Vraatzuchtige dieren

Echt leuke mannen herken je toch vooral aan hun vrouwen. Nu wil ik Rudy Kousbroek niet met terugwerkende kracht matroniserend bijzetten als ‘echt leuke man’, maar hij had wel heel bijzondere vrouwen.

Eerst was daar Ethel Portnoy, de 23-jarige New Yorkse literatuurstudente. Met een Fulbright-beurs kwam ze naar Parijs om daar op een zonnige oktoberochtend in het Musée de Cluny ‘een blonde jongen in een lichtbruine houtje-touwtjejas’ tegen het lijf te lopen. In het openingsverhaal van Parijse feesten, uit 2004, Annus mirabilis, beschrijft ze hoe dat in zijn werk ging. Het is zo'n aanstekelijk verhaal dat het moeilijk is om het hier niet helemaal over te schrijven. Laat ik alleen zeggen dat zij hem haar gedichten ter lezing gaf, en dat hij die vervolgens in de taxi liet liggen, en dat het toch nog goed kwam. ‘Hij smeekte om vergiffenis en die schonk ik.’
Al heel snel trouwden ze, met als getuige Remco Campert, ‘in vodden gehuld’. Twintig jaar lang woonden en werkten ze in Parijs; ze kregen een dochter en een zoon. In 1970 verhuisden ze naar Nederland. Het huwelijk duurde lang maar geen eeuwigheid, wat niet verhinderde dat op haar 75ste Ethel Portnoy nog immer liefhebbend sprak over haar inmiddels ex-echtgenoot.
Ik interviewde haar toen in haar overvolle Haagse grachtenwoning, waar ze ervan genoot te kunnen lezen, schrijven en slapen wanneer ze maar wilde. Zelf behept met de eeuwige angst dat de dingen ook zomaar voorbij kunnen gaan, viste ik naar haar ervaringen op het liefdesvlak. ‘Je bent aan elkaar gewend’, zei ze. Iedere week gingen ze nog samen eten, en dan praatten ze over de kinderen en zo. ‘Je weet hoe je denkt. Na zo'n huwelijk van dertig jaar. Dat blijft.’ Geen verbittering? vroeg ik, toch stiekem denkend aan de man die opnieuw een leven in Parijs was begonnen. Met een ander, ook nog eens 25 jaar jonger. ‘Voor mij was het ook een soort verlossing’, zei ze. En toen ik haar ongelovig aankeek, riep ze schaterend: ‘Of course!’ Eindelijk kwam ze aan zichzelf toe, zei ze. ‘Ik was zo geconcentreerd op hem, op alles wat hij deed, ik leefde met hem mee, ik dacht mee. Ineens lag er weer een heel wijd universum voor mij open.’ (Ethel Portnoy overleed in 2004; in dat jaar verscheen nog van haar een collectie Sherlock Holmes-verhalen, waarover ze me verteld had dat ze daar met zoveel plezier aan werkte.)
De 25 jaar jongere ander was Sarah Hart, die je alleen al vanwege haar ernstige bril en rode Ierse haardos alles zou vergeven mocht er wat te vergeven zijn. Maar vooral natuurlijk vanwege de fijnzinnige, weemoedige stukjes die ze in de jaren negentig schreef in de boekenbijlage van Vrij Nederland. Een aantal daarvan werd in 1998 gebundeld, tezamen met haar tuincolumns voor NRC Handelsblad, in een boekje getiteld Gehuurde wereld, dat zich zo gecomponeerd opeens liet lezen als haar autobiografie. Het is het verhaal van een Iers meisje dat opgroeit in Engeland, als twintigjarige naar Parijs vertrekt om daar taalwetenschap en Chinees te gaan studeren, en daar - ja daar loopt hij weer - Rudy Kousbroek leert kennen. Ze wonen enige tijd in Parijs, krijgen een dochter, en verhuizen dan gedrieën naar Nederland. Haar stukjes in Vrij Nederland scheurde ik bijna altijd uit. Ze berichtten van de gedroomde boekenwereld, waarin mensen lezers zijn. Waarin iemand op zijn sterfbed The Oxford Book of English Verse ter hand neemt, en een soldaat in de Eerste Wereldoorlog op het slagveld Miltons Paradise Lost in het hoofd heeft. Een gedroomde wereld die bij haar echter dan echt was, want de man op zijn sterfbed was haar vader en de soldaat op het slagveld haar oom. Er bestaan dingen die niet echt zijn tot je ze gelezen hebt in boeken, schreef ze. Het geschrevene gaf haar een scherper beeld van zichzelf. En zorgde voor teleurstellingen als de werkelijkheid niet door de literatuur gedekt bleek te worden.
De hartstocht voor boeken en schrijvers, en die voor Kousbroek in het bijzonder, deelden Ethel Portnoy en Sarah Hart. Het leverde in beide gevallen een klein, eigenzinnig oeuvre op, hoogstpersoonlijk, lichtzinnig erudiet. Waar niks op valt af te dingen, maar toch. Het bleef een beetje bescheiden.
In Waarover praten kunstenaars?, ook in Parijse feesten opgenomen, notuleerde Ethel Portnoy met de haar kenmerkende zachte spotlust de hoogstaande gesprekken op zomaar een avondje. Zogenaamd bedoeld voor diegenen die niet zo gelukkig zijn in artistieke kringen te verkeren. Om te laten zien dat zoals overal het ook hier nergens over gaat. Ik denk niet dat het haar hier speciaal om te doen was, daarvoor hield ze te veel van mannen, maar wat vooral opvalt is dit: de mannen deden de sterke verhalen, over holbewoners en vraatzuchtige dieren, en de vrouwen zeiden niet zo veel. Of zoals Portnoy het noteerde: ‘De dames in het gezelschap zeiden oe.’ Misschien heeft Kousbroek zijn vrouwen een beetje opgegeten, of beter: hebben zij zich een beetje door hem op laten eten. Begrijpelijk, maar spijtig voor ons achterblijvers.