Thérèse Major, Wat mijn moeder niet weet

Vragen over vroeger

Thérèse Major

Wat mijn moeder niet weet

Querido,176 blz., € 12,50

Martine Murray

Het bijna ware verhaal van Cedar B. Hartley

Vertaald door Maarten Polman

Vassallucci, 228 blz., € 16,95

Marcel Prousts Á la recherche du temps perdu, Louis Couperus’ Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan en Hector Malots jeugdboek Sans famille zijn slechts enkele voorbeelden uit de wereldliteratuur die verhalen over dolende zielen op zoek naar het geheim van hun verleden en afkomst. Over mensen die terugkeren naar vroegere plaatsen waar sluimerende herinneringen ontwaken en tot leven komen. Over volwassenen en kinderen die bij toeval familiegeheimen ontdekken en voor wie het verleden een optelsom van verwarrende gebeurtenissen wordt, dat hen achtervolgt, inhaalt en vormt.

Ook Thérèse Majors tweede kinderboek Wat mijn moeder niet weet gaat over de onontkoombaarheid van het verleden. Het verhaal, een familiedrama dat wordt verteld door de tienjarige half Hongaarse Johnny Mooiweer, draait om het inzicht dat je het verleden niet kunt wegstoppen in een oude kist op een stoffige zolder in Hongarije.

Major begint met een onbevangen terugblik van Johnny: «Wat heb ik toch een rare vakantie gehad! Als je met je vieren weggaat, en je komt met z’n tweeën terug, dat vind ik raar. Misschien dat het bij onze familie wel zo hoort: alles door de helft.» In het verhaal dat volgt over Johnny’s zomervakantie met zijn ouders en broer bij zijn moeders Hongaarse familie in een oud boerenhuis vlakbij het Balatonmeer, blijft de toon even eerlijk en ongekunsteld als in het begin.

Het is de zuivere, trefzekere toon van Major, die situaties en gebeurtenissen kan observeren en beschrijven alsof ze zelf niet ouder is dan tien. Ontroering en humor gaan daardoor samen. Zoals het moment dat Johnny en zijn Hongaarse nichtje Juliska de zolder, de «padlaasj», van het boerenhuis afspeuren. «Er stonden een paar houten kisten met van die donkere, leren deksels erop, met grote hangsloten eraan. […] Wat zou er eigenlijk in die kisten zitten, dacht ik.» Maar Juliska verbiedt Johnny de kisten te openen. «Marika, kommoenista», fluistert ze. Johnny, die nog maar gebrekkig Hongaars spreekt, begrijpt haar niet en een hilarisch misverstand is het gevolg. «Li-li-ligt ze d’r soms zelf ín? Die ouwe dooie tante Marika? […] Misschien doen ze dat in Hongarije wel: dooien begraven op zolder.» Johnny is hevig geschokt en wil weten wat er in die kisten ligt en wíe tante Marika eigenlijk was.

Uiteindelijk ontdekt hij dat niet tante Marika in de kist op zolder «begraven» ligt, maar «het geheim van haar baby». «Haar baby» blijkt namelijk Johnny’s moeder, bij de geboorte afgestaan aan tante Marika’s broer omdat tante met de communisten heulde. Met het onthulde familiegeheim begint een zoeken in het verleden. Dit begin is tegelijkertijd het mooie, verwarrende slotakkoord van Majors helder geschreven familieroman. Want Johnny’s moeder, onbekend met haar duistere afkomst, besluit in Hongarije te blijven «á la recherche du temps perdu». Major laat Johnny en de lezer ontredderd achter. Hoe verder? Wanneer komt Johnny’s moeder terug naar Nederland? «Ik weet het niet», zegt Johnny, «nemtoedom».

Ook de twaalfjarige Cedar B. Hartley uit Het bijna ware verhaal van Cedar B. Hartley (die van plan was een ongewoon leven te leiden), het debuut van de Australische Martine Murray, heeft vragen over vroeger. Over haar verdwenen broer en haar vaders mysterieuze dood. Cedar, een levendige, lenige evenwichtskunstenares, is vastbesloten de raadsels omtrent haar verleden te ontwarren. «Als je de wereld immers geen vragen stelt, kom je er nooit achter waar de regenboog begint.» Daarna volgt het vanuit Cedars perspectief vertelde, humorvolle verhaal over haar zoektocht naar de oorsprong van die ongrijpbare regenboog.

Cedars ontdekkingstocht speelt zich af in Melbourne, waar ze samen met Stinky, een oude straathond, bij haar hippe moeder woont. Als Stinky op een dag wegloopt ontmoet ze Kite, de acrobatische zoon van circusartiesten. Tussen Cedar en Kite ontluikt een romance gebaseerd op hun gemeenschappelijke belangstelling voor acrobatiek. Als blijkt dat Cedars overbuurvrouw finan ciële problemen heeft, besluiten Cedar en Kite te helpen met een benefietcircusvoorstelling. Tijdens de voorbereidende acrobatische oefeningen, welke capriolen effectief zijn gevisualiseerd door middel van pietepeuterige krabbeltekeningen, leert Cedar spelenderwijs over haar verleden en ontdekt ze wie haar vader écht was. Met vallen en opstaan hervindt ze haar evenwicht en krijgt zicht op haar leven. «Het was alsof een of ander duister deel van mij zojuist was opgeklaard, als een open raam. Ik kon er fatsoenlijk doorheen kijken, en ik wist hoe de zaken stonden, hoe ze eruitzagen en aanvoelden. Ik hield niet per se van het uitzicht, maar het was tenminste iets wat niet zou weggaan of veranderen of doodgaan.»

Een suikerzoete ontknoping volgt en alles komt goed. Spijtig. Want tót de ongeloofwaardige terugkeer van Cedars broer in hoofdstuk 34 is Murrays debuut een sprankelende, levensechte vertelling, die wordt gedragen door Cedars fonkelende levenslust en met treffende beeldspraak beschreven «hartsituaties» (zielenroerselen). Een vertelling die niet gewichtig, zwaar of groots is, maar, zoals Majors jeugdige familieroman, ontroert en doet beseffen dat wie zijn verleden niet kent, geen houvast voor in de toekomst heeft.