 'gewone’ Duitse leger niet zo onschuldig was en dat het 'eliminatie-antisemitisme’ niet beperkt bleef tot fanatieke nazi’s. Ten tweede heeft Van der Zee geen grondig vergelijkend onderzoek gedaan naar de jodenvervolging in de verschillende Europese landen. Tot slot heeft zij onvoldoende oog gehad voor andere factoren die mogelijk van invloed zijn geweest. Over het omstreden optreden van de Joodsche Raad, een instituut dat slechts in enkele bezette landen voorkwam, merkte Van der Zee op dat dit niets heeft uitgemaakt. Kritiek op de leiders van deze instelling was volgens haar misplaatst, omdat niemand weet hoe hij zelf zou reageren in een dergelijke situatie.
AL MET AL mag geconstateerd worden dat Van der Zees verklaring voor het drama van het Nederlandse jodendom nogal kort door de bocht was. Het is een verhaal vol uitroeptekens. Heel anders is het vorig jaar gepubliceerde boek van de Engelse historicus Bob Moore, dat onlangs in Nederlandse vertaling verscheen. Niet dat Moore, die eerder een standaardwerk over de Duitse vluchtelingen in Nederland schreef, zich nu beperkt tot een opsomming van vraagtekens. Naast een beschrijving van de jodenvervolging in Nederland geeft Slachtoffers en overlevenden - dat nogal liefdeloos en soms zelfs gebrekkig vertaald is - een overzicht en waardering van de vele verklaringen die tot nog toe zijn gegeven voor het 'succes’ van het anti-joodse beleid der Duitsers. Helaas was het boek reeds voltooid toen Van der Zees Om erger te voorkomen verscheen, zodat een rechtstreeks antwoord op de boude beweringen in dat boek ontbreekt.
Wie beide boeken leest kan de verschillen in benadering, en de verschillende conclusies, moeilijk over het hoofd zien. Alleen al de passages over de Joodsche Raad in beide boeken verschillen als dag en nacht. Veertig pagina’s lang weidt Van der Zee uit over de, inderdaad gruwelijke, dilemma’s waarvoor de leiders van de Joodsche Raad geplaatst werden. Moore daarentegen geeft een uitgebreide analyse van de talloze factoren die een rol speelden bij het optreden van de raad, en schetst alternatieven waarvoor men had kunnen kiezen. Bovendien laat hij zien dat de Joodsche Raden in de verschillende grote steden niet zonder meer over één kam te scheren zijn. Uiteindelijk komt hij tot de conclusie dat de raad 'in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het “succes” van de Duitsers in het onderscheiden, isoleren en vervolgens deporteren van joden uit Nederland’.
VOLGENS MOORE is er niet één beslissende factor aan te wijzen, is er niet één, alles verklarend antwoord te geven op de vraag waarom de joden in Nederland veel minder overlevingskansen hadden dan hun lotgenoten in Frankrijk, België of Denemarken. Ook hij wijst de vlekkeloos functionerende bureaucratie en de volgzaamheid van de ambtenarij aan als zaken die een belangrijke rol hebben gespeeld. Maar in tegenstelling tot Van der Zee is Moore niet snel tevreden en onderzoekt hij tevens tal van andere mogelijke factoren en verklaringen. De zorgvuldige beschrijving van een uiterst complexe materie vergt van de lezer heel wat meer dan Van der Zees requisitoir, maar uiteindelijk is Moore’s aanpak wel verhelderend.
Ook Moore slaagt er niet in om precies aan te geven hoe zwaar de verschillende omstandigheden precies wogen, maar hij komt wel tot de conclusie dat het relatief onbelangrijke veranderingen in bepaalde factoren of omstandigheden waren die een onevenredig groot effect hebben gehad op de overlevingskansen van de joden. Naast de al genoemde zaken gaat Moore onder meer in op het feit dat Nederland geen enkele recente ervaring met een militaire bezetting had; de invloed van de verzuiling, die ervoor zorgde dat zelfs geassimileerde joden relatief geïsoleerd stonden; het gegeven dat het Nederlandse verzet zich vrij traag ontwikkelde; de enorme gezagsgetrouwheid van de Nederlandse bevolking, inclusief de joden; en de voor ons schokkende onverschilligheid van de niet-joodse bevolking.
Echt nieuwe gegevens of tot nog toe over het hoofd geziene zaken treft men bij Moore niet aan. Wel tracht hij de verschillende ontwikkelingen en gebeurtenissen met elkaar in verband te brengen en geeft hij aan in hoeverre bepaalde factoren relevant waren. Alles bij elkaar opgeteld is er volgens Moore geen andere conclusie mogelijk dan dat, als gevolg van een groot aantal specifieke kenmerken van de Nederlandse samenleving, de joden hier veel kwetsbaarder waren dan in andere landen. Daardoor was het voor de Duitsers een relatief eenvoudige klus om Nederland 'Judenrein’ te maken.
Dat is wellicht geen antwoord dat onze behoefte aan een duidelijk te identificeren 'schuldige’ kan bevredigen - de échte schuldigen kennen we trouwens al lang - maar het is wel het maximale dat de geschiedschrijving ons kan bieden. Het is misschien nog geen pure wetenschap, maar Moore komt met dit boek wel verrekte dicht in de buurt.