Vragen rond verzet

Het hongerjaar 1566 is weliswaar in het Duits geschreven, het is alleen in een Nederlandse bewerking uitgebracht. Het gaat dan ook om een verklaring voor het ontstaan van ‘onze’ Tachtigjarige Oorlog. Of beter gezegd, een radicaal andere interpretatie van de Beeldenstorm van 1566 die de Opstand inluidt. De auteur is een uit Duitsland gevluchte advocaat, als jood en communist een verklaarde vijand van de nazi’s. In Nederland raakt hij als balling geïntrigeerd door vragen rond opstand, verzet en de rechtvaardigingen daarvan. Als een ware marxist zoekt hij antwoorden in de spanningen tussen de klassen en de ideologisering van de massa. Dat model past hij als een der eersten – buitenlander nog wel – toe op de vrijheidsstrijd van zijn gastland.
In engere zin voelt hij zich daarbij uitgedaagd door de gangbare typering van de Beeldenstorm als een wonderbaarlijke gebeurtenis. Contemporaine kroniekschrijvers spreken zelfs over het ‘wonderjaar’ 1566, omdat ze geen betere verklaringen kunnen vinden voor de volkswoede en de opstand tegen het gezag. Die typering komt nog terug bij twintigste-eeuwse geschiedschrijvers. Juist hun instemming met deze ‘verklaring’ zet Erich Kuttner aan het schrijven. Het is allerminst verwonderlijk wat die beeldenstormers heeft gedreven, het gaat gewoon om honger, uitbuiting en wrede vervolgingen waarvan het gezag zich bedient om de massa te knechten.
Gedreven werkt Kuttner dit verklaringsmodel uit, onder raadpleging van een groot aantal zestiende-eeuwse bronnen van allerlei aard. Wat het boek nog extra bijzonder maakt, is dat hij daarbij ook literaire teksten benut. Zoiets is nog nauwelijks vertoond in de geschiedschrijving. Kuttner laat zien dat literatuur kan dienen als kenbron voor ideologisering en niet weggezet hoort te worden als geïsoleerd esthetisch fenomeen, dat uit de tijd getild moet worden. Verzonnen teksten maken met geraffineerd taalgebruik opinies aan en zijn dus een factor van belang bij de analyse van sociale en politieke spanningen. Heel overtuigend laat Kuttner dan zien hoe schrijvers als de Bruggeling Eduard de Dene en de Haarlemmer Louris Jansz graanwoeker aan de kaak stellen en de autoriteiten die daarvan profiteren aan de schandpaal nagelen.
Bijna alles in deze vlammend geschreven studie interpreteren we inmiddels wat anders, maar nog steeds staat het provocerende uitgangspunt overeind: literatuur opinieert en hangt niet koket in de lucht. Daarmee heeft Kuttner vereeuwiging verdiend. Zelf heeft hij zijn werk niet in druk kunnen zien. Hij was gedwongen zijn manuscript op een onderduikadres te voltooien, werd later verraden en crepeerde in het voorjaar van 1942 in Mauthausen.

Erich Kuttner, Het hongerjaar 1566, met een inleiding van Jan Romein en bewerkt door Johan Winkler, NV Amsterdamsche Boek- en Courantenmaatschappij, 1949